Over Van Ruler
1974-10-11
Het kengetal van Van Rulers theologie is: twee, - zo zagen we de vorige keer.- Jaargang 18
- nummer 37
Schepping en verlossing zijn niet één, maar twee, Zij het wel twee brandpunten van één ellips. Of ook: schepping en verlossing Zijn twee binnen de heilige drie-eenheid.
Zo wil Van Ruler zowel aan het dualisme als aan het monisme ontkomen.
En bij "nomisme" denken we dan speciaal aan het Christomonisme van Barth. Van Ruler heeft zich aan Barths invloed moeten ontworstelen.
Aanvankelijk kritiekloos bewonderaar en volgeling van Barth kwamen zijn aarzelingen op t.a.v. drie samenhangende zaken: de betekenis van het Oude Testament, de kinderdoop en de verhouding van kerk en staat.
Vanuit zijn strakke concentratie van alle openbaring op Christus alleen moest Barths aandacht en waardering van deze drie zaken wel tekort schieten. De schepping gaat bij Barth dermate schuil achter en wel bijna geheel op in de verzoening, dat de geschapen wereld door hem nog alleen gewaardeerd wordt als toneel waarop het "stuk" van de verlossing gespeeld wordt.
Berkouwer heeft in zijn tweede boek over Barth ("Triumf der genade", 1954) .aan deze kwestie enige zeer duidelijke bladzijden gewijd (p. 245 e.v.), waarbij hij één van Barths vroegere leerlingen aanhaalt, Prenter, die zijn leermeester beschuldigt van "scheppingsdocetisme". Bij Barth schuiven schepping en verlossing over elkaar heen, waardoor de geschiedenis in 't gedrang komt.
De beslissingen zijn eigenlijk al gevallen, zodat er nauwelijks nog plaats is voor een historische zondeval en een historische verzoening van schuld. Er is bij Barth geen ná elkaar meer, maar de schepping rust in de verlossing.
De schepping is er dan ook niet door het Woord, Joh. 1: 3, maar door het vleesgeworden Woord, Joh. 1 : 14. Berkouwer moet Prenter toegeven, dat door deze geweldize concentratie van alle openb-aring in Christus als het vlees geworden Woord "de beslissende betekenis van de geschiedenis niet meer ten volle is te handhaven" (p. 250), de geschiedenis tussen schepping en verlossing.
In deze kritiek van Prent er kan men ook Van Ruler terugvinden.
Als Kuitert het in zijn gesprek met Van Ruler voor Barth opneemt en zegt, dat hij schepping en verlossing toch wel heel dicht bij elkaar wil houden, antwoordt Van Ruler: ik ook, maar dan moeten we wel op twee benen lopen.
(Zie het vorige artikel over kengetal.) Hoe aktueel dit alles is t.a.v. de moderne theologie moge blijken uit de vrees door Van Ruler in dit gesprek uitgesproken, dat "de hele theologie van tegenwoordig a.h.w. het zijnsmatige invouwt in het heilsmatige en het hele zijn als heil beleeft, zodat het kan gaan gebeuren, dat ineens dat heilsmatige in zijn bizonderheid verdwijnt en dan slechts over blijft de zich ontplooiende wereld, waarin dan Jezus slechts een faktor is". En zo loopt de hedendaagse theologie dan uit op humaniteit, medemenselijkheid en sociale revolutie. Dat is dan de muis die de berg van Barth's christologische concentratie gebaard heeft.
De geschiedenis valt er bij Barth uit, tussen schepping en verlossing, - zo hoorden we Prenter reeds zeggen en Van Ruler zal het beaamd hebben. Reeds uit zijn bijdrage in 1944 aan de bundel "Geschiedenis" (aangeboden aan zijn leermeester W. J. Aalders bij diens afscheid), een studie over E. Troeltsch kan zijn bizondere interesse blijken in de geschiedenisfilosofie, zoals trouwens de filosofie zijn grote belangstelling gehad heeft, voordat hij aan de eigenlijke theologie toekwam.
Vanwege de geschiedenis, zoals ze ons in haar aanvang en voortgang naar de voleinding verhaald wordt in de Bijbel, kan Van Ruler nooit Barth nazeggen, dat de schepping er is om de verlossing, maar keert hij de stelling om: de verlossing is er om de schepping.
"De schepping is het fundamentele, daar gaat het om, en de verlossing is er op gericht, dat de schepping er weer zou kunnen zijn".
Daar zit voor Van Ruler heel wat op vast: zijn bijna joodse aandacht voor het aardse, lichamelijke, uitwendige,zijn zeer hoge waardering voor het Oude Testament,zijn theocratisch ideaal,zijn gespannen en gesplitst zijn op de wederopstanding des vleses,zijn blijde levensaanvaarding en haast kinderlijke vreugde over het verloste bestaat "We vinden de schepping terug. Ze was bedolven en verdrongen door de zonde van de mens, door de vloek van God, door de heerschapnij der demonen, door de duisternis van het heidendom. Er is geen sterveling op aarde, die uit zichzelf de wereld kan beleven als wat zij is, nl. geschapen werkelijkheid, werk en eigendom van de Schepper. Iedereen maakt er wat anders van.
De een vergoddelijkt en verabsoluteert haar. De ander nihiliseert haar en zegt, dat zij absurd, zinloos, waardeloos en in wezen niets is. Daartussenin lopen de meeste mensen maar wat rond te tobben en te suffen.
Zij lijden wat aan de wereld.
Ze puren er een beetje, geluk en lust uit. Zij ondergaan het leven, bijna als de dieren. Ze gaan in de zorgen en de genoegens van het leven onder.
Christus beleeft de wereld weer als wereld! Hij staat temidden van de bloemen van het veld en de vogelen des hemels.
Hij staat temidden van de mensen, in hun verlorenheid en verstrooidheid en maakt er weer een gemeenschap van. In dat alles staat Hij voor het aangezicht van de Vader. De hele werkelijkheid van de wereld wordt, om Hem heen, weer tot schépping; niet in zichzelf besloten, maar ópen naar God, Zijn wil, Zijn raad en Zijn rijk.
En zo vinden we door het heil heen de wereld als Rijk en het leven als lofzeggende dienst!"
(Waarom zou ik naar de kerk gaan, p. 149, 150.)