VRIJDAG DE DERTIENDE
1974-10-11
Van de vroege morgen af had ik me gerealiseerd, dat het een vrijdag-de-dertiende was, die wij in Groot-Brittanié mochten doorbrengen.- Jaargang 18
- nummer 37
Een bizondere dag in een bizonder land. In dit grote eilandenrijk is namelijk iedereen, de bijgelovige en de niet-bijgelovige, op zijn hoede voor zulk een dag. Want er kunnen dan erge dingen gebeuren. Het hoeft niet, maar het kan. Komen de erge dingen niet vanzelf - dan komen ze omdat men in een krampachtige toestand verkeerde dingen doet.
Het gaat hier om het Britse bijgeloof, dat in onze kerkelijke papieren supers titie wordt genaamd. Zo'n bijgeloof is een rotsvaste overtuiging inzake onzienlijke en onredelijke dingen, welke overtuiging niets met Gods Woord te maken heeft. Een stukje heidense zuurdesem zogezegd, door geen zendeling of priester ooit uitgeroeid. Integendeel: wanneer zulk een zendeling, die ijverig de heidense restanten had getracht uit te verkopen, zelf op zo'n bijgeloofsdag van zijn paard zou zijn gevallen - en dat kan - dan zou die zendeling de onfeilbare achtergrond van het bestreden bijgeloof zelf voor eeuwen bevestigen. Zoals een boze rechter, die levenslang verkeersovertredingen genadeloos zou hebben gestraft en tenslotte zelf aan eigen verkeersdelict zou ondergaan, eveneens een slechte overtuiging helpt staande houden.
Zo zit dat met het bijgeloof, dat u vooral in Schotland aantreft. Als daar de huisvrouw haar boodschappen gaat doen en de zwarte kat van de buurvrouw kruist haar pad - dan worden de boodschappen tot de volgende dag uitgesteld. Wanneer de glazenwasser zijn ladder op een trottoir opstelt, zal daar geen voetganger onder door lopen: liever door de goot. Als iemand van een ongeval hoort en zegt: ik kijk wel uit - dan roepen twee, drie stemmen haastig: touch wood! en de spreker klopt haastig het “opgeroepen onheil" af, op hout, liefst ongeschaafd hout. Loopt een baby langs de rand van het water dan zegt men beklemd: cross your fingers!, men legt de ene vinger van een hand over de andere - en het gevaar is bezworen ...
We kwamen in het plaatsje Comrie, waar we op een lunch waren genodigd.
U kent de naam van de Schotse theoloog Comrie nog wel? En kent u de naam van de olde skriever Erskine nog? Ook die had een eigen dorpje. Nu, we kwamen dus in Comrie, bij lieve mensen. Het toegangshek van de tuin was overgroeid door een natuurlijke boog.
Onze gastheer wees ons erop, dat twee lijsterbesbomen boven het hek waren vergroeid tot een eenheid, Ongelooflijk; maar waar. De bomen waren (en je kon met wat zoeken het lidteken vinden) als jonge struikjes op elkaar geënt en als één boom met twee wortelgestellen doorgegroeid. Ergens midden boven het hek hadden twee takken zelfs op nieuw een boog gevormd.
Toen wij vroegen, wie op het leuke idee was gekomen om zo'n levende toegangspoort te vormen, was het antwoord: dat is geen grapje, zo'n boog weert het onheil van ons huis; geen heks kan er onder door gaan. (De gastheer woonde er nog geen twee jaar; had de zaak zo overgenomen als hij die aantrof, met bijlgeloof en al).
Zo wordt er op vrijdag-de-dertiende niet op zee gevist: de vangst zou kunnen tegenvallen en er zouden mensenlevens mee gemoeid kunnen zijn. Zo wordt er van alles aan gedaan om een priester of predikant, herkenbaar aan zijn omgekeerd boordje, op zo'n dag buiten de veerboot te houden; houdt men hem niet tegen, dan stappen anderen van boord!
En waar komt zo'n mal bijgeloof vandaan? Is het omdat de Heiland op een vrijdag is gekruisigd? Is het omdat een van het gezelschap van, dertien Hem heeft verraden? Misschien wel. Maar dan heeft het heidense bijgeloof enkele mankante punten uit de heilshistorie misbruikt om zich daarop te enten. Aan een echtpaar vroeg ik op vrijdag de dertiende: gelooft u nu werkelijk, dat deze dag ongeluk kan brengen?
"Natuurlijk niet!" zei de ene helft van het paar. "Maar je houdt er toch rekening mee, nietwaar?" zei de wederhelft.
Diezelfde avond waren we voor een supper genodigd bij een collega in Oban. Een supper is een warme maaltijd na negenen. Te onzen pleziere hadden onze gastheer en gastvrouw een bevriend artsenechtpaar uitgenodigd, zodat we soms een gezamenlijk gesprek hadden, soms in twee, en soms in drie gesprekken uiteenvielen. Dat zijn de small talks.
De beide Schotse dames kwamen van de eilanden; de gastvrouw van Islay (dat ligt ten westen van Tarbert) en de andere van Lewis (dat ligt heel noordwestelijk in de Oceaan). Nu mogen die eilanden in vroeger eeuwen voor fatsoenlijke mensen onbewoonbaar zijn geweest, toevluchtsoord voor misdadigers, dorado voor strandjutters, smokkelaars en drankstokers - tegenwoordig leveren zij erg ontwikkelde en bekoorlijke vrouwen op; indien de meisjes tijdig naar een behoorlijke kostschool op het mainland zijn gestuurd.
Onze gastvrouw deed tenminste in geen enkel opzicht onder voor onze gemiddelde goede huisvrouwen haar vriendin sprak Frans even goed als Duits, hetgeen voor een Engelse vrijwel niet maar voor een Schotse zeer wel mogelijk is.
De avond werd, behalve het smakelijke maal, gevuld met kout. Waarover?
Britten zijn erg onderhoudend; het converseren is daar een hoge kunst. Over :het nieuws dus, over het weer, over de politiek, de olie, het huisvrouwelijk beleid en de zakenmannelijke economie, het nationale inkomenspeil en de prijzenontwikkeling, de werkloosheid, de inflatie en de overheidsmaatregelen, de toetreding van Brittanje tot de EEG, de geschiedenis van dit rijk en de toekomst van deze wereld.
En in deze dingen - hoe kan het anders? - kwamen vanzelf de religieuze overtuigingen van de deelnemers aan de orde. Al gauw bleek dat alle drie families niet alleen uit gedoopten en gelovigen bestonden - maar ook alle drie trouw ter kerke gingen en zich alle drie voor het kerkelijk werk gaven. En omdat ze allen geloofden in het verzoenende bloed 'van onze Zaligmaker en in Rem door een waarachtig geloof waren ingelijfd, konden ze het niet nalaten vruchten van dankbaarheid voort te brengen. Vruchten van mond en hart en hand.
Is dat even een heerlijke ontdekking! Moet je daarvoor heel naar Oban reizen om in de Engelse taal de gemeenschap der heiligen te vinden! Het gaf een aparte kleur aan onze leuke avond. Want soms begin je zo'n visite bij een collega als een onvermijdelijk beschavingsverschijnsel, soms ook als een poging om wederzijdse gemeenschappelijkheden te verkennen of om een gemeenschappelijk verleden op te halen. Maar dan blijft het een gok, een spel. Een onverwachte interruptie, een domme kwinkslag of een toevallige situatie kunnen het gezelschapsspel maar zo laten derailleren. Dan is de avond bedorven of op zijn best net niet bedorven. Maar er blijft niets van hangen.
En dan blijkt opeens een gezelschap te zijn samengesteld uit Christgelovigen: twee uit het Calvinistische Nederland, twee uit het Knoxiaanse mainland en twee geroepenen van de einden der aarde. Er werd wederzijds naar de kerkelijke samenleving geïnformeerd, naar leer en leven. Daar kwamen van weerszijden kerkelijke histories los: beginnende bij Calvijn en John Knox en komende tot verval; gaande van reformatie tot restauratie, van kerkbreuk tot kerkelijke coalitie, via nieuw verval tot nieuwe wederkeer; al deze dingen doorspekt met synodes, kerkvorsten, machthebbers in toga en profeterende huismoeders; in het ene land niet anders dan in het andere.
Maar in beide landen: terugkeer tot het simpele Woord van God, herstel van een Christelijke levensstijl van levend geloof, blijkend uit goede werken. In beide landen een verstaan van Gods beloften in deze kritieke wereldsituatie, honger naar gerechtigheid en daarom afkeer van alle dode orthodoxie en traditionalisme. Het ging hun als ons: volgens sommigen waren ze "too reformed" - volgens anderen niet gereformeerd genoeg; maar wee u als alle mensen goed van u spreken.
En de kerkelijke groepsbinding was er zeker niet sterker dan de binding aan de Zaligmaker.
Jawel, dat is even een heerlijke ontmoeting. In dit achterlijke land, waar John Knox vanaf zijn balcon de katholieke koningin Mary Stuart zou hebben bespuwd (we hebben het balcon zelf gezien) daar blijken christenmensen rustig in het geloof te kunnen staan - en geen predikant in de hele straat te zien.
Ze gaven zich geheel aan het kerkelijk werk en even volledig aan de broederschap-in-Christus, de evangelisatie en de zending. De dame uit Lewis had in Londen een lezing van een Dutch professor of arts uit Amsterdam gehoord: wonderfull! Wij probeerden een naam: Rookmaaker? En kijk ... het was onze eigenste Rookmaaker geweest, hartjes roos. Ze wisten van l'Abri Zwitserland, hadden het boek van mevrouw Schaeffer, wensten vurig eens naar Huémoz te kunnen gaan.
Wisten heel niet, dat wij in Nederland een filiaal van dr Schaeffers werk hebben.
Na deze wederzijdse verkenning, herkenning, gingen de harten pas goed voor elkander open. De problemen van deze tijd: welvaart en afval, nihilisme en ondergang van de kerkjeugd. verslaving en onverschilligheid, Maar daar tegenover meteen: Gods alles overwinnende kracht en ons geloof, dat de wereld overwint. De Satan, die een korte tijd is losgelaten - en Gods trouw, die aan onze kindskinderen zal blijken.
Wat een heerlijke vakantiedag, Het was middernacht, toen we afscheid namen en donker ArgylI inflitsten - 25 miles naar Loch Awe. Een gelukkige dag, vol van Gods zegeningen. In Schotland, Gods land, Gods own country.
En zie, het was morgen geweest en het was avond geweest: Vrijdag-de-dertiende.