Boekbesprekingen
1974-10-11
- Jaargang 18
- nummer 37
Vast en zeker!
In het blad van de Gereformeerde Bond, "De Waarheidsvriend", is een serie artikelen van verschillende auteurs gepubliceerd over allerlei aspecten van het verbond tussen God en zijn volk.
Deze artikelen zijn gebundeld in een boek, dat bij Kok in Kampen verscheen onder de titel "Vast en zeker!"
De bundel begint met twee exegetische bijdragen. Dr H. Goedhart schrijft over het verbond in het Oude Testament, drs A. Noordegraaf over het verbond in het Nieuwe Testament. In het eerste hoofdstuk wordt aandacht gegeven aan de studie van Prof. Mendenhall, die de oude Hittietische verdragen onderzocht en vergeleek met Bijbelse gegevens. Voor leerlingen van Prof. B. Holwerda en ds C. Vonk is dit geen nieuws, maar het doet een mens deugd dat in de kring van hen, die in veel opzichten zo dicht bij ons staan, de broeders uit de Geref. Bond, duidelijk gewezen wordt op het verdragsmatige karakter van Gods Verbond. Ik heb in de eerste hoofdstukken evenmin als in het vervolg van de bundel de naam van Dr J. G. Woelderink aangetroffen. Toch geeft het geheel de indruk dat diens Schriftgetrouwe onderwijs sterk doorwerkt.
Op blz. 12 staat: "Wij mogen niet zo individualistisch denken dat we geen oog hebben en houden voor het werken van God door middel van het verbond. Wij mogen niet zo sterk verbondsmatig denken dat wij geen oog hebben voor het persoonlijke contact van God met de enkeling en van de enkeling met God." Het wil mij voorkomen dat hier een tegenstelling gemaakt wordt, die de Schrift niet kent. Het verbond dat de HERE met zijn volk. opricht is toch bevestigd aan ieder kind dat tot dit volk behoort.
Het zo te vèr voeren ieder hoofdstuk in een weekbladrecensie te bespreken. Prachtige opmerkingen maakt drs Noordegraaf, b.v. op blz. 24-25: "De nadruk op de souvereiniteit van Gods welbehagen en de gedachte van de uitverkiezing wordt door God verbondsmatig verwezenlijkt... Wij mogen de ruimte en breedte van Gods verbond niet inperken. Jezus kwam met zrin heilsproclamatie tot geheel Israël."
Minder gelukkig was ik met een uitdrukking als "de kring van het inwendige verbond", al begrijp ik dat de schrijver van deze woorden (dr I. Boot, blz. 110) wil waarschuwen tegen de zonde van hen. die "de waarheid hebben gekend en eens in zekere zin (waarom: in zekere zin? dat staat er in Hebr. 6: 4 niet bij, Bl.) verlicht zijn geweest en de hemelse gaven en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben en toch afvallig zijn geworden". Maar moeten we dan zeggen "Het is mogelijk, dat een mens niet alleen uitwendig, maar ook inwendig in het verbond met God is overgegaan." (blz. 111)? Is het niet beter nuchter te spreken over gehoorzame en ongehoorzame, gelovige en afvallige kinderen van het Verbond? Ik heb hier en daar in deze bundel uitdrukkingen gelezen, die me deden denken aan de verzuchting, die Prof. B. Holwerda slaakte bij zijn verklaring van Deut. 17 : 2. "Al dat hopeloze geredeneer over eenzijdig-tweezijdig, inwendig-uitwendgs. kerkverbond-volksverbond. voorwaardelijk-
onvoorwaardelijk, wetevangelie gaat tenslotte terug op een naar westerse schemata verminken van het bijbelse verbondsbegrip.
Want berît is hier nu de concrete wederkerige verhouding, die op een bepaalde historische datum werd aangegaan, met alle rechten en plichten die voor beide partijen in het statuut zijn vastgelegd." (Exegese-dictaat Deuteronomium, blz. 444).
Het boek bevat na een "ten Geleide"
van ir J. van der Graaf twee exegetische en vijftien praktisch-dogmatische bijdragen. Origineel vond ik de beschouwingen van ds H. G. Abma, de Middelaar van het verbond. Raak en indringend is ds L. Blok. De grenzen van het verbond. Mooie opmerkingen maakt ook, om niet meer te noemen, dr H. Bout, Het verbond en de, Heilige Geest. Toch zegt deze schrijver, die attendeert op de vertaling die Dathenus van de passage in het Doopformulier over de twee delen in het verbond geeft (blz. 142), even later (blz. 143): "Ik houd niet van de uitdrukking, die men nog wel eens leest, dat de zaligheid toegezegd wordt op conditie van geloof en bekering". Waarom toch niet? Zien we niet te vaak remonstrantse spoken?
Ik hoop, dat er nog eens een soortgelijke bundel verschijnt met minstens tien exegetische artikelen.
De Schrift alleen kan ons leren wat het verbond tussen Jahwèh en zijn volk betekent.
Toch kunnen we dankbaar zijn voor het hier gebodene. Er valt· veel uit te leren en het is aoed dat we binnen de Geref. Gezindte elkaar beter leren kennen.
L. W. G. Blokhuis
Jan Jansz. Starter,
Friesche Lusthof,
opnieuw uitgegeven naar een exemplaar in de collectie van de Vrije Universiteit door N.V. Buijten & Schipperheijn / Repro Holland, Amsterdam, 1974.
De dichter Jan Jansz. Starter (1593/4-1626) was van Engelse afkomst. Hij was van 1611-13 uitgever in Amsterdam en werd in 1614 boek- en bijbelverkoper in Leeuwarden. Wegens geldgebrek trad hij daar op als brooddichter, vooral als dichter van bruiloftsliederen.
Zelf hield hij ook van feestvieren: hij is bekend om zijn hoge drankrekeningen en dat hij zich in 1620 in Franeker liet inschrijven als juridisch student was dan ook waarschijnlijk omdat studenten vrijstelling van accijnzen op bier en wijn hadden.
In 1621 werd in Amsterdam een verzameling van zijn bruiloftsgedichten en -liederen en nog wat 'boertigheden' gepubliceerd onder de titel Friesche Lusthof. Om wat te verdienen werd Starter enkele jaren later een soort oorlogscorrespondent in het leger van de graaf van Manstelt. Hij stierf in september 1626 ergens bij de Hongaarse grens.
Deze uitgave van de 'Friesche Lusthof is een facsimilé-uitgave naar het boek van 1621. Het is daarom in de eerste plaats interessant als voorbeeld van de boekdrukkunst van die tijd. Men krijgt ook een indruk van de in die tijd gebruikelijke lettertypes.
Dit betekent overigens wel dat enige oefening nodig is om de tekst te kunnen lezen. Wie het alleen om de inhoud te doen is, kan dan ook beter de uitgave van dr J. H. Brouwer uit 1966 lezen.
In die uitgave zijn de teksten namelijk getransscribeerd in moderne Nederlandse letters.
Wat betreft de inhoud, het boek begint - zoals in die tijd gebruikelijk - met een verklaring omtrent het auteursrecht en een aantal lofdichten op de dichter Starter, geschreven door een aantal vrienden. Vervolgens komen er een aantal gedichten, geschreven voor bruidsparen uit de Friese adel. Elk gedicht wordt gevolgd door enkele van muziek voorziene liederen. De muziek werd geschreven door Starters vriend Vredeman. De gedichten eindigen er meetal mee, dat het bruidspaar naar bed wordt gestuurd. Starter die immers in een pre-Victoriaans tijdperk leefde nam, zoals dat in de 17e eeuw gebruikelijk was, geen blad voor de mond en na het bruidspaar 's Heren zegen te hebben toegewenst, besluit hij (p. 86): Wel Noble Jufferkens wel-aan Wild dan de Bruyd'gom redde Helpt doch de Bruydt te bedde Stil, stil, Juffrouw, het sal wel gaen Ghy hoeft dus niet te peynsen Noch u voor ons te veynsen o soete lieve Bruvdt!
Dit's een ding dat niet beduydt So dat ick nu besluyt, Het vevnsizh kleed moet uit Want dat ghy voor dit kruyt Niet vreesen sult wil ick wel wedde Dit motief van de 'veinzende' bruid komt in veel van zijn bruiloftsgedichten terug. Geen wonder dat Starter in conflict kwam met ds Boaerman, de voorzitter van de Dordtse synode, en daardoor in Leeuwarden met zijn rederijkers-kamer uit het gebouw werd gezet waar ze optraden.
Voor ieder die geïnteresseerd is in de boekdrukkunst, de literatuur en de levensstijl van de 17e eeuw, is dit een interessante uitgave.
G.E.Booij