Gods hand in de geschiedenis

2012-12-22
  • Jaargang 56
  • nummer 25
We zijn als christenen doorgaans wat huiverig om daden van God concreet te benoemen. We geloven beslist dat Hij in de geschiedenis en in de wereld aan het werk is, maar aanwijzen op welke manier Hij precies de hand heeft in bepaalde gebeurtenissen, daar schrikken we voor terug. Maar hebben wij het om te geloven wel nodig dat we God kunnen ‘aanraken’?

Verlangen naar Gods concrete aanwezigheid betekent dat ik wil zien en proeven dat Hij er werkelijk is. Zijn Naam zegt dat toch? Jahweh: Ik ben er altijd bij. Of Immanuël: God met ons.
Concreet is het tegenovergestelde van abstract. Het betekent zoveel als nabij, tastbaar, voelbaar. Maar God is in de hemel en wij zijn op de aarde. Hij is niet aanraakbaar, in tegenstelling tot de afgoden die in de Bijbel beschreven worden. Kan het verlangen naar nabijheid daarom ook onzuiver zijn? Geen geloofsverlangen dus, maar een ongeloofsverlangen?
Toen God en Mozes ver weg waren, hoog op de Sinaï, haalde het volk God dichtbij met het gouden kalf… In de verhouding tussen God en ons draait heel veel juist om die wonderlijke, uitdagende, verwarrende en paradoxale combinatie van afstand en nabijheid. Dat is mijns inziens één van de unieke elementen van ons christelijk geloof. Het heeft alles te maken met het persoon-zijn van God: Hij is geen allesomhullende en doordringende Macht, maar kan dichtbij komen én afstand nemen.

Synoniemen
Als God een macht of een kracht zou zijn – een ‘het’, geen ‘Hij’ – dan zou ik natuurlijk willen zien hoe ‘het’ werkt en of ‘het’ wel werkt en dat ‘het’ werkt. Maar God is een persoonlijke God. Wanneer ik behoefte heb aan een teken van zijn aanwezigheid, is het nog maar de vraag of dat een gerechtvaardigd verlangen is. Als het wordt ingegeven door een gebrek aan vertrouwen, dan zit er iets scheef.
Dan lijk ik op iemand die altijd maar weer vraagt om bevestiging, omdat hij als kind geen geborgenheid gekend heeft. Zo iemand kan niet vertrouwen als een kind, omdat hij of zij nooit kind heeft kunnen zijn.
Vertrouwen heeft nu eenmaal altijd iets kinderlijks in zich, waardoor ik in de ander kan ‘geloven’.
Vertrouwen ontstaat pas als je iemand kent. God leren we kennen uit en door zijn Woord. Als we menen dat ons dat te abstract is, zit er iets scheef. Concreter kan het niet.
Het Woord gaat aan de schepping, aan alles wat we zien en voelen vooraf. Alles wat het leven tot echt leven maakt, was er al in dat Woord: gerechtigheid, trouw, schoonheid, vrede, waarheid en liefde. Dat zijn geen voorstellingen of idealen van mensen, maar eeuwige realiteiten, omdat ze hun bestaan hebben in en uit God, die goed is. Dat weet ik alleen omdat ik dat van Hem gehoord heb, omdat Hij het zegt. Daarom gaat horen aan zien vooraf. Eerst geloven, dan zien. Zo is het nu eenmaal. Niet voor niets zijn geloven en vertrouwen haast synoniemen in de Bijbel.
Ga ook eens na hoe dat tussen mensen zit. In welke situaties wordt om vertrouwen gevraagd? Alleen als zonneklaar te zien is dat ik te vertrouwen ben? Een voorbeeld. Zij zegt: ‘Wacht hier op me, ik ben zo terug.’ Hij vertrouwt het niet. Hij gaat op zoek. In theorie zou het kunnen dat hij juist door te gaan zoeken haar voor altijd misloopt. Hij ziet haar niet meer en ontdekt daardoor niet dat ze te vertrouwen is.
Vertrouwen is daarom ook een kwestie van volhouden. Wat er gebeurt tijdens het wachten en daarna weten we niet. De ander past nooit in onze voorstellingen. Dat geldt voor mensen, dat geldt zeker ook voor God.
Wat we wel weten, is dat we de mist ingaan als we minder luisteren dan zien.

Werkelijkheidsbeleving
In zijn Woord laat God ons zien wie Hij is en wat Hij doet en gedaan heeft. Hij is de Schepper van het universum.
Hij koos op een bepaald moment Israël uit om door dit volk heen de wereld te redden. Hij laat horen en zien hoe Hij in Christus van zijn hogetroon afkwam om op een ongelooflijke manier de geschiedenis in te gaan en die open te houden naar Hem.
Gods Woord staat vol van alle daden en woorden die getuigen van zijn betrokkenheid op zijn en onze geschiedenis.
Het is daarom begrijpelijk dat christenen van alle eeuwen ernaar hebben gezocht hoe ze konden en moesten spreken over Gods handelen ná de afsluiting van de Godsopenbaring.
Eeuwenlang is het spreken over Gods handelen vooral gestempeld geweest door een al te vanzelfsprekende aansluiting van God op onze werkelijkheid.
De manier waarop dat gebeurde, noem ik premodern. Die werkelijkheidsbeleving was eerder heidens dan christelijk. In onze tijd is juist sprake van een vanzelfsprekende uitsluiting van God uit onze werkelijkheid.
Waar het me om gaat is dit: wanneer we ons in onze zoektocht naar concreet spreken over God in de geschiedenis laten leiden door heimwee naar het spreken uit vroeger tijden, is dat kompas onzuiver.

Heksen
In Boek X van De Stad van Godgaat Augustinus uitgebreid de confrontatie aan met allerlei heidense voorstellingen en toont hij hoeveel mooiers en beters er te vinden is bij de God van de Bijbel. Van die heidense goden merkt hij ergens op dat ze het vooral moesten hebben van hun wondervertoningen en imponeerkunst. Maar voor God zijn de wonderen die Hij verricht eerder kleinigheden, echter ‘groot en belangrijk om de stervelingen een heilzame vrees bij te brengen en te onderrichten’.
Hier schemert iets door van die vanzelfsprekendheid waar ik op doel: voor God is het, zoals voor de goden, natuurlijk dat Hij zich in zijn wonderlijke macht laat zien, bij wijze van waarschuwing of als lokmiddel voor gewone stervelingen.
In Boek XXII gaat Augustinus met enige terughoudendheid nog eens in op de betekenis van de wonderen die plaatsvinden rond de relieken van de gestorven martelaren. Zijn stelling is: wonderen gebeuren nog steeds, net zo goed als in de tijd van Christus. Bladzijdenlang komt hij met voorbeelden, van ziekengenezing tot dodenopwekking.
Hoewel Augustinus beslist weet dat geloven aan zien vooraf gaat, meent hij toch dat God door deze wonderen het geloof kan wekken.
De terughoudendheid die Augustinus nog kenmerkt, gaat in de eeuwen na hem bij velen verloren. In de middeleeuwen werd al het ongewone toegeschreven aan hogere machten, die men moest zien te bezweren of voor zich moest zien winnen. Deze vorm van godsdienstigheid bepaalde de beleving van de werkelijkheid. Zo werd elk bijzonder verschijnsel verbonden met Gods zegen of straf. Gods boodschap van verlossing vervulde de rol van afweer tegen aardse bedreigingen.
In deze onzekere en onveilige wereld werden relieken van heiligen een broodnodige vorm van levensverzekering.
Men heeft wel gezegd: de middeleeuwer leefde in een ‘oceaan van wonderen’ – concreter, want intenser ervaren dan de onzekere of eentonige werkelijkheid van alledag.

Die aandacht voor de goddelijke of duivelse bemoeienis met de wereld verliest aan intensiteit als in de zestiende en zeventiende eeuw ordeningsprincipes, zowel op het terrein van maatschappelijke organisatie als in het rijk van de natuur, meer in het vizier komen. Men ziet God als gevolg daarvan nu meer langs lijnen van geleidelijkheid werken in natuur en geschiedenis, de lijnen van zijn voorzienig bestel.
Niettemin blijven voor velen heksen, kometen, duivelverschijningen of wonderbaarlijke natuurverschijnselen manifestaties van een andere, hogere werkelijkheid die inbreekt in onze orde. Maar juist omdat men in zoveel voorgaande eeuwen eraan gewend was geraakt Gods aanwezigheid sterk met dit ongewone en bovennatuurlijke te verbinden, kan er verontrusting ontstaan als vanaf de zeventiende eeuw de ‘gewone’ orde van zaken hiervoor steeds minder ruimte biedt. Want werd hiermee ook niet de geloofwaardigheid van de Bijbel zelf met al zijn wonderverhalen aangetast?
Zo stelt Voetius, befaamd gereformeerd theoloog en ooit één van de jongste leden van de Dordtse Synode, dat zij die twijfelen aan het bestaan van toverij en hekserij gelijkgesteld kunnen worden met de Sadduceeërs, de Joodse priesterelite die niet geloofde in de opstanding uit de dood.
Voetius was er dan ook helemaal niet blij mee dat in de Nederlanden de vervolging van heksen al zo vroeg beeindigd was.
Ongeveer een eeuw later, mei 1768, noteert John Wesley, de vader van het latere methodisme, in zijn dagboek dat het toch wel treurig is dat zoveel welmenende christenen de verhalen over heksen en bovennatuurlijke verschijningen als oudewijvenpraat terzijde geschoven hebben. Hij meent stellig dat het opgeven van het geloof in heksen gelijk staat aan het opgeven van het geloof in de Bijbel. ‘Tot mijn laatste snik zal ik blijven getuigen tegen het opgeven van dit belangrijke bewijs tegenover de ongelovigen van de onzichtbare wereld…’ Ook al zullen weinig christenen in onze westerse cultuur Voetius en Wesley hierin volgen, toch is het goed te bedenken wat deze medegelovigen van vroeger dreef. Ze wilden de geloofwaardigheid van de Bijbel redden en verzetten zich tegen een eendimensionaal wereldbeeld.
Daarmee komen ze weer een stuk dichterbij. Maar de vraag is wel: hadden ze gelijk met de gelijkschakeling van hun eigen wereldbeeld en dat van de Bijbel?

Feiten
Groen van Prinsterer (1801-1876) is nog vele decennia na zijn dood ijkpunt en inspiratiebron geweest voor de politieke en historische traditie binnen gereformeerd Nederland.
Van hem zijn de bekende woorden: ‘Het Woord van God en God in de geschiedenis bezien vanuit christelijk standpunt, dat is (…) ons fundament.’ God in de geschiedenis, die woorden vormen ook het refrein in de Voorrede van Merle d’Aubigné’s Geschiedenis van de Hervorming uit 1835. Merle (1794-1872) was voorman van het Réveil en naar Groens eigen zeggen de vriend aan wie hij in geestelijk opzicht het meest te danken had. Hij schrijft: ’In de geschiedenis moet God erkend en verkondigd worden. In de geschiedenis der wereld moeten de jaarboeken worden gezien der regering van de Opperste Koning.’ Hij weet heel goed dat veel ontwikkelde tijdgenoten deze belijdenis inmiddels als een vorm van bijgeloof beschouwen. Maar zijn ervaring is dat God verrassend en verrijkend dichtbij komt voor wie zo naar de geschiedenis kijken, als hongerige en vurige Godzoekers.
Zo schrijft hij over de hervorming: ‘De schok werd gegeven door een onzichtbare en machtige hand. De verandering, die teweeggebracht werd, was het werk der Almacht.’ En verderop: ‘De hervorming was door Gods voorzienigheid trapsgewijze voorbereid geworden in drie verschillende sferen’ (politiek, kerkelijk en in de wereld van de letteren). In politiek opzicht was in Duitsland, ‘volgens het bestel der Voorzienigheid’, een staatsregeling ontstaan zonder sterk centraal gezag. ‘Zo kon de waarheid, als zij tegenstand vond in de éne staat, in een andere staat wederom gunstig ontvangen worden.’ In dezelfde geest, zij het voorzichtiger, schrijft Groen ruim tien jaar later zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland. Beiden zien het als hun roeping zichtbaar te maken hoe God de geschiedenis leidt. Zij doen dat niet zozeer door te wijzen op Gods wonderbaarlijk ingrijpen in de loop der gebeurtenissen, maar meer door te wijzen op bijbelse wetmatigheden in de wegen van Gods voorzienigheid: ‘Die Mij eren, zal Ik eren.’ Deze vorm van geschiedschrijving, die voor veel christelijke tijdgenoten en nog lang daarna heel inspirerend is geweest in een tijd dat het geloof steeds meer onder vuur kwam te liggen, begint naar mijn mening toch aan de verkeerde kant. Ze wil te veel de feiten laten spreken. In dat verlangen wordt Gods voorzienigheid verbonden met een specifieke verzameling feiten – uitgekozen door de schrijver.
Dat is de valkuil voor deze historici, dat zij menen dat God in bepaalde situaties speciaal aanwezig is, bijvoorbeeld in Nederland of in de hervorming.
Dat kan zeker inspirerend zijn, maar hoe en waar heeft God dit geopenbaard?
Het is één ding zich door God geroepen te weten op basis van zijn Woord, het is wat anders zich uitverkoren te voelen op basis van de feiten. Dus rijst nu de vraag: hoe verhouden zich Woord en feit?

Niets spreekt vanzelf
Profeten, apostelen, kroniek- en evangelieschrijvers laten ons God zien als de God die intensief betrokken is op zijn wereld. Maar die betrokkenheid wordt nooit afgeleid uit de feiten. Het begint met Gods spreken; zijn daden en tekenen bevestigen dat Woord. Godsvertrouwen maakt onafhankelijk van de feiten.
Sterker nog, het is juist andersom: de feiten zijn afhankelijk van dat Godsvertrouwen.
Met andere woorden: met God verandert niet de beleving van de feiten, de feiten zelf veranderen. De profeet Habakuk juicht en klaagt: ‘Al zal de vijgenboom niet bloeien, al zal de wijnstok niets voortbrengen (…) toch zal ik juichen voor de HEER, jubelen voor de God die mij redt’ (3:17,18). Zelfs de dichter van Psalm 119, zo sterk in zijn geloofszekerheid, die de aarde vol ziet van Gods trouw, vindt zijn anker niet in innerlijke of uiterlijke zekerheden. Aan het eind van zijn loflied op Gods ordeningen noemt hij zichzelf een ‘verloren schaap’. Alleen de stem van zijn herder kan hem de weg wijzen. Daarom duiden zieners en profeten ook niet op basis van de feiten, maar ontlenen ze hun kracht aan Gods spreken, zoals Samuël: ‘Spreek Heer, uw dienaar luistert.’ Niets in de feiten is vanzelfsprekend.
Daarom is ook niets bij voorbaat gewoon of buitengewoon. Alles kan als Godswonder worden ervaren: de mens, de wet, de sterren. Als niets vanzelfsprekend is, wordt het bestaan ogenschijnlijk heel ongewis. Maar als het God is die achter alles tot ons spreekt, geeft dat ons een basiszekerheid die de feiten nooit kunnen geven.

Cirkel
Zolang naspreken van dat Woord en vertrouwen op dat Woord ons niet concreet genoeg zijn, zolang we menen dat onze reactie Gods actie pas concreet maakt, bouwen we onze huizen op zand. God en zijn Woord zijn het vaste fundament, de feiten kunnen dat niet concreter maken. Wat wil dat precies zeggen? Het Woord geeft zelf het antwoord op die vraag. En daarmee is de cirkel gesloten.
Toch sluit die cirkel ons niet in, maar opent hij de wereld. De feiten verliezen
hun gewicht, onze ervaring wordt minder belangrijk. Ook dat is bevrijding en verlossing. We belanden in een wereld met andere dimensies, waarin we kunnen ademhalen, een wereld die ons niet klem zet.
Niemand weet hoe lang deze wereld nog bestaat. Maar de belangrijkste toekomstvraag is de vraag die Christus stelde: ‘Als de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?’ (Lucas 18:8). Hoe langer de geschiedenis duurt, hoe meer de feiten zich ophopen. Wat is waarheid? Alleen in en met Christus vinden we de Weg, de Waarheid en het Leven. Op die weg ontdek ik dat recht, trouw, schoonheid, waarheid, vrede en liefde realiteiten zijn die alleen in verbinding met Hem kunnen bestaan.
Daarom hoef ik ze niet te redden, alleen maar te dienen.
God zien in de geschiedenis betekent deze realiteiten niet uitleveren aan feiten en processen of aan subjectieve voorstellingen die onderworpen zijn aan vergankelijkheid en veranderlijkheid.
Die weerloze goddelijke werkelijkheden zijn sterker dan het geweld van de feiten. Als ik goed luister, hoor ik ze spreken – van Hem.

Jaap Schaeffer is historicus. Hij was van 1967 tot 2007 docent geschiedenis aan de Gereformeerde Scholengemeenschap Randstad. Hij is in Daun (Vulkaneifel) lid van de Evangelische Kirche in Deutschland (EKD).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief