Vijf visies op de kerk
2012-12-22
Hoe zou u uw kerk typeren? Als een gebouw van levende stenen op een stevig fundament? Of een omheinde tuin, afgeschermd van de buitenwereld? Een open veld met een wilde bloemenpracht? Of toch meer een ziekenboeg met patiënten die heel hard een dokter nodig hebben? Welke metafoor je kiest, zegt veel over je visie op de kerk. - Jaargang 56
- nummer 25
In het boek Th e Church in Emerging Culture: five perspectives uit 2003 geeft Leonard Sweet zijn visie op het kerkelijk landschap van onze tijd en nodigt hij vijf anderen uit om hun visie ernaast te zetten. Die anderen komen uit verschillende hoeken van de Anglo-Amerikaanse kerkelijke kaart.
Het boek is op een postmoderne manier geschreven: in dialoogvorm.
Iedere bijdrage wordt becommentarieerd door de vier anderen en afgerond met een afsluitende reactie door de betreff ende auteur. Deze manier van schrijven is eerst wat bevreemdend, maar geeft een bijzondere dynamiek aan het geheel, omdat de lezer zo nauw betrokken raakt in een discussie waarbij diverse visies op de kerk worden belicht.
Het boek is nog niet vertaald in het Nederlands en dat is jammer, want ondanks de Amerikaanse context zijn de visies, nu bijna tien jaar na het verschijnen van de eerste druk, heel herkenbaar in onze Nederlandse situatie.
Daarom hier een impressie van deze vijf visies op kerk-zijn in onze continu veranderende wereld.
Winkelcentra
Sweet zelf schetst de kerk als een diversiteit aan open plekken in het woud van de seculiere wereld: een omheinde tuin, een gecultiveerd park, een smalle, mistige vallei overschaduwd door dreigende bergen, een open veld met een wilde bloemenzee.
Het wordt al gauw duidelijk waar zijn voorkeur naar uitgaat: een missionair gerichte gemeente in de vorm van een park of, liever nog, een open veld, met veel aansluiting bij de huidige cultuur.
De beschrijving van de goed onderhouden omheinde tuin is vaak ronduit ironisch en benadrukt de beperkte reikwijdte van de bijbelse boodschap als er een te grote focus op het verleden ligt en men te vast zit aan beproefde structuren. Ook valleikerken krijgen een veeg uit de pan, omdat ze qua missionair elan erg laag scoren, een angst uitstralen voor uiterlijke vernieuwing, maar ondertussen op geestelijk vlak vaak vrijzinnige ideeën toelaten.
De andere schrijvers voelen zich niet allemaal thuis bij de beeldspraak dat de kerk een open plek in het bos is.
Voor de baptist Andy Crouch bestaat de kern van kerk-zijn uit het vieren van de twee sacramenten van (geloofs) doop en avondmaal. Het beeld van de kerk is voor hem het vertrouwde beeld van het lichaam van Christus.
Als het over de kerk gaat, heeft hij niets met nieuwerwetse beelden. Wanneer hij echter de cultuur kritisch beschrijft , komt hij uit bij twee dingen: het imposante NASA-hoofdkwartier, dat het boegbeeld is van de huidige technologische ontwikkelingen, en de gigantische winkelcentra, die dag en nacht verleidelijk lonken en het toppunt zijn van de heersende commercie.
Als tegenwicht van deze iconen van de (post)moderne cultuur pleit hij ervoor ons terug te trekken op het kerkelijke erf voor bezinning. Hoe in de praktijk de kloof tussen de geschetste seculiere wereld en de kerk zou kunnen worden overbrugd, blijft geheel onduidelijk.
Geneesheer
Ook bij de gereformeerde Michael Horton lijkt missie niet de eerste prioriteit.
Hij is zich bewust dat zijn traditie dicht bij de ‘omheinde tuinvisie’ staat, maar ziet de kerk meer als een zich uitbreidend complex van gebouwen, die afhankelijk van tijd en plaats een verschillend uiterlijk kunnen hebben, maar die allemaal gebouwd zijn op het ene fundament: Jezus Christus.
Jezus is voor Horton niet alleen fundament van een bouwwerk, maar ook Vrijpleiter en Zoenoff er in de rechtszaak waarin schuldige mensen worden aangeklaagd tegenover God als oordelend Rechter.
De (westers-)orthodoxe Frederica Mathewes-Green beaamt de vorige twee schrijvers als het gaat om de kerk als lichaam van Christus. Haar diagnose is echter dat dit lichaam ziek is vanwege de zonde en dus een dokter nodig heeft . Zij wijst het beeld van een rechtsgeding af en ziet zonde niet als schuld maar als ziekte, als een collectief gebrek aan volmaaktheid.
Het ultieme gevolg van deze ziekte is de dood. Jezus als de grote geneesheer is in deze visie letterlijk een arts aller zielen, omdat hij de dood heeft overwonnen. Als overwinnaar heeft Jezus de Satan volkomen vernietigd.
De redenering is dan dat alle mensen uiteindelijk bij God zullen uitkomen, omdat de tegenstander van God er simpelweg niet meer is. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de orthodoxe traditie het missionaire aspect van kerk-zijn niet hoog op de agenda heeft staan.
Een diametraal tegenovergestelde visie wordt gepresenteerd door de evangelische predikant Brian McLaren.
Hij is pastor in een jonge kerkgemeenschap in Washington DC en deelt de visie van Sweet dat de kerk een open weide is, waar de creativiteit in geloofsuitingen en verkondiging nauwelijks grenzen kent. Hij wil net als Paulus met de Joden een Jood en met de Grieken een Griek zijn omwille van de verspreiding van het Evangelie. Zo probeert hij dus ook op een postmoderne manier aan te sluiten bij postmoderne mensen.
Net als McLaren heeft Erwin Raphael McManus een missie om niet-christenen het Evangelie te vertellen. Hij leidt een geloofsgemeenschap helemaal aan de andere kant van de Verenigde Staten, in de binnenstad van Los Angeles. Hij heeft het gevoel dat hij zich niet zozeer in een stadspark, maar meer in een jungle bevindt. In die jungle zijn geen gebaande wegen en moeten telkens nieuwe paden uitgehakt worden om het Evangelie tot zijn buren door te laten dringen.
Wijk
In welke van deze visies herkennen we onze eigen kerkgemeenschap? De meesten van ons die geboren en getogen zijn in de gereformeerde traditie, zullen veel herkennen in de visies van Crouch en Horton. Deze twee visies zijn vooral betrokken op het versterken en verdiepen van de al aanwezige geloofsgemeenschap. Toch is er sinds de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw een bewustwording ontstaan dat het Evangelie ook voor mensen buiten onze christelijke geloofsgemeenschap bedoeld is. God wil immers niet dat er iemand verloren gaat, maar dat allen het eeuwige leven zullen beërven.
Maar maken wij ons niet nog steeds te weinig zorgen over hoe het zal aflopen met onze buitenkerkelijke naaste? Ik geloof niet dat iedereen automatisch bij God uitkomt, zoals de westersorthodoxe visie suggereert. Ik weet wel dat het een bijbelse opdracht is om discipelen te maken en dat dit niet gebeurt als we als kerk of als individuele leden alleen met medechristenen omgaan.
Kunnen buitenkerkelijken geloven zonder dat ze van Jezus’ liefde hebben gehoord of het hebben gezien in de praktijk? Ik geloof dat het goed is als een kerk aanwezig is in de eigen wijk.
Daarom ben ik zo blij met projecten als ‘Open Arms’ in Rotterdam, waar wijkgenoten de liefde van God ervaren als ze behalve een voedselpakket ook een gesprek bij een kopje koffie krijgen.
Op het moment waarop ze zich gaan afvragen ‘waarom doen jullie dat eigenlijk?’ wordt er een brug geslagen tussen de kerk en de seculiere wereld. Dan mogen we als medearbeiders van God meewerken in de wijngaard of het park om iedere rank of bloem die opkomt de ruimte te bieden zijn hart te richten naar de Hemelse Zon.
Marga van Gent-Petter is docente Engels aan de Christelijke Hogeschool Ede, lid van de SGA Rotterdam en bestuurssecretaris van de Persvereniging Opbouw.