Gestalten uit de boeken Samuël

1974-10-18
  • Jaargang 18
  • nummer 38
"Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja!" Deze geërgerde uitroep komen we een en ander maal tegen in de mond van koning David. De zonen van Zeruja waren een drietal mannen, broers van een weduwe uit de familie van David, van welke Joab de oudste was. Joab was verder de legeroverste van David.
In feite heeft David met deze Joab en zijn broers ontzettend veel te stellen gehad, zodat het woord: wat heb ik met u te doen. meer wens dan werkelijkheid was.
In zeker opzicht heeft David deze oppergeneraal van hem niet aangekund en is hij met hem in zijn leven ook niet klaar gekomen.
Getuige het laatste gesprek dat de koning met zijn zoon en opvolger Salomo gehouden heeft, een gesprek waarin hij met Salomo enkele onbetaalde rekeningen heeft doorgenomen. Tussen haakjes, dat gesprek waarin David op zijn uiterste zo onbevangen zaken naar voren brengt, die hij niet tot een goed einde gebracht heeft, toont wel aan, wat een vrij mens David geweest is, zo helemaal zonder behoefte tot zelfrechtvaardiging, waartoe zovelen met de dood voor ogen komen: ik heb altijd iedereen het zijne gegeven!
Nee. zegt David, dat heb ik niet; er zijn zaken, waarin ik duidelijk gefaald heb. Maar David leefde dan ook uit de vergeving van zijn zonden, zijn fouten. De kracht van dit evangelie der vergeving is o.a. dat wij eerlijk tegenover ons zelf kunnen zijn, ook met de dood voor ogen.
David heeft Joab als een voor hem onoplosbaar' probleem aan zijn opvolger overgedragen. Jij bent zo wijs, handel jij dat maar af. Ik heb het niet gekund.
Wat was het probleem? Bij één van de laagste streken van deze zonen van Zeruja, de moord op legeroverste Abner, laat David uit z'n mond vallen, dat ze harder waren dan hij. Precies, dat was het. Joab voorop, een bikkelharde vent. Die trouwens harder werd naarmate David zacht, ook wel te zacht was. Ze werkten dus polariserend op elkaar, David en Joab. Ze versterkten wederzijds elkaars zwakheden.

Ik denk hier aan het meest harde treffen tussen David en Joab bij Absalom's dood. We kennen allemaal wel deze geschiedenis, die ons van jongsaf ten diepste ontroerd heeft: David, die bericht ontvangt, dat zijn opstandige zoon in de strijd tegen het leger van zijn vader gesneuveld is en die daarop ontroostbaar verdrietig is: "mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik in uw plaats gestorven ware, Absalom mijn zoon, mijn zoon!" David is dan zo geobsedeerd door zijn verdriet, dat hij voor niets anders aandacht heeft, ook voor het volk niet, dat toch als overwinnaar uit de strijd gekomen is. We lezen dan: “op die dag verkeerde de overwinning voor al het volk in rouw, daar het op die dag hoorde zeggen: de koning heeft smart om zijn zoon.
Daarom kwam het volk op die dag steelsgewijze de stad binnen, zoals krijgsvolk doet, dat zich schaamt als het gevlucht is uit de strijd" - een stukje onnavolgbare bijbelse vertelling (2 Sam. 19 : 2, 3).
En dan komt Joab, die de koning vakkundig uitscheldt zodat 't je koud over de rug loopt, uitgerekend Joab die tegen de uitdrukkelijke wil van David in, Absalom opzettelijk gedood heeft.
Er was nog iemand, die hem aan de woorden van de koning herinnerde maar die man kreeg te horen: ik zal me door U niet laten ophouden. Alle reden voor Joab, zou je zeggen, om David voorlopig uit de buurt te blijven, maar nee, juist hij komt de koning striemen met zijn woorden: "ik merk nu, dat het dan recht zou zijn in uw ogen, wanneer Absalom nog in leven was en wij vandaag allen dood waren." (2 Sam. 19 : 6) De koning heeft geen woord terug, staat op en doet wat Joab zegt. Hij zet zich in de poort om zo het volk zijn aandacht te geven.

Hier blijkt de macht die Joab over David heeft. Maar hier blijkt ook, dat David zelf Joab deze macht over zich gegeven heeft. door toch een te week gedrag ten aanzien van Absalom, maar ook eerder al. Bij de moord op Abner horen we David zeggen: "Ik ben nu nog zwak, ofschoon tot koning gezalfd, terwijl deze mannen de zonen van Zeruja, harder zijn dan ik." (2 Sam. 3 : 39) Hier hebben we de dingen bij elkaar: de hardheid van Joab, zeker, maar ook de zwakheid van David, die, anders dan hij zelf door heeft, hierin bestaat, dat hij teveel uit politieke raison heeft gehandeld. Hij heeft gemeend een man als Joab nodig te hebben voor de opbouw van zijn rijk, maar daardoor heeft hij Joab aan macht geholpen, waar hij later zelf last van kreeg. Zo ontstond een soort liefde-haat relatie, uit waarbij af en toe de weerzin bij David naar buiten brak: "wat heb ik met jullie te maken, zonen van Jeruja" (2 Sam. 16: 10; 19 : 23). maar waarbij David tegelijk een zekere gedweeheid tegenover Joab aan de dag legde.
Ten aanzien van Absalom bij voorbeeld veroorloofde David zich een te grote weekheid, in de onbewuste verwachting, dat Joab wel de nodige hardheid zou opbrengen.
De duiven maken 't er vaak naar dat er haviken zijn!
Zo is Joab tot een nagel aan Davids doodskist geworden en .tot een doorn in het vlees bij zijn leven.
Wat zit elk mensenleven toch herkenbaar in elkaar!
David heeft een psalm gedicht, die van Luther de typering 'koningsspiegel' meegekregen heeft, waar dus koningen zich in moeten spiegelen, psalm 101, waarin David in de ik-vorm de zuiverheid van de messias-regering bezingt.
Volgens deze psalm zou er voor Joab eigenlijk geen plaats geweest zijn in Davids paleis. Toch was Joab daar, en hoe sterk! David heeft deze oneffenheid gevoeld.
Hij heeft gezeild tegen zijn zoon Salomo: jij bent zo wijs, doe jij 't maar beter. Dat" heeft hij eigenlijk over Salomo's hoofd heen gezegd tot zijn grote Zoon Jezus Christus, op Wiens Godsregering ook wij wachten.

Het komende rijk van God en zijn Christus, daarover gaat 't in de boeken Samuël, daar hebben we ook naar gezocht in de zes tableau's van deze Schriftoverdenkingen. Samuël, de biddende profeet, die met tranen gezaaid heeft. Saul, de begaafde anti-messias in de greep van het reusachtige, Jonathan, de vriend van de bruidegom die leefde bij het devies: David moet groeien, en ik minder worden. David, de man naar Gods hart, de koning, de leider, niet om z'n fouten maar om wat hij ermee deed. Absalom, de dwaze zoon, beeld van de opvolger, die al het bereikte in gevaar brengt en Joab, de begeleidende schaduw, de onbetaalde rekening, de partner voor wiens fouten we medeverantwoordelijk zijn.
Voor wie het koninkrijk verwachten is het niet moeilijk, ze allen om zich heen en bij zichzelf te herkennen. Maar het koninkrijk dat we zoeken of tegenstaan, is van God, Hij doet 't komen. Ook nu.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief