Kerkverbandelijke voor-vragen (2)

1974-10-18
  • Jaargang 18
  • nummer 38
Naast binnengemeentelijke ook tussengemeentelijke woordbediening - tot die conclusie kwamen we de vorige maal. Het daarbij aangehaalde voorbeeld zal de meeste lezers ook wel aangesproken hebben: Paulus, die met hoge stem en grote letters de Galatiërs terugroept naar de ene heilsboodschap, buiten welke er geen andere is. Nu de apostel er met meer is, moeten de kerken elkaar deze dienst bewijzen.
Maar laat ik nu eens een andere situatie voor de geest roepen, waarin hetzelfde principe wordt toegepast en waarbij toch de vragen als paddestoelen uit de grond schieten. In een gemeente, ergens in het land, zingt men een 'nieuw gezang', waar iedereen warm en blij van wordt. Op een andere plek, waar men zelfs de psalmen nog niet ritmisch zingt, hoort men daarvan, stoot men zich er aan, mobiliseert men het kerkverband en zegt: "Wij hebben zulk een gewoonte niet en evenmin de gemeenten Gods" (1 Cor. 11 :16)en vervolgens: "als iemand hiermee niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend" (1 Cor. 14: 38).
Dit geconstrueerde geval is weinig in staat, ons voor het. genoemde principe te winnen.
Toch kunnen we er ons niet van af maken met de bewering, dat 't erg theoretisch is. Wat meer zegt: komen we in de Schrift zelf niet iets dergelijks tegen?
Hier kom ik, zoals ik beloofde, terug op de situatie in Corinthe, naar aanleiding waarvan Paulus de wat ontstemde opmerking maakt over de afwijkende gewoonte, die de Corinthiërs er op na hielden. Over wat voor gewoonte ging het eigenlijk? Schrik niet: over de hoofdtooi der vrouw (1 Cor. 11 : 2-16). Volgens Paulus moesten de christen-vrouwen in Corinthe met bedekt hoofd aan de eredienst deelnemen, wat ze blijkbaar weigerachtig waren te doen. Met een bewijsvoering, die zeer principieel begint, tracht nu de apostel de balsturige dames voor zijn gedragslijn te winnen.
Maar halverwege zakt het betoog wat in, omdat hij zijn belangrijkste argument relativeert. Voor Paulus is namelijk de hoofdbedekking van de vrouw teken van haar onderdanigheid aan de man.

Deze ondergeschiktheid staat voor hem vast, getuige de reeks, die hij opstelt: God-Christus-manvrouw.
"En toch", zo verzwakt hij dan in vs 11 zijn redenering, in de Here is evenmin de vrouw ~onder de man iets als de man zonder de vrouw ... " We denken hier natuurlijk aan het vèrstrekkende woord dat hij elders heeft geschreven: "In Christus is noch mannelijk, noch vrouwelijk" (Gal. 3 : 28).
De argumentatie gaat hierna dan ook op een lager niveau verder, namelijk op dat van de zede (... is het voegzaam? vs 13) en de gewoonte (leert de natuur zelf u niet?). Het is duidelijk, dat dit wisselvallige grootheden zijn. Er zijn immers beschavingen waarin de vrouw vóór de man gaat. Vandaar dat de apostel, ziende dat hij langs de weg van rustige argumentatie z'n doel niet bereikt, tenslotte wat ongeduldig en geprikkeld schrijft: "Maar, indien het iemand erom te doen is, gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeenten Gods." (vs 16).

Maar hoe heeft dan Paulus met zo'n zwakke redenering de gemeente van Corinthe onder druk kunnen zetten? De verklaring hiervoor moeten we toch wel zoeken in dat laatste. ongeduldig naar voren gebrachte argument: jullie lopen uit de pas. Corinthiërs.
Doet Paulus dus hetzelfde als een kerkverband, dat een nieuwe gezangen zingende gemeente betuttelt? Als dat zo is, dan is inderdaad die tussengemeentelijke woordbediening iets om zeer bang voor te worden.
En een kerkverband. dat op dit principe opgebouwd wordt. ontaardt in de kortste keren tot een systeem, waarmee de 'zwakken' hun tyrannie vestigen. Inderdaad zijn de hele kerkgeschiedenis door de zogenaamde zwakken oersterk geweest en hebben aan de kerk een image van ouderwetsheid gegeven. Christenen, die zich oriënteerden op zulke vèrstrekkende woorden als: in Christus is noch mannelijk noch vrouwelijk, noch slaaf noch vrije, (noch blank noch zwart) zijn altijd weer aan hun jas getrokken door medegelovigen, die zich meer op de bestaande verhoudingen afstemden. Zij waren steeds in de meerderheid, deze laatsten, en konden elke ontwikkeling ophouden met de domme kracht van het argument: wij hebben zulke gewoonte niet, terwijl ze voor hun eigen gewoonte een (schijnbaar) stevige theologie hadden.

Maar wacht, ik geloof dat ik nu bezig ben een beetje bitter te worden. Laten we toch nog eens terugkeren naar Paulus' argument in alle oprechte eerbied voor zijn apostolisch gezag. Als ik Paulus (niet alleen hier, maar in al zijn brieven) goed versta, heeft hij het niet op prijs gesteld, dat zijn gemeenten in de wereld van toen zouden opvallen door allerlei bijkomstige buitenissigheden.
Hij heeft niet gewild, dat de christenen de aandacht op zich zouden vestigen door hun progressieve opstelling inzake de man-vrouw-verhouding of ter zake van de slavernij.
Weliswaar was er op deze gebieden veel, zeer veel te verbeteren, en ook is waar, dat Paulus' evangelieboodschap ook voor die terreinen baanbrekende woorden bevatte (nog eens: in Christus is noch mannelijk noch vrouwelijk, noch slaaf noch vrije) maar hier lagen de knelpunten in de samenleving van die tijd toch duidelijk niet.
Men zou het trekken van uiterste consequenties op deze punten niet begrepen hebben. Wat betreft echter een ander punt in zulke reeksen als: in Christus is noch dit noch dat, namelijk de verhouding tussen joden en grieken, lag dat anders. Dat was wél een knelpunt in die tijd en op dit punt heeft Paulus dan ook niet geschroomd de consequenties van wat hij leerde ten uiterste in praktijk te brengen.
Dwars tegen de trend van die dagen in moest in de gemeente zichtbaar worden: in Christus is noch jood noch griek. Zonder compromis. Paulus schreef 20-15 jaar vóór het uitbreken van de joodse oorlog en de animositeit tussen Joden en niet-Joden liep hoog op. Hier kon de apostel nu laten zien, dat ook structureelmaatschappelijk het evangelie een kracht Gods tot zaligheid is.
Maar die andere woorden, over de man-vrouw-verhouding, over de verhouding tussen slaaf en vrije en over die tussen de cultuur-
mens en de onderontwikkelde (barbaar en Scyth, Col. 3 : 11) - die woorden bleven in Paulus' dagen in ruste, tenminste wat de uiterste consequenties ervan betreft.
Er moest ook iets voor de kerkgeschiedenis over blijven.

Nu denk ik, dat de gelovigen in Corinthe in het verkeer tussen mannen en vrouwen erg vooruitstrevend waren; en dat niet omdat de maatschappelijke verhoudingen daarom vroegen, maar omdat men daar de durfal uithing: "alles is mij geoorloofd" (1 Cor. 7 : 12). Daar zegt Paulus wat van. Als ze lang doordramden, konden ze principieel van hem nog gelijk krijgen ook. maar het was vooral hun eigenwijsheid, die hij hun kwalijk nam. Eigengereidheid, gepaard gaande (zoals gewocnlijk) met verachting van de anderen, 'die zover nog niet waren'.
Paulus vermaant de Corinthiërs, dat ze meer met de andere gemeentes in de pas zullen lopen.
Zeker, zeker, in Christus is noch mannelijk noch vrouwelijk, maar, zo vindt de apostel, daar moet je nou geen eigengereid hobby-thema van maken. Je moet dit principe gericht inzetten, daar waar je er echt mee kunt boodschappen in een vastgelopen situatie.
Ook dan zul je irritatie verwekken, maar daar hoef je je niets van aan te trekken, want daar staat dan wat tegenover.
Maar ik geloof beslist niet, dat de apostel voor de hele geschiedenis heeft willen vastleggen, dat christen-
vrouwen in de gemeentelijke samenkomsten iets op het hoofd moeten hebben. Zijn argumentatie zou daarvoor ook volstrekt ontoereikend zijn. (Nog afgezien van het feit, dat de dameshoed vandaag een heel andere functie vervult dan vroeger: geen teken van onderdanigheid, maar mode-artikel.) Nee, integendeel, in een tijd, dat de rivaliteit tussen mannen en vrouwen toeneemt en er een hinderlijke concurrentie-sfeer rondom de man-vrouw-verhouding komt te hangen, zou het wel eens onze taak kunnen worden om in de kerk verregaande consequenties te trekken uit het evangelie, dat in Christus noch mannelijk noch vrouwelijk is. En dat daarentegen gemeentes, die daarin ten achter blijven en de volkomen achterhaalde religieuze gewoonte van het hoed dragen voor dames blijven volgen, voor vermaan in aanmerking komen. Omdat ze met hun gewoonte een verschil accentueren.
dat in onze samenleving al meer dan genoeg nadruk ontvangt.

Het gaat dus in een kerkverband met tussengemeentelijke woordbediening beslist niet om de vestiging van de tyrannie der zwakken.
Dat kan uit het voorbeeld van de hoofdtooi der vrouwen niet afgeleid worden. Evenals in de binnengemeentelijke woordbediening gaat het wèl om het biddend beproeven van situaties, om daarin het juiste woord te kunnen spreken.
Ik denk hier ook aan de verhouding van de christelijke kerk in Nederland tot die in Zuid-Afrika.
Ook in deze relatie is er plaats voor tussen-gemeentelijke woordbediening.
Er mag van hieruit best op aangedrongen worden, dat in de sterk gepolariseerde maatschappelijke structuur aldaar tenminste -de kerk de grootst mogelijke ernst zal maken met het apostolisch adagium: in Christus is noch blank noch zwart. Dat wil niet zeggen, dat allerlei groepen en kleuren nu maar haastig en slordig door elkaar gemengd moeten worden om een modelkerk te krijgen. Alleen al de taalbarrières staan dat niet toe. Maar het betekent wel zo ver mogelijk doorgevoerde kerkelijke integratie als teken van verzoening in een wereld die, als het er op aankomt, alleen maar in vijandschappen kan denken. De kerk moet in Zuid-Afrika ten opzichte van de overheid haar eigen weg gaan. Zij kàn meer dan de overheid.
De overheid heeft slechts een zwaard, waarmee ze vechtenden kan scheiden. De kerk heeft een evangelie, waarmee ze vechtenden kan verzoenen.
Natuurlijk is deze tussengemeentelijke woordbediening iets totaal anders, dan dat de kerken hier aan opstandige groepen daar geld gaan geven, waarmee wapens gekocht kunnen worden. Dan koopt de kerk een zwaard, niet zelf, maal indirect. En juist de kerk moet dat niet doen, want juist aan haar voltrekt zich Christus' waarschuwing: allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Tussengemeentelijke woordbediening behoort bediening van het Woord der verzoening te zijn.

Ik ben me ervan bewust, dat ik in dit tweede artikel nogal wat zijwegen ben ingeslagen, die op het eerste gezicht niets met het onderwerp uitstaande hebben. Ik heb dat gedaan om de kerkverbandelijke voor-vragen niet in het theoretische te laten blijven hangen. maar ze eigentijdse body te geven. Ik ben benieuwd of we het over die tussengemeentelijke woordbediening eens kunnen worden. De vorm, waarin die dan gegoten moet worden - dat is vers twee.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief