"BUITENVERBANDERS" en "VERONTRUSTEN"

1974-10-25
  • Jaargang 18
  • nummer 39
Kort geleden las ik een artikel, waarin één van de meest vooraanstaande “verontrusten" tot vrijmaking opriep. Maar over de wijze van vrijmaking wilde hij geen misverstand laten bestaan.
Met nadruk werd een overgang naar de "buiten-verband-kerken" àfgeraden!
In ons blad is onlangs geschreven over de "verontrusten" in de Gereformeerde Kerken. Naast waardering, begrip en verwantschapsbesef kwam toch ook diepgaande kritiek naar voren - een kritiek die overigens ook zèlf weer voorwerp van kritiek werd (Nrs, 31, 34, 35 van de lopende jaargang).
In de verhouding tussen "buitenverbanders" en "verontrusten" zit kennelijk iets van een "Ja ... maar", waarbij nu eens het “ja" en dan weer het "maar" de klemtoon krijgt. Met recht kan men spreken van een gekompliceerde verhouding! Dat dient eenvoudig erkend te worden, al zit er iets verdrietigs in. Waar komen de komplikaties eigenlijk vandaan?

Tweeërlei "achterland”

Wat is de achtergrond van de "buitenverbanders"?
De tijd, die aan de kerkelijke breuk voorafging, leeft in mijn herinnering voort als een tijd van opdringend confessionalisme.
De "pendelbeweging" - van de Schrift naar de belijdenis, van de belijdenis terug naar de Schrift was eigenlijk stopgezet. Men kwam niet meer op een gezonde manier van het evangelie naar de belijdenis toe. Men stelde omgekeerd - niet meer in het licht hoe de belijdenis in het evangelie wortelt. De letter van de belijdenis moest om zo te zeggen zijn eigen gewicht gaan dragen en werd een ding-op-zichzelf.
"Belijdenistrouw" werd een motto, waarin zich een stalen greep op het kerkelijk leven paarde aan een geestelijke bloedarmoede. Als we voor één ding bang geworden zijn, dan is het wel voor het motto, voor het formalisme, voor het stukvriezen van de verbindingslijnen tussen het levende Woord en de confessie!
We begeren een gezonde confessionaliteit, een gezonde belijdenistrouw, die niet meer verstart tot een levenloos motto maar gepaard gaat en samenvalt met een werkelijk leven uit de Schriften!
Laat me hier direkt aan toevoegen, dat ik ervan overtuigd ben, dat het werkelijke leven uit de Schriften in de "binnenverbandkerken" zeer veel. gevonden wordt. Dankzij het Woord van God. Maar... ondanks de boven kort aangeduide kerkelijke koers!
De achtergrond van de "verontrusten"
is een heel andere, zoals uit al hun geschriften en redevoeringen blijkt. Zij zijn van overtuiging, dat in hun kerkelijke gemeenschap de belijdenis alle werkelijke gelding verloren heeft, ook al is het op papier anders. Zij klagen erover, dat de trouw aan de belijdenis geen werkelijke inhoud meer heeft. Zij lijden onder wat ze ervaren als een uiterste onduidelijkheid, waarin men van de ander niet meer weet wàt hij nu gelooft en wáármee hij nu eigenlijk instemt.
Als er één ding iswaarvoor zij bang gewonden zijn, dan is het wel voor vaagheid en onduidelijkheid ten aanzien van de belijdenis, voor een "ja" dat nooit zonder reserve is, voor een instemming die met bestrijding gepaard blijkt te kunnen gaan!
Zij begeren een ongereserveerd "ja", een binding-zonder-voorbehoud, een confessionele trouw zonder vertogen, direkt en eenvoudig!

Tweeërlei "voorland"?

Achter "voorland" heb ik een vraagteken gezet. Het gaat me niet om een toekomstvoorspelling, maar om de vraag hoe wij geneigd zijn die toekomst te zien.
De toekomst van de ander! Wat is het voorland van de "buitenverbanders" in de ogen van de "verontrusten"? En omgekeerd!
Het eigenaardige is, dat wij van weerskanten(!) het eigen "achterland" beschouwen als het "voorland" van de ander!

Wanneer de "buitenverbanders" zeggen, dat zij voor een gezonde belijdenistrouw zijn, maar tégen een verstarrang van die trouw tot een levenloos motto, dan fronsen de "verontrusten" de wenkbrauwen.
Zullen de "buitenverbanders" werkelijk in staat blijken dat subtiele onderscheid waar te maken? Zal hun bezwaar tegen het confessionalisme tenslotte niet de belijdenis zèlf gaan bestrijken?
Zal iemand, die tot confessionele trouw oproept, niet spoedig voor confessionalist worden uitgemaakt?
Is de verwerping van de belijdenis in de historie niet meermalen met een voorgewend bezwaar tegen formalisme en confessionalisme begonnen? Zal men niet uitkomen in dat maar al te bekende gebied van vaagheid en onduidelijkheid, van een "ja" dat nooit zonder reserve is, van een instemming die toch ook weer met bestrijding gepaard kan gaan?
Wanneer de "verontrusten" zeggen, dat zij voor een duidelijke, ongereserveerde en ondubbelzinnige instemming met de belijdenis zijn, dan komt er iets van vrees over de "buitenverbanders".
Zullen de "verontrusten" na al hun strijd het "ja" op de confessie niet gaan beschouwen als de haven van de rust, als het einde van alle beweging? Zullen zij niet de moed missen, na alles wat zij hebben ondervonden, om de pendelbeweging van de Schrift naar de belijdenis, van de belijdenis naar de Schrift - met alle "risiko" van "nieuwe dingen" (Matth. 13 : 52) - aan de gang te houden? Zal de verstarring in het formele hen niet gaan bedreigen als een bedrieglijke oase na al de strijd?
Zal men niet uitkomen in dat maar al te bekende gebied van het formalisme en van het motto, van een veiligheid die in werkelijkheid bewegingloosheid is?
Ik geloof, dat we hier één van de belangrijkste oorzaken van het gekompliceerde van de onderlinge verhouding te pakken hebben.
De visie op de ander is merkwaardig samengesteld: Twee mensen op een kruispunt - ze zijn dichtbij elkaar, ze herkennen elkaar, ze groeten elkaar en ... ze passéren elkaar!

Onderlinge dienst

"Waar komen ze nog eens terecht?" - een vraag die zowel ten aanzien van de "buitenverbanders"
als ten aanzien van de "verontrusten" wordt gesteld.
Men ziet beide groepen als groepen-in-beweging. Hoe moeten zulke groepen elkaar benaderen?
Ik zou zeggen: sympathiek-kritisch - met een serieuze nadruk op beide bestanddelen. We hebben allebei in ons "achterland" een sombere schat van met schade en schande verkregen ervaring.
Daarmee hebben we, geloof ik, de ander te dienen. Opdat het "voorland" iets anders mag worden dan wij veelal vrezen. De "verontrusten" zijn niet immuun voor verstarring. En de "buitenverbanders"?
Ach, zijn wij automatisch gewapend tegen de overgang van vrijheid in bandeloosheid? Onderscheiden wij vanzèlf wel helder de vijandschap tegen het confessionalisme en de vijandschap tegen de belijdenis? Is de dreiging van sluipende overgangen van het goede naar het verkeerde zo irreëel? Kunnen de "verontrusten" ons óók niet iets leren?
Alleen maar kritiek - het zou louter bitterheid zijn.
Alleen maar sympathie - het zou louter suikergoed en marsepein zijn - slecht voor de "lijn" in het leven van de ander en van onszelf.
Ware vriendschap heeft als kenmerk, dat men de ander zijn feilen toont en dat men de ander dezelfde dienstverlening toestaat!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief