IN DEN RUIGEN BIESBOSCH
1974-11-01
Als het morgenlicht is doorgebroken trekken ze de polder in. Kerels, uitgerust met geweren, patroontassen, jachtkleding en knielaarzen.- Jaargang 18
- nummer 40
Het gaat om de Dooyemanspolder en de Eyerwaard. Ze verzamelen zich bij de charmante mevrouw Truus, weduwe van een der rechthebbende jagers. Daar worden ze ontvangen, van koffie voorzien en volgeladen met goede wensen en hartelijkheid. Het veldplan wordt besproken. De jagermeester geeft zijn aanwijzingen. De mannen gaan aan de slag.
Even later staan ze opgesteld voor de eerste drift. Elk van de "geweren"
op een strategische post, of meetrekkend met de drijvers. In de lichte ochtendmist kunnen ze elkaar nauwelijks zien. Maar ze houden elkaars standplaats goed in het oog: er mogen vandaag geen schoten verdwalen.
Het blijft lange tijd stil op de kop van de drift. Aan de overkant van een wetering loopt een jonge losgebroken stier te struinen. Dat belooft wat voor de volgende drift, als de hond meegaat naar de overkant.
Aan onze kant komt een jong paard kennis maken; dat belooft ook wat voor de toekomst - maar dan wat goeds. Kolossaal wat een houding, wat een gangen, wat een gebundelde energie wanneer het driftig ronddraaft. In de lucht gonzen muggen. Ze vormen op vijftig centimeter eenzelfde vliegbeeld als een fasant op vijftig meter.
En dan komen de eerste jachtklanken uit de verte. Blikkerige geluidjes door de mist, verdwaald over de wijde vlakten van de Bicsbosch.
Kreten dringen door: "tiro, tiro" en daar- vallen enkele schoten. De drijvers geven het vliegwild aan met het oud-Franse “tire haut", schiet omhoog. Wanneer daar zo nu en dan lopend wild rijst, roepen de drijvers "wartoe!"; waarschijnlijk van het plat-Duitse "warte oe" pas op; maar volgens sommigen komt het van het Franse "partout": kijk uit, overal, Alevel, Duits of Frans - in den ruig en Biesbosch weten ze er wel wat van!
Wanneer de drijvers eindelijk vlakbij zijn, vliegen de
laatste fasanten massaal op; dan donderen de geweren als bij een veldslag. De hond wordt geroepen; die moet de fasanten apporteren, een enkele loper opzoeken. En dan wordt de eerste buit bezien: machtig mooie vogels en goed op kleur. Er zitten veel meer hennen bij dan kokken - hoe komt dat toch elk jaar? De een zegt: mannen zijn niet sterk genoeg.
Anderen: de vrouwen weten zich beter te presenteren. De drijvers menen: de mannen weten zich beter te drukken. Tussen de drijvers zit een levensechte dominé; die zal het misschien weten? De dominé kijkt, denkt, zucht en zwijgt. Zo - die houdt nog even het odium der wijsheid.
De volgende drift wordt uitgezet. Gaan we naar de overkant? En dienen stier dan? Vrijwilligers gaan; althans om het gevallen wild te halen met de hond. Ze komen al gauw terug: de stier is niet te vertrouwen, wordt aggressief. Oei - en ge meugt er nie' op skieten!
Maar het wild is binnen van de overkant.
Dan trekken ze maar naar een ander veld om het daar te proberen.
Boven op een vrachtwagen gezeten loeit de wind hun om de oren en bij elke bocht dreigt er een af te rollen. Het kan in oktober al knap koud zijn; ge kunt uwen hoed beter vast vatten. Daarom prettig om weer op de grond te staan, ergens in de luwte van het griendhout.
En om zwijgend te worden uitgezet voor een enorme drift, die zo maar drie kwartier kan gaan duren. Ge kunt intussen rondom u zien.
Kijk, daar komt een stip aanrennen uit de naaste polder, waar vandaag ook de eerste drijfjacht wordt gehouden. De stip groeit en wordt een haas - een gezond haas. Die is de dans ontsprongen, denkt hij, als hij denken kan. Het haas toeft aan een slootwal. Dan duikt hij de berm af, neemt blijkbaar de sprong en vertoont zijn bol even later aan onze kant van de wetering. Braaf haaske, kom maar binnen, straks zult ge het goed hebben in onze wild wagen.
Daar komen wat eenden over. Er wordt op geschoten; niet verstandig, want ze vliegen veel te hoog. Het wild is te goed voor eert speels schot.i En duiven zijn er ook genoeg, blauwen. Een doorloopval in het struweel wijst op, de aanwezigheid van bunzings of een verwilderde kat.
Nu laten de buren zich ook horen. Zitten ze in de Keizersguldenwaard of in het Kooike? Misschien in de Stenen Muur. Je hoort hun schoten als slagen op een blikken vat: soms drie-vier-vijf, soms een of twee slagen. En de zon doet pogingen om door te breken. De wereld wordt wijder, de kleuren worden dieper, de kille kou verdwijnt. De dag gaat mooi worden.
Na de tweede drift blijkt de oogst ook mooi te zullen worden. Het hoeft niet al te geweldig - er moet genoeg over blijven en het is de laatste drijfjacht nog niet. Ze durven dus even een korte rust te nemen en de gesprekken beginnen los te komen. Er loopt een meiske tussen de drijvers: de kleine Jeannine, dochter van een gastheer. Altijd leuk, .wat onbedorven vrouwvolk tussen jagers en drijvers; pat houdt de gesprekken op goed niveau en voorkomt slechte praat.
En nu alle jagers uit de luizen zijn moeten ze maar eens wat meer presteren: alla ze gaan een bietenveld door! In een lange rij, waarin de "geweren" tussen de drijvers zijn opgesteld, trekt het vier-, vijfhonderd meter ver als een kam door het veld. De benen hoog optillend om niet in het bietenloof te struikelen, aan elke laars een kilogram Biesboschklei, in de hand het steeds zwaarder wordend geweer, ogen voor en achter, rechts en links, zich steeds oriënterend op de nevenman, zich steeds richtend op het dijkhuisje daarginds, en voortdurend klaar voor een schot, wanneer daar een fasant opvliegt of als een haas rijst. En ja, de schoten vallen, het wild valt mee, de langharige Duitse Staande zwiept zich met reuzensprongen over de geweldige bietenplanten. apporteert braaf of veinst het wild niet te vinden, de drijvers moedigen hem aan, de jagermeester roept "afstand houden" en "richting bewaren" en dan wint de zon het van de morgenmist, overgiet alles met haar gouden vlammen en doet de deelnemers na tien minuten baden in hun zweet.
Met knikkende knieën klimmen ze tegen de dijk op. Daar staan ze onzeker te hijgen en bij te komen. Dat is me ook wat: dien ruigen Biesbosch met zijn zware glibbelklei en zijn brede sloten, zijn brandnetels en zijn griendhout, zijn prachtig gewas en zijn distels. Wat een uitzicht heb je daar op de dijk. Maar aan alle einders zie je hoogspanningsleidingen, lelijke tekenen van de moderne techniek. En daar staat de electrische centrale met zijn zes pijpen, vier grote en twee hele grote, Daar is de boerderij van de Stenen Muur, daar ligt de Ruwen Henneppolder en daarachter, dat moeten de boerderijen van het Pauluszand en Krijntjes Wei zijn. Of misschien wel-van de Keizersguldenwoord of de Braspenning - wie zal het zeggen? Alle polders staan vol welig gewas; allemaal ztten ze stikvol met prachtig wild.
En de Biesboschmannen zijn even prachtige natuurverschijnselen: sterk en zwaar en gul en hartelijk; met gezouten kwinkslagen op een ernstige ondergrond. De dominé past er machtig goed tussen. Zijn krullebol is in de war, zijn broek vertoont een aanzienlijk ventilatiegat, maar hij animeert de drijvers en drijfster met zijn stentorstem.
Wanneer ze even de moed zullen laten zakken beveelt hij de kinderen Israëls, dat zij voorttrekken. En dan trekken ze voort.
Om een uur is het schaften geblazen. Voor ze het weten zijn ze terug op de boerderij van mevrouw Truus in Dooyemanswaard. De laarzen uit en op kousen naar binnen. En dan staan daar. in de propere kamer, de glazen en flessen op tafel, daar brandt de kachel, daar staan de zware stoelen klaar, daar bieden vrouwenhanden de hartige hapjes en hartige drankjes aan. En daar blijft het niet bij. De pan met deugdzame erwtensoep komt binnen, de belegde broodjes, de worst en de ham!
Dat is het moment, waarop je erg gelukkig kunt zijn. Gelukkig met deze schone wereld, waar nog zoveel prettige en hartelijke en betrouwbare mensen in wonen. Gelukkig met de Brabantse gastvrijheid, de eerlijke taal, de onderlinge waardering, de heerlijke natuur.
Allemaal geschenken van God.
Zo denkt de gastvrouw Truus er ook over: nooit van eenzaamheid geleden, altijd dankbaar op dit schone stukske schepping te mogen wonen met deze verrukkelijke vergezichten. Ze loopt naar het raam: "kijk dan zo'n landschap aan - is het niet kostelijk?" Jawel, de zon staat nu in alle kracht het landschap kostelijk te maken.
En neemt nog een broodje. En vat nog een tasken. Het is er voor bestemd.
Vrouwe Truus verzorgt elk jaar de jachtlunch, als in de jaren dat haar man met zijn vrienden hier jaagde. Alles is gebleven zoals het was. Zo zou haar man het gewaardeerd hebben. Zo waarderen zijn vrienden het. En ze nemen nog een borreltje toe. "Nu kan het nog", zegt de gastvrouw. Maar vanavond, als ze moeten rijden, krijgen ze er géén van haar!
Als allen hun bekomst hebben gegeten gaat de middag beginnen. De drijvers zijn nog wat malloterig, maar dat gaat wel over als het ernst zal worden.
Nu komen de lichte grienden aan de beurt, die afgewisseld worden door ander gewas en onland met manshoge brandnetels, onwaarschijnlijk hoge hanepoten en ander onkruid. De grond is vet en vruchtbaar.
De drijvers, die uren door de zware klei lopen, geven tekenen van verzwakkende energie. Een enkeling begint zachtjes te zeuren. De dominé en het meiske houden er de moed in en daarom blijven de anderen niet achter.
De "geweren", dat zijn de jagers-met-geweren, raken ook door hun krachten heen. Bij het meezwaaien. het elastische heupwerk. de stevige stastand op de kleibodem, worden hun reserves aangesproken.
De een krijgt schouderpijn vanwege de vele snelle werpschoten. De ander gaat misschieten, keer op keer: hij voelt terdeze zijn rug.
Wanneer prikkeldraad moet worden gepasseerd, of een vlonder overgestoken, of een steile glibberwand beklommen - dan helpen ze elkaar trouwhartig maar moeizaam. Er komt iets van verzadigde vreugde, de zon daalt snel, de wild wagen raakt vol, de nazoek gaat steeds meer tijd kosten. De laatste loodjes wegen het zwaarst.
Maar als het gezelschap in de Dooyemanswaard is beland en de oogst uitgelegd - dan klinkt de jachthoorn als een klok: het tableau wordt plechtig doodgeblazen. Een schone oogst wordt verdeeld. De gasten krijgen enkele stuks wild geschonken. Ze prijzen de drijvers, bedanken de gastheren, nemen afscheid van de gastvrouwe.
Dat is het einde van een verrukkelijke oogstdag. een rijpe oktoberdag.
De najaarskleuren worden vaal in het wijkend daglicht. Er staat weer wat mist op de velden. De wereld wordt kleiner en kleiner.