Over Van Ruler
1974-11-08
Na 6 artikelen over de theologie van Van Ruler moet het 7e nodig het laatste zijn. Niet omdat het werk van Van Ruler geen stof zou bevatten voor veel meer artikelen maar omdat we in een blad als het onze ons moeten beperken.- Jaargang 18
- nummer 41
Punten. die m.i. van belang waren, zijn aangestipt, - men kan er een lijn langs trekken, die in de stortvloed van gedachten bij Van Ruler enigermate wegwijs kan maken. Andere, zeker niet minder belangrijke punten, moesten onbesproken blijven. Ik kan alleen maar zeggen: neem en lees en luister zelf naar "his masters voice", - zij het wel wat critischer dan het bekende hondje.
Vanaf zijn eerste publicatie, over Kuypers idee van een christelijke cultuur (1940) tot het laatste toe heeft Van Ruler altijd veel critiek opgeroepen. Geen wonder, want wie kaatst moet de bal verwachten, en hij schreef zelf doorgaans zeer critisch, soms raillerend en provocerend. Heilige huisjes werden niet ontzien. Nieuwe paden en eenzijdige formuleringen niet gevreesd.
Met name zijn idee van het messiaans intermezzo (Christus legt eenmaal zijn menselijkheid weer af) èn zijn visioen van een theocratisch bestel hebben sterke weerstand opgeroepen.
Om het eerste heeft W. H. Velema hem gnosticisme verweten (in zijn: Confrontatie met Van Ruler), terwijl J. Verkuyl hem op het tweede bij de judaïsten indeelde (in zijn diss., zoals ik ergens las).
Deze critiek uit zo uiteenlopende hoek en met elkaar eigenlijk uitsluitende conclusies, bewijst wel hoe moeilijk het is om met Van Ruler "klaar te komen".
Het kan bekend zijn. hoe de chr. kerk in haar beginperiode het met deze beide excessen te stellen gehad heeft. Men kan deze twee dwalingen met elkaar confronteren en tegen elkaar polariseren op het punt van de waardering van het Oude Testament. De judaïsten bleven in feite bij het O.T. staan en kwamen aan het N.T. niet toe.
Terwijl de gnostieken het O.T. in feite prijsgaven en aan de haal gingen met een N.T. dat ontkoppeld was van het O.T.
De gevolgen werken door tot in onze tijd: enerzijds een loslaten van verbond en kinderdoop. ambt, instituut, kerkelijke ordening, alles in de naam van de Geest, Die waait waarheen Hij wil ... anderzijds een verbeten gevecht om de laatste schansen van door de eeuwen heen bereikte standpunten, en verworvenheden, kerkelijke, politieke en maatschappelijke kaders en instituten.
Het is makelijker om hier met etiketten als progressief en conservatief, horizontalist en verticalist te werken, dan Van Ruler ergens "in te delen".
Zij die voor enige jaren "Het Getuigenis" indienden bij de herv. synode. beschouwen hem als een der hunnen, maar ook moderne theologen als Kuitert en Rothuizen zien hem als hun voorman.
Wanneer Van Ruler sprak of schreef over de “bevinding", kon hij rekenen op hartelijke instemming van de rechtervleugel van zijn kerk, maar hoe schrok men daar op van zijn art. over "Ultragereformeerd en vrijzinnig", waarin hij het eerste een ketterij noemde, waarbij het tweede nog maar kinderspel was!
Maar als Kuitert hem prijst als zijn grote leermeester, en tegelijk niet kan begrijpen, dat Van Ruler zich de laatste tijd zo conservatief opstelt. krijgt hij ten antwoord: "Ik ben avantgarde-theoloog, omdat ik theocratie wil en dus helemaal de instituten wil: die moeten vanuit het evangelie in een combinatie met de geschapen werkelijkheid ingericht worden, en niet afgeschaft worden; dat is een aanpakken van de wereld zoals de gereformeerden het met name gedaan hebben. De dopers hebben het op een heel andere manier gedaan, zij hebben de staat. het gezag, de macht, het geweld afgeschaft, en dat is wat tegenwoordig de geesten beheerst". Men moet dus de theocratie willen, maar op dat punt vind ik geen enkele progressieve theoloog thuis. ook Kuitert laat mij daarin alleen en in de kou staan". (In gesprek met Van Ruler, p. 34, 35).
Hoorde Van Ruler bij de "verontrusten"?
Hij hoorde in feite nergens bij, voelde zich dan ook tamelijk eenzaam, maar was op zijn geheel eigen manier zeer verontrust.
Wie hem de laatste jaren van zijn leven regelmatig voor de radio hoorden konden dan ook vernemen aan zijn stem. Men hoorde daar nl. in niet zozeer de reactie op vernieuwingen van een man die met zijn tijd niet mee kan komen, maar veelmeer de verbazing van iemand, die zijn tijd al vóór geweest is en die zegt: zien ze dan niet dat al dat z.g.
nieuwe al lang ontworpen was in de geref. theologie en dan in veel dieper en veel meer omvattende verbanden van theocratie? (zo ongeveer Okke Jager in "Wat vindt u van het getuigenis?" P. 32) Van Ruler - gnosticus of judaïst?
Het lijkt vreemd om met Velema het eerste aan te nemen. want wie heeft zo fervent tegen de gnostiek, die het geloofsleven verziekt, gestreden als juist Van Ruler?
Overigens is het mogelijk, dat er ook in zijn eigen gedachtengoed restanten zijn blijven zitten van wat hij zo bij anderen bestreed.
Was zijn geestelijk testament, zijn art. over Ultragereformeerd en vrijzinnig, ook wellicht niet een van zich af schrijven van wat gezien zijn krachtig en eenzijdig hemzelf als "veluwse jongen" nog in het bloed zat? Judaïsme dan, pouseren van het Oude Testament, de mozaïsche wetgeving, de theocratie?
Zit er niet in de talloze grapjes en spitse gezegden die er van Van Ruler in omloop zijn een stuk stille joodse gijn? Kan men ook niet licht uit reactie op het gnosticisme tot judaïsme vervallen?
Wandelt de kerk niet vanaf de eerste eeuwen van haar bestaan langs het smalle pad tussen deze twee dwalingen door? En komt men daar altijd zonder kleerscheuren langs?
Maar een bizonder goed tegenwicht tegen het gevaar van het judaïsme ligt, dacht ik, bij Van Ruler in de sterke verbinding van wet en Geest. Zie zijn proefschrift.
Hij valt niet àfgezien van de Geest van Pinksteren, de Geest van Jezus Christus.: op de oud-testamentische wet terug, want het is deze Geest, die de wet tot vervulling brengt, het is deze Geest, die de wet Gods zo inschrijft in de harten en indriift in het gelaat des levens, dat er hier en daar iets van de theocratie gaat gerealiseerd worden.
En hiermee nemen we... neen, geen afscheid van een groot, denker, die hoe men ook over zijn gedachten mag denken. velen aan het denken gezet beeft en zal blijven zetten, en die wel eens na zijn dood meer leerlingen kon krijgen dan hij ooit in zijn leven gehad heeft. Hij was zelf dienaangaande bepaald niet pessimistisch.
Voorzag en voorzeide hij niet, dat in de 21e eeuw de theocratische gedachte nog eens hyperactueel zou worden?
Was hij een nabloeier of, een te vroeg geborene?
God weet het.