Jezus Christus in het Nieuwe Testament

1974-11-15
  • Jaargang 18
  • nummer 42
Jezus in Samaria

In het vierde hoofdstuk van het evangelie naar Johannes treffen we Jezus aan op de weg van Juda naar Galilea. De kortste en best begaanbare weg naar Galilea liep door het land van de verachte Samaritanen. Er waren Joden die deze weg vermeden, maar Jezus nam de weg door Samaria en niet alleen omdat dit de kortste was.
Zo komt de Heiland terecht in een landstreek vol oude herinneringen en hij pauzeert in de stad Sichar bij een heel bekende bron, die volgens de traditie door de aartsvader Jacob gegraven was.
Jezus is vermoeid en gaat bij de Jacobsbron zitten.
Het is ongeveer het zesde uur, d.i. twaalf uur in de middag.
Het is daarom wat vreemd dat in de hitte van dit uur een vrouw uit Samaria naar de bron komt om water te putten. In de regel deden de vrouwen dat gezamenlijk op een koeler uur. Er is nog meer vreemd bij deze ontmoeting.
Jezus spreekt de vrouw aan; onder Israëli was het niet gebruikelijk dat een man op een openbare weg met een vrouw sprak, de discipelen zijn er later blijkens vers 27 verbaasd over.
En nu is deze vrouw nog een Samaritaanse ook.
De vrouw, niet bepaald op haar mondje gevallen, brengt haar bevreemding duidelijk onder woorden wanneer zij Jezus vraagt hoe hij als Jood een Samaritaanse om water kan vragen.
Het is gezien de verachting die de Joden hadden voor de Samaritanen opvallend dat Jezus deze vrouw als een mede-mens behandelt.
In het gesprek dat zich nu ontspint, wordt al direct duidelijk waarop Jezus aanstuurt: Hij zegt: indien gij wist van de gave Gods en (indien gij wist) wie Hij is die tot u spreekt. Hieruit blijkt dat Jezus zichzelf wil openbaren in Samaria en hij de gave Gods daar brengen.
Er zijn bijbel verklaarders die bij de gave Gods aan Jezus zelf denken; Hij was immers Gods gave aan de wereld, maar omdat Jezus zelf hier onderscheidt maakt tussen die gave en Hij die spreekt, doen we beter door bij de gave Gods te denken aan het heil aan God of aan de Heilige Geest. Welnu, als de vrouw zou weten met wie zij te doen had, zouden de rollen omgekeerd worden en zou zij Hem vragen om levend water. Nu ligt voor mensen die thuis zijn in de bijbel in het woord levend water een zinspeling op het heil dat Christus bracht. Maar als we nu bedenken dat men in die omgeving onder levend water in de eerste plaats verstond water dat uit een bron vloeide en onderscheiding van water dat in een put of een bak werd opgevangen, zullen we het de vrouw niet kwalijk nemen, dat zij niet aan een symbolische betekenis van het woord water denkt, maar aan de gewone en Jezus vraagt hoe zij zich voorstelt zonder aan dit water te komen.
Hij is toch zeker niet meer dan vader Jacob die de put gegraven heeft. Onze Heiland onderneemt een nieuwe poging en licht toe dat een mens, die daar aan de Jacobsbron zijn dorst komt lessen, steeds terug moet komen omdat een mens in dit hete land steeds weer zijn dorst moet stillen. Drinkt iemand evenwel van het water, d.i. van het heil, dat Jezus geeft dan wordt hij niet alleen eens voor goed verzadigd, maar hij wordt zelf tot een fontein d.w.z. hij geeft het heil aan anderen door. Hoewel Jezus nu het eeuwige leven noemt, dringt niet tot de vrouw door wat de gave is, waarover hij spreekt en legt zij zijn woorden uit op haar manier en vraagt, bij de hand als zij blijkt te zijn, om dit levende water, zodat zij van de vermoeide bezigheid om dagelijks naar de put te komen om water op te diepen verlost is.

Billijkheidshalve wijs ik u er op dat het voor deze vrouw toch wel erg moeilijk, zo niet onmogelijk was, om in deze vermoeide Joodse reiziger de Messias te zien en ik herinner u er aan dat Nicodemus (zie hfdst. 3), die toch leraar in Israël was, Jezus niet verstond toen de laatste sprak over wederom-geboren-worden.
Jezus merkt dat hij op deze wijze niet verder komt en verandert zo voor het oog van onderwerp als hij tot de vrouw zegt: Ga heen, roept uw man en kom hier.
Kennelijk geraakt zegt zij kort-af: Ik heb geen man. Dan slaat Jezus toe en zegt: Terecht zegt gij ik heb geen man, want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt is uw man niet.
Het is opvallend in de bijbel te lezen hoe het mensen aangrijpt, wanneer Jezus toont dat er voor hem niets verborgen is en betreft het dan heel persoonlijke zaken dan lijkt het ineens niet zoveel moeite te geven om te geloven dat deze kennis het aardse te boven gaat en van God komt. Zo (onleesbaar) Nathanaël toen Jezus hem riep, zo ook deze vrouw, al is zij aan het Here gij kent mij en gij doorgrondt mij van psalm 139 nog niet toe; integendeel, nu de grond haar wat heet onder de voeten begint te worden als de Heiland een tipje van de sluier van haar leven in verdriet en zond opligt, stapt zij haastig van dit gevaarlijke onderwerp af en zegt: Heer, ik zie dat gij een profeet zijt!
Al blijkt uit alles dat er niet veel geestelijk leven bij deze vrouw was, zij weet toch wel van de verschillen tussen de Samaritanen en de Joden en nu grijpt zij de kans om deze profeet een theologische kwestie voor te leggen, een uitwijkmanoevre, die ook in onze dagen nog al eens met succes wordt toegepast.
Jezus laat de vrouw begaan.
Hij had op het door hem aangesneden onderwerp kunnen terugkomen om de vrouw te wijzen op haar zonden; maar nu merken we dat het hem in dit gesprek niet allereerst gaat om de bekering van deze ene vrouw, die in zonde leefde, neen hij heeft meer op het oog en het gesprek gaat door niet over de vrouw en haar mannen maar over de aanbidding van God, dat is toch wel heel iets anders.
U weet wellicht nog dat de Samaritanen een gemengd ras vormden uit kolonisten uit verschillende volken, die door de Essyriers na de wegvoering van het volk Israël, naar het ontvolkte Samaria werden gebracht.
Deze Samaritanen vereerden op hun wijze de god van het land, hielden alleen de vijf boeken van Mozes voor het woord van God, verwachtten een Messias en een verrijzenis van de doden, terwijl de berg Gerizim in Samaria voor hen de plaats der aanbidding was.

Zij hielden het op de boeken en de berg van Mozes, de overige boeken van het oude testament en de tempel van Salomo dat was allemaal maar nieuwlichterij.
De vrouw vraagt nu wat Jezus zegt over de plaats der aanbidding. Uit zijn antwoord blijkt dat hij die vraag niet zo belangrijk meer vindt. Wel spreekt hij zich in het geding duidelijk uit voor Israël, want de Samaritanen aanbidden wat zij niet weten, zij kennen de Here nauwelijks, maar Israël heeft de openbaring, daar kent men den Here en het heil is uit de Joden.
Onze Heiland zegt dus niet dat de godsdienst van de Samaritanen ook een wet naar God is, neen, het heil is uit de Joden, anders gezegd: Er is maar één Naam onder de hemel tot zaligheid gegeven.
Maar zie, de vraag Jeruzalem of Gerizim is niet belangrijk meer, want het uur komt en is en hier zien we het Pinksterfeest aangekondigd, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid.
Hiermede zegt Jezus niet, dat de Joden, die al die eeuwen in Jeruzalem, waar de Here woonde bij zijn volk, Hem hebben aangebeden en Zijn Naam hebben vereerd en geprezen. onwaarachtige aanbidders waren. In de tempel was het symbool, de afschaduwing van het wonen van God door de Geest in Jezus Christus, de levende tempel, niet van steen en hout. De waarheid in de zin van de vervulling van de tempel was Ohristus. In Christus is de waarheid van God tot verlossing van de wereld ten volle openbaar geworden, in Hem sprak de Here zich helemaal voor ons uit. Het wordt Pinksteren en dan heeft de tempel zijn dienst gedaan en de waarachtige aanbidders aanbidden dan in waarheid, d.i. in Jezus Naam.
Nu spreekt Jezus niet alleen van aanbidden in waarheid. maar van aanbidden in geest en waarheid.
Bij het woord geest moet u denken aan leven en kracht.
Zonder Jezus Christus is de tempel in Jeruzalem met al zijn schoonheid slechts steen en hout en de aanbidding in de erediensten hoe indrukwekkend, door offers gebracht door priesters in prachtige gewaden, wordt ijdel, versteend en sterft weg.
Maar in Christus zal door de Heilige Geest God in de harten van de Zijnen wonen en de aanbidding van God en de omgang met Hem zal een stuk levende werkelijkheid worden in deze wereld, zijn volk wordt en levende tempel.
Lezen we de woorden: God is geest. dan moeten we daarin niet een soort omschrijving of definitie van God lezen, neen, als er staat God is geest betekent dat in dit verband dat Hij de levende God is, die de harten zoekt van de mensen en aanbidding in geest en waarheid is de omgang met de God, die in Christus onze Vader is en alle dingen regeert.
Nu komt er een positieve reactie
bij de vrouw; zij zegt dat zij weet dat de Christus, wanneer Hij komt alles zal verkondigen en dat wil zeggen: de volle waarheid over God en de dienst van God, zodat in de Christus het licht over alle volken opgaat.
Nu is het ogenblik daar waarop Jezus zich bekend maakt; nu mag zij weten wat de gave Gods is en wie Hij is die tot haar spreekt. De vermoeide joodse reiziger, die om water vroeg; de man. die zulke wonderlijke dingen zei over levend water; de profeet, voor wie niets in haar leven verborgen was is de Messias die komen zou. Uit het vervolg zien we nu. waar het Jezus in dit gesprek bij de Jacobsbron om te doen was. De vrouw snelt heen naar haar volk, vergeet in de haast haar kruik.
Tot de discipelen. die inmiddels zich bij hun Meester hebben gevoegd zegt Hij: sla uw ogen op en ziet dat de velden wit zijn om te oogsten, En dan komen de Samaritanen als een levende oogst tot Hem op het woord van de vrouw; Hij blijft twee dazen bij hen en de Samaritanen geloven niet meer op gezag van de vrouw, maar omdat zijn Hem zelf gehoord hebben en Hem hebben leren kennen als de Heiland van de wereld. De Samaritanen kennen Hem en kennen de gave Gods. In Samaria wordt al iets beleefd van Pinksteren.
Het ging in dit gesprek dus niet om één zondares. die door Jezus tot bekering wordt geroepen, neen, het ging Hem om dit verachte volk van de Samaritanen, de laatste worden in zijn rijk de eersten. Aan de vrouw wordt het woord vervuld. dat ze niet begreep en wel dat wie drinkt bij Jezus van het water des levens zelf wordt tot een fontein van water dat springt ten eeuwigen leven.
Hiermee is, om mogelijk misverstand uit te sluiten, niet gezegd dat Jezus zich niet om een enkele zondaar bekommert, we weten uit het evangelie hoe één mens Hem ter harte kan gaan, maar we moeten nooit vergeten dat Hij de Zijnen opdracht gaf om de volken te roepen.
Zo openbaarde Jezus in dit zo moeilijk verlopen gesprek zijn heerlijkheid als eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief