Kan de Here Jezus de regering van Zijn kerken niet aan? 2

1974-11-15
  • Jaargang 18
  • nummer 42
Ik liet het de vorige keer bij de uitdaging die aan de gemeenten was gesteld door het voorstel van de kerkeraad van Doorn. Die kerkeraad, die stelde dat onderlinge samenwerking, hulp en raad in goede trouw, in de Schrift aan ons worden gebóden. Maar dat hij in diezelfde Schrift maar niets kon vinden over een macht die bevoegdheden heeft óver alle gemeenten, behalve dan de Here zèlf Ik waardeer in het antwoord van achtereenvolgens de di G. Janssen, H. Smit en H. de Jong, dat zij allen in hun schrijven impliciet toegeven, dat het in de oude KO en ook in het voorgestelde concept-
KO niet alleen gaat om samenwerking.
Maar wel degelijk ook om een gezagsinstantie boven de Kerken. Immers, alle drie trachtten voor dat láátste schriftuurlijke argumenten bij te brengen!
Laat ik uitdrukkelijk zeggen: daarmee bewezen zij de discussies onder ons een grote dienst. Want nog ál te veel werden degenen die het inzake de kerkelijke samenleving ánders willen dan vroeger, gedoodverfd als een stel nieuwlichters, vrijblijvenden die het zo nodig eens anders moeten doen dan de beproefde gereformeerde traditie! De drie genoemde scribenten wezen aan: er is in de discussie onder ons een geldige vraag gesteld! Want het is maar niet de vraag: verband en samenwerking tussen de Kerken, ja of neen (dáárover is dunkt me geen verschil). Maar het knelpunt ligt in de vraag of we in dat verband een zelfstandige gezags- en rechtsinstantie boven de Kerken mogen en moeten hebben!
Van de vier artikelen van ds G. Janssen (Opbouw, 18e jrg. no.'s 31 tlm 34, resp. p. 237, 243/4, 251/2 en 261/2) ging het laatste in op de door ons gestelde vraag. De schrijver stelt daarin dat het invoeren van een kerkverband zoals voorgesteld door de commissie niet met zoveel woorden in het NT te vinden hóefde te zijn. Omdat heel veel dingen aan de mondigheid van de gemeenten, die nu de 'kindertijd' van het OT achter de rug hebben, zijn overgelaten.
Dat er zulke dingen zijn ontken ik niet. In het onderhouden van goede, hechte samenwerking hebben de gemeenten vast een grote vrijheid. Maar de vráág was. of als er één levende Heer is, die met zijn Woord en Geest macht oefent over zijn gemeenten, - of dán die gemeenten de bevoegdheid hebben een lichaam in het leven te roepen. waaraan ze bepaalde bevoegdheden van Koning Jezus gaan overdragen. En me dunkt, dát kan geen vraag zijn!
De belijdenis van de éne Heer van het volk van God sluit uit, dat prerogatieven van de Kroon worden overgedragen aan iets of iemand anders. Uiteraard weet ik dat ds Janssen dat ook niet wil.
Het is echter juist dát wat in de oude KO en in het nieuwe concept tóch gebeurt Ds H. Smit (Opbouw, 18e jrg., no. 36, p. 276) wees erop, dat de Schrift twee vormen van geboden van de Here kent. Nl. de apodictische of kategorische vorm: 'gij zult (niet) .. .' En daarnaast een casuïstische vorm: 'Indien ge dit of dat wilt, dán zult ge zus en zo handelen.' Volgens hem zou het voorstel-Doorn te katerrorisch te werk gaan, en geen oog hebben voor de mogelijkheden van de Kerken volgens die 'indien gij wilt .. .'-structuur. Nu is er niemand die aan de mogelijkheden van de gemeenten wil tornen. De kerkeraad van Doorn wil graag een goede structuur van samenwerking, en heeft daarom zijn voorstel aan de Kerken gedaan.
Wat wij echter als fataal beschouwen is, dat de Kerken een lichaam in het leven roeren om gézag en rechtspraak over de gemeenten te voeren. Aangezien deze tot de exclusieve rechten van Christus Jezus behoren, menen wij dat geen Kerk dát zal mógen willen! Gemeenten van de Here ziin niet bevoegd om rèchten aan die Here te ontnémen!
Het antwoord van de twee genoemde collega's verried m.i., dat ze met de door Doorn opgeworpen vraag schriftuurlijk verlegen waren. Ds De Jong (Opbouw, 18e jrg. no. 37, p. 283) schrijft: "Toch blijft er iets kei-hards in het argument van Doorn zitten, dat alleen maar met iets nog harders kanot te krijgen is. De stelling is namelijk niet waar." Ds De Jong vervolgt dan: "Ik heb de indruk dat de apostel een soort kerkverband in persoon is geweest". En daar bedoelt hij niet alleen mee, dat, uiteraard, "groeten en attestaties van kerken aan kerken over hem liepen", - neen. de apostel "bemoeide zich met de inrichting van het plaatselijke gemeentelijke leven" (Titus 1 : 5).
Bewijst dit eerste argument van collega De Jong "dat de apostel een soort kerkverband in persoon" geweest is? Kóm nou! De opdracht van de Here Christus aan de apostelen is duidelijk, Matth. 28: 19. Ze hebben het evangelie te verkondigen, gemeenten te stichten, en die te leren onderhouden al wat de Here geboden heeft. Wat zien we dan gebeuren? Paulus preekt ergens het evangelie, keert daarna daar terug (of zendt één van zijn. assistenten) om oudsten aan te stellen en de gemeente te versterken, en blijft vervolgens persoonlijk en schriftelijk met die gemeente in contact om die nog beter inzicht te geven, of ook te bestraffen (Hand. 20: 27, 2 Petr. 1: 12-15).
Paulus blijkt ook zeer zuiver te onderscheiden tussen bevelen van de Here, en adviezen van hemzelf "als iemand die door de ontferming des Heren trouw is" (1 Cor. 7 : 25). Deze laatste adviezen legt hij niet op, maar hij beveelt ze aan! (Hij geeft trouwens blijkbaar de voorkeur aan een verzoek boven een bevel, zelfs als het gaat om orders van Christus (Filemon vss 8-9).) En omdat er nu een gemeente met oudsten is, die haar eigen verantwoordelijkheid heeft, zal Paulus een zaak als van 1 Cor. 5 : 1-5 uitdrukkelijk sámen met die gemeente en haar oudsten ter hand nemen. Het is de taak van die geméénte, waarin de apostel haar vermaant en steunt. Men lette er ook op dat Paulus, als hij zich richt tot een niet door hem gestichte gemeente als Rome, zijn schrijven "ietwat vrijmoedig" noemt (Rom. 15: 15-16, vgl. het totaal van vss 14-21 voor de 'toon' van Paulus hier). Van de apostelen Johannes en Petrus zien we precies hetzelfde: het "leren onderhouden wat Ik u geboden heb", b.v. 1 Joh. 2: 21 en context, 2 Petr. 1 : 12 vv .
Maar moet ik dat nu 'bemoeienis' noemen met het plaatselijke kerkelijke leven als een kerkverband-in-
persoon? Welneen! Want de apostel is hier niet een kerkverbandelijke instantie, b.v. namens de gezamenlijke andere Kerken.
Maar hij is bezig met zijn opdracht, hij is gezant van de Here!
Hij treedt niet op namens de Kerken maar namens (Ie Héér van die Kerken! En Christus zegt: Wie u verwerpt, verwerpt Mij."
"Wie u ontvangt, ontvangt Mij.
Het is eenvoudig onjuist de 'nazorg' van de apostelen aan de gemeenten te bestempelen als een optreden als kerkverband-in-persoon!
Echter, voortgaand op dit spoor komt collega De Jong nu tot zijn tweede argument, nl. dat de dood van de anostelen een vacuüm schiep inzake de intergemeentelijke Woord bediening. Ik wil daar dit van zeggen. De dood van de anostelen schiep inzake de taak waartoe zij geroepen waren helemáál geen vacuüm. Hun werk werd en wordt voortgezet door zendelingen. Deze zijn dan wel een oog- en oorgetuigen van de Here; zij hebben echter wel het evangelie van de Here en zijn bevelen voor zijn gemeenten. Zij worden dan ook opgedragen aan de genade Gods (Hand. 14 : 26. 15 : 40). En ze zullen de gemeenten wel te vertellen hebben wat al grote daden de Here door hen verricht heeft onder de heidenen, Hand. 21: 19-20, maar hun verántwoording is rechtstreeks aan de Hére! Zendeling is niets anders dan gezant, of apostel. Wij gebruiken het woord apostel meestal alleen voor de 'elf' en Paulus, het NT gebruikt het breder. De zendelingen zullen precies hetzelfde doen als de apostelen hebben gedaan, en wel volgens 'hun' (= der apostelen) evangelie, en wat de Here aan hen, de apostelen, geboden heeft. Hier heeft de Here Zijn werk echt niet met een vacuüm opgescheept!
Heeft de Here dat dan met de ontstane gemeenten wel gedaan?
Ds De Jong zegt dat de gemeente van Galatië nodig had iemand van buiten, die hun zonde zag "om zo'n gemeente even godzalig uit te schelden ... " Dat zal wel waar zijn! Al beweer ik, dat dat nog behoorde tot Paulus' van de Here gekregen apostolische taak!
En dat het niet is een optreden als 'kerkverband-in-persoon'.
Trouwens. er is onder ons helemaal geen verschil van mening over de vraag of de gemeenten, of ook individuele gelovigen, die een - gemeente in de fout zien gaan, niet de plicht hebben van wat De Jong noemt 'intergemeentelijke Woordbediening'. Dat implicéért het voorstel-Doorn dan ook! Wat daar in B, sub a) gesteld is inzake de trouwbelofte van de Kerken aan elkaar, - dat is geen wassen neus!! Dat is iets waaraan de Kerken elkaar mogen, zelfs moeten houden. Wee de Kerk die E::enzuster kerk de verkeerde weg op laat gaan! En er zal best eens aanleiding zijn dat een aantal Kerken een zustergemeente gezamenlijk vermanen. Maar de zwaarte van dat vermaan wordt dan gevormd, niet door het feit dat het van één of meer zusterkerken afkomstig is, maar door het feit dat het Woord van de Here wordt gesproken! Doorn ziet heus wel de taak van de intergemeentelijke Woordbediening, - gelijk zijn voorstel bewijst!
Maar acht uit de Schrift nog steeds niet aangetoond dat we daarvoor een kerkverbandelijke gezágsinstantie nodig hebben. Het gezag ligt toch in het Woord zèlf en in de Heilige Geest die dat Woord betuigt! De apostelen hebben in de nieuwtestamentische tijd trouwens geen enkele gemeente uit de kring der gemeenten gebannen. Wel waarschuwt de Here door Johannes gemeenten naarstig, dat als ze zich niet bekeren Hij haar uit Zijn kring zal bannen, de kandelaar er wegnemen, haar uit zijn mond zal spuwen, Openb. 2: 5, 3: 16!
Natuurlijk heeft een radicale verwerping van het Woord van Christus consequenties voor het verbond der gemeenten. Maar die consequentie, dat de gezamenlijke gemeenten unaniem tot de conclusie moeten komen dat een gemeente de Here totaal verwerpt en daardóór de samenwerking vernietigd heeft, is alleen maar conclusie uit het afwijzen van het Wóórd. En géén machts- of dwangmiddel.
We verschillen dus niet van mening over de vraag of inter-gemeentelijke Woordbediening noodzakelijk is. Maar Over de ándere vraag, of de gemeenten daarvoor een éigen, gezamenlijke gezagsinstantie nodig hebben. Het is die vraag die ik in de Schrift nergens bevestigend beantwoord vind.
Intussen is ds De Jong al verder gevaren on zijn koers van dat 'vacuüm' dat door de dood van de apostelen geschapen zou zijn inzake een kerkverbandelijke gezagsinstantie over de gemeenten, gedeelte van ds De Jong's overpeinzingen hartgrondig verwerp.
Hij zegt dat de kerken in ditdoor hem geponeerde! - vacuüm zijn getreden "door het scheppen van tusseninstanties", En hij oordeelt daarover nogal positief. Zegt b.v. dat de Heer der Kerk "zich toch ook van dit behulpsel bediend heeft in een tijd dat de gemeente haar mondigheid niet aan kon".
Ja, dàt zègt hij van de ontwikkeling van de hiërarchie naar het pausdom! Het gaat me er niet om of ooit een paus of kerkvorst eens iets goeds hebben verricht. Ik denk aan wijlen mgr. Beckers. Het gaat me om de vraag of ze dat tot stand brachten ondanks het hiërarchieke systeem. Of dankzij dat systeem! Ik geloof er totaal niets van dat de Heer der Kerk zich van dit behulpsel bediende. Ik geloof dat Hij ondanks deze schuldige ontwikkeling zijn Kerk bewaard heeft! En dat mag dan echt wel een wonder heten! Ik gelóóf niet dat de gemeente haar mondigheid niet aan kon. Wel dat de gemeente die wel eens gemakzuchtig uit handen gaf. Waarbij goedbedoelende dienaars van die gemeenten die mondigheid aan zich lieten overdragen, of die ook aan zich trókken! Zodat ze door luiheid der gemeenten en eigen goedbedoelde machtsaanmatiging prelaten werden. Maar de Hére heeft nooit prelaten aangesteld, en het is een wonder dat de Kerken op deze weg niet zijn ondergegaan.
Trouwens, - áls waar was wat ds De Jong beweert, dat de gemeenten een vacuüm, dat veroorzaakt werd door de dood der apostelen, moesten vullen met een kerkverbandelijke gezagsinstantie, - dan hebben toch Petrus en Paulus in hun afscheidswoorden die gemeenten daarover niet ingelicht.
Die integendeel grof misleid inzake hun taak in dezen! Als Paulus afscheid neemt van de oudsten van Efese op het strand van Milete, Hand. 20, dan is er geen spráke van, dat hij die gemeente onderbrengt onder een kerkverbandelijke paraplu! Hij zegt: "Ziet dan toe op uzelf en op de hele kudde, waarover de H, Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden ... " (vs 28). En: "ik draag u op aan de Here en het woord zijner genade, aan Hem die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden"
(vs 32). Petrus, die zijn eind voelt naderen, doet precies hetzelfde, 2 Petr. 1: 12-21. Ik ben eenvoudig niet bereid te geloven dat deze apostelen de gemeenten op een schandalige wijze de mist instuurden, toen ze zo deden!
Samenvattend meen ik, dat wat de drie collegae schreven, op geen enkele manier uit de Schrift heeft aangetoond dat er een zelfstandig lichaam van gezag en rechtspraak over alle Kerken moet of mag zijn, naast de Here zelf!
En ik vraag: zou ook het feit dat - goedbedoeld. Ongetwijfeld altijd weer zo vlót zulke instanties over de gemeenten werden aangesteld, mede oorzaak zijn geworden van de verbrokenheid van Christus' volk? Zou de Here ons daarin niet tuchtigen over structuréle afwijking van het evangelie?
Zou er niet om herstel te bidden, èn daarop te hopen zijn, als dit - gecamoufleerde! - gouden kalf eindelijk eens vergruizeld werd? Zou de Here ons zoveel breuk en scheuring bezorgd hebben, omdat Hij met zijn Woord en Geest door ons niet lós vertrouwd werd, in de bewaring en regering van Zijn Kerk? Is dát misschien onze taak, - en alsjeblieft met bescheidenheid, want moeizaam en met schade en schande geleerd!
- om als vrijgemaakte vrijgeraakten temidden van veel andere Kerken en broeders het bewijs te zijn, dat Jezus geen macht naast Zich duldt? Zal dát het herstel van de Kerken, haar bijeenvergadering, en de werkelijke verbondenheid tussen gemeenten niet bevorderen? Omdat we van een "heilig" blok-aan-het-been bevrijd zijn?
In het vorige artikel is in de kop van het artikel per abuis een (2) geplaatst; dit had een (1) moeten zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief