Het komende Convent

1974-11-22
  • Jaargang 18
  • nummer 43
Op 30 november a.s. komt, zo de HEERE wil, het (voortgezette) Convent van kerken bijeen dat weer zal spreken over het samenleven der kerken.
Ik heb goede moed gekregen dat deze vergadering tot een eenparig besluit daaromtrent zal komen.
Die hoop werd bevestigd door het artikel van ds Holwerda dat in het nummer van 8 november in ons blad werd geplaatst.
Ds Holwerda omschreef de grondvraag waar het in dat samenleven der kerken om gaat, als volgt: "Waar heeft de Heere in het N.T. machtsinstanties ingesteld die van Hem de opdracht kregen de gemeenten te regeren om in de problemen van de gemeenten uitspraak te doen?"
Ik geloof dat dit inderdaad de grondvraag is waarom het in de discussies over het “kerkverband'' gaat. Ds Holwerda beantwoordt de vraag kort en beslist met een: die macht gaf Christus en dus het N.T. NOOIT en NERGENS.
Dit antwoord is naar mijn overtuiging geheel overeenkomstig de Schrift. Alle Gereformeerden en Geref. Kerken - de echte!hebben dan ook precies hetzelfde antwoord gegeven. Zelf heb ik dat reeds meer dan veertig jaar bij alle mogelijke gelegenheden en met alle mogelijke kracht betoogd.
Ik zou talloze uitspraken kunnen geven waarin dit wordt uitgesproken.
Ik wil er hier slechts één doorgeven. Een van Sikkel. Deze schreef het volgende: "Laat toch alle gedachte aan een regerende synode worden losgelaten, want dat is niets anders als de paus.
De kerkeraden regeren de kerken.
En dat doen zij enkel en alléén naar Gods Woord!
Daarom handhaven zij de belijdenis en oefenen zij de tucht.
Maar dat doen zij weer alléén naar Gods Woord!
De kerkeraden maken nu verder de classen en synoden. Niet omgekeerd.
Classen en synoden hebben hun bevoegdheid van de kerkeraden.
Niet omgekeerd.
En dat wel in gebondenheid aan de kerkeraden, die in art. 84 alle heerschappij over de ene kerk aan de andere kerken ontzegt.
Een synode, die dus wetten of regelingen voor kerkeraden of voor tuchtgevallen maakt, of ze voor verkiezingen of voor Zondagsviering of voor stemrecht vaststelde, nam een onwettig besluit, en zette de pauselijke hoed op.
Een synode is slechts een tijdelijke samenkomst tot openbaring van het kerkverband, die niet de minste macht over de kerken heeft, maar een samenkomst van 'kerken is (door middel van afgevaardigden of gezanten daarvan) om de betekenis van het kerkverband voor het heil der kerken en de eer des Heren te laten gelden en aan de roeping der gezamenlijke kerken naar buiten uiting te geven.
En als de vergadering afgelopen is, dan is er geen synode meer; en dan is er geen classe meer; dan zijn er slechts kerken en in iedere kerk, wanneer de opzieners samenkomen, kerkeraad. En die kerkeraad regeert zelf de gemeente naar Gods Woord in gebondenheid aan belijdenis en kerkenorde maar zonder verdere bepalingen, dan die hij zelf moet maken."
Dit woord van Sikkel is een zuivere vertolking van het Schriftuurlijke, Gereformeerde gevoelen. Daarin wordt, even radikaal als ds Holwerda dat doet, de idee van een synode die optreedt met de pretentie van de Heere de opdracht te hebben gekregen de gemeenten te regeren en in de problemen daarvan uitspraak te doen, afgewezen.
En het staat voor mij rotsvast dat al onze kerken die en gereformeerde idee van een dergelijke synode even radikaal afwijzen.
Deze overeenstemming is een van de gronden voor mijn vertrouwen dat het op 30 november goed zal gaan.

Maar er is nog iets in het artikel van ds Holwerda dat mijn hoop op overeenstemming ten aanzien van het kerkelijk samenleven versterkte.
Ds Holwerda vraagt daarin namelijk: "Niet over te gaan tot het in het leven roepen van een landelijk synodaal kerkverband, in de zin zoals het Convent van 24 november 1973 een meerderheid zich daarvoor heeft uitgesproken."
Maar: "In dankbare erkenning van het feit dat er tussen de gemeenten een levende band des geloofs bestaat, aan die band verdere gestalte te geven door het sluiten van een verbond of foederatie van gemeenten."
Over deze vraag wil ik ook graag het een en ander opmerken.
In de eerste plaats dat men in het hanteren van het woord kerkverband zeer zorgvuldig moet te werk gaan. Er komt anders gauw misverstand.
Het woerd "verband" kan nl. een zeer gevarieerde betekenis hebben.
Namelijk al naar gelang van de combinatie waarin het voorkomt.
Men spreekt van gezins-, familie-, stam-, verenigings-, staats, universiteitsverband, enz.
In elk van die verbindingen heeft dat "verband" uiteraard een andere kleur.
Nu is er ook het woord "kerkverband"!
Maar ook dat kan allerlei betekenis hebben! Men kan daarbij denken aan de band die de universele kerk, de wereldkerk als geheel, en alle plaatselijke kerken afzonderlijk met Christus hebben. Wij leven als gelovigen met elkaar in één "kerkverband" waarvan Christus het Hoofd is. Er is voorts een kerkverband van Rooms-Katholieke, Hervormde, synodaal-
Gereformeerde, Methodistische, Vrij-Evangelische signatuur. Enz.
Nu spreekt ds Holwerda van een "landelijk synodaal kerkverband."
En hij meent dat de vergadering van 23 november 1973 zich dáárvoor uitsprak.
Daar nu geloof ik niets van.
Want het is zo dat de gereformeerden - de echte! - zich altijd en zelfs met srrote felheid tegen de idee van een "synodaal kerkverband" hebben verzet! In de jongste kerkelijke moeilijkheden hebben dan ook onze kerken een dergelijk "kerkverband" met alle kracht afgewezen!
In het "Informatieboekje" heb ik aangetoond dat de kerken van Wormerveer en andere die slachtoffer waren geworden van de vreemde kerkrechtelijke manipulaties in de vrijgemaakte kerken, dat juist geworden zijn vanwege hun verzet tegen de idee en de praktijk van een "synodaal kerkverband".
En ik kritiseerde daarin het gedrag van de "binnenverbanders" die zo'n "synodaal kerkverband"
op zo'n hardhandige wijze in praktijk brachten. Ik formuleerde de gereformeerde opvatting zo:
De Geref. Kerken gaan ervan uit, "dat de kerken niet in een "synadaal verband" leven, en dat dus het kerkverband naar zijn aard geen "synodaal" verband is. Zij gingen er integendeel van uit dat de plaatselijke kerken in een verbond leven dat uitsluitend (ll) gefundeerd is in een gemeenschappelijk geloof in en belijden van het Woord van God .... Het zo gefundeerde verbond van kerken is voorts een verbond waarin o.a. een synode een - zéér bescheiden! - funktie te vervullen heeft.
Een synode staat "onder" een classis en nog verder "onder" een kerkeraad."
Hoe dit nu verder ook zij, mèt ds Holwerda ben ik het volkomen eens dat we een "synodaal kerkverband"
in welke vorm ook moeten afwijzen. Zo'n verband is onbijbels en daarom ook ongereformeerd.
En ik ben er rotsvast van overtuigd dat al onze kerken dat ook doen.
Nu schrijft ds Holwerda verder dat hij de levende band des geloofs die er tussen de gemeenten bestaat "gestalte" wil geven in een verbond.
Uit wat ik zo juist citeerde blijkt dat ik daar van ganser harte mee akkoord ga. Dàt betekent evenwel niet veel! Wat van meer belang is: ds Holwerda beweegt zich door dit te poneren geheel in Schriftuurlijke lijn! Volgens het N.T., zo maakte prof. Deddens ons in zijn inaugurele oratie duidelijk, is elke plaatselijke kerk "een lichaam van Christus, een compleet geheel. en al. mogen ze tegenover elkaar geen ogenblik de geestelijke eenheid vergeten, van een institutaire eenheid is geen sprake; elke kerk is vrij en zelfstandig tegenover de zusterkerken." Dat is duidelijke taal! Geen institutaire eenheid tussen de kerken.
Dus geen in een synode berustend, geen door een synode gevormd, geen ~"synodaal kerkverband".
Er mag tussen die plaatselijke kerken alleen sprake zijn van een op voet van volkomen vrijwilligheid aangegaan verbond.
Zo'n verbond hebben de naar Gods Woord gereformeerde kerken dan ook van meet af aangegaan.
En dat hebben ze - behalve in tijden van deformatie en verval - ook gehandhaafd. De Gereformeerde Kenken spraken er daarom steeds van dat zij een federatie of confoederatie vormden, dat ze samenleefden in een "confoederatief verband". De kerken traden volkomen vrijwillig tot dit verbond toe. En ze konden ook weer uit dat verbond uittreden zonder dat door deze daad als zodanig iets van hun karakter als kerk te verliezen! En dat verbond mocht niet anders funktioneren dan in vergaderingen van afgezanten van de vrije, zelfstandige kerken die volkomen gehoorzaam dienden te zijn en blijven aan hun lastgevers, de plaatselijke kerken. Van enig bestuur, raad, college dat boven de kerken zou staan mocht nooit ofte nimmer sprake zijn. 1) Zo wil ds Holwerda het.
En ik ben er weer zeker van dat dat ook met al onze kerken het geval is. Ook zij willen van geen "synodaal verband", weten, maar willen een verbond van volkomen vrije en zelfstandige kerken.
Dit is ook weer een verheugende overeenstemming tussen onze kerken.

Ook in zijn omschrijving van het doel van het samenleven en samenwerken sluit ds Holwerda zich weer geheel aan bij wat de Gereformeerde Kerken - de echte! - steeds als zodanig hebben vastgesteld.
Hij schrijft namelijk dat de gemeenten van Christus elkander behoren te beloven elkaar onderlinge hulp en bijstand te verlenen en zoveel mogelijk gezamenlijk die taken te verrichten die dienstbaar zijn aan het gemeenschappelijk welzijn der gemeenten en aan de uitbreiding van het Koninkrijk Gods.
Deze omschrijving acht ik weer voortreffelijk.
Inde reeds genoemde rede van prof. Deddens wees hij er op dat het kerkverband in de eerste tijd na de grote Pinksterdag werd geoefend door correspondentie en persoonlijk verkeer "tot onderlinge hulp en barmhartigheidsbetoon."
Al gauw kwamen er synoden.
Deze dienden "tot onderlinge voorlichting, raad en hulp. De synodebesluiten verplichten en binden niet; van dwangmaatregelen tegen een dissentiërende minderheid is geen sprake."
In dit spoor gingen de gereformeerde kerken verder. De synoden mochten niet anders doen dan uitspreken van voorlopige oordelen.
Die werden pas rechtskrachtig als de kerken die ratificeerden.
Ten aanzien van het houden van synoden werd voorts geen enkele eis gesteld. De kerken komen daarin samen op de basis van volkomen vrijwilligheid. "Geen kerk of vergadering wordt verplicht, de synode bij te wonen! We lezen van bidden en verzoeken; van bidden en aansporen; men houdt zich overtuigd dat de Kerken in de uitnodiging zullen bewilligen.
Maar iedere kerk bleef vrij ten
aanzien van het verzoek in een synode te participeren.
En het allereerste wat de eerste synode van de Geref. Kerken uitsprak was vaststellen dat geen kerk over een andere kerk, geen dienaar des Woords, ouderling of diaken over andere heerschappij zal voeren en dat iedere zich zal wachten voor alle verdenking of verlokking daartoe! 2) Dit alles wilde ds Holwerda nog weer eens accentueren.
Ik ga daarin geheel met hem mee.
En ik ben er weer zeker van dat dat met al onze kerken het geval is.

Nu is de grote vraag of wat op het Convent aan de orde is gekomen op enigerlei wijze in strijd is met deze door alle kerken aanvaarde grondgedachten.
De daar in bespreking komende artikelen beginnen met een omschrijving van het doel van de gemeenschapsoefening der kerken die tot in de woorden toe overeenkomt met wat ds Holwerda schreef.
Voorts zeggen ze dat de vergaderingen van de afgevaardigden van kerken - hoe die heten is van minder belang - niets mogen doen dan zich bezig houden mei wat de kerken van hen vragen.
En wat daar ter sprake zal komen moet eerst naar de kerken gestuurd worden opdat die zich daarover een oordeel kunnen vormen en de afgevaardigden kunnen instruëren.
Verder wordt er gezegd vergaderingen met alle naar overeenstemming streven!
Over de wijze van afvaardiging dat die kracht zullen zal wel geen enkel verschil bestaan.
Elke kerk stuurt er twee naar de regionale vergaderingen.
Elke regionale vier naar de landelijke.
En die krijgen allen de nodige, door hun lastgevers opgestelde, instructies mee.
Het tere punt vormen de landelijke vergaderingen. Maar daarvan wordt uitdrukkelijk gezegd dat door deze niet meer dan voorlopige inspraken mogen worden gedaan. De kerken zullen deze - natuurlijk nadat ze die eerst zèlf besproken en beoordeeld hebben - op hun regionale vergaderingen bespreken en beoordelen.
Dat oordeel zullen ze daarna aan de volgende landelijke vergadering meedelen en die kan daarna tot definitieve besluitvorming overgaan. En daarna hebben de kerken het recht en de plicht deze besluiten nog weer eens te toetsen en te ratificeren, of ze, als ze in strijd zijn met de Schrift en de door de kerken onderling gemaakte afspraken, te verwerpen.
Dit komt op het Convent ter sprake. Meer niet.
En ik zou ieder willen vragen of deze bepalingen, dit frame-werk voor het samenleven en samenwerken der kerken op enigerlei wijze in strijd komt met de door allen aanvaarde grondgedachten voor het kerkelijke samenleven en samenwerken. Ik kan dat met de beste wil van de wereld niet zien.
Natuurlijk kunnen boze lieden overal in alle, ook de beste, organisaties en vergaderingen, onheil aanrichten. Maar dat is een heel andere kwestie!

Als er nu nog broeders zijn die met het voorgestelde moeite hebben zou ik hen willen wijzen op het optreden van de vrome Brummelkamp in een dergelijke situatie.
Brummelkamp had zich op de synode van 1840 tegen de aanvaarding van de onveranderde Dordtse kerkorde verklaard. Duidelijk zette hij daarna in een nota uiteen waarom. Maar terwijl hij zijn "vrijheid" ten opzichte van de D.K.O. handhaafde "verlangt en vraagt" hij "door broederlijke liefde verbonden aan al het volk van God ...
zoveel mogelijk, gemeenschapsoefening met allen, die zijne verschijning Iiefhebben." Doordrongen van het besef dat het goed en nuttig is, dat de Opzieners zekere ordinantiën onder zich stellen, 3)verklaart hij zich volkomen bereid "tot het maken van afspraken om gemeenschappelijke bijeenkomsten te houden, welke God ons zal gelieven te vergunnen".
Hij is ook bereid tot "zoveel mogelijk overeenstemmende handelingen inzake de gezamenlijke gemeenten betreffende, zoals de toelating van Leraars en dergelijke dingen, welke voorkomen. Voorts ook tot vrijwillige verbintenissen, ter regeling dier zaken, waarin de Godsdienst wel niet gelegen is, maar die goed zijn tot regeling van uitwendige zaken, de Godsdienst betreffende."
Dit alles wil Brummelkamp "des te meer en dringender" doen, "om daardoor ook de schijn te weerspreken"
alsof hij zich "zou willen verheffen boven zijn broeders of vaders die een even dierbaar geloof ontvangen hebben." Hij doet het om ook de schijn te vermijden alsof hij zou willen weerspreken, "dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden moeten", de schijn ook alsof hij "vrijmachtig", alsof hij "willekeurig" zou willen handelen, "of eigenwilligheid en bandeloosheid in zaken van Godsdienst" ten troon verheffen.
Op grond van deze overwegingen verklaart Brummelkamp dat hij van ganser harte alles aanneemt, "hetwelk dienstig is om de eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, om alles, hetwelk door deze Vergadering, overeenkomstig Gods onfeilbaar getuigenis, besloten en aangenomen wordt te onderhouden."
Deze verklaring is opvallend.
Brummelkamp zegt eerlijk en precies hoe hij over de in geding zijnde kwestie denkt. Maar daarbij taxeert hij de betekenis daarvan zorgvuldig, Hij beseft dat het verschil in kijk op de kerkorde geen verwijdering tussen de broeders mag veroorzaken. Laat staan dat het tot een kerkscheuring zou mogen leiden. En hij vindt, we mogen wel zeggen: op evangelische wijze, een weg om ondanks het verschil van inzicht, het samenleven en samenwerken van de 'kerken en broeders te doen voortgaan.')

Is dit woord niet een uiting van diep kerkelijk besef, van waarachtige ootmoed en van zelfverloochenende liefde voor de broeders?
Moge de HEERE dit alles geven aan den broeders dit in het Convens zullen samenkomen!
Daartoe ga ons gebed en dat der kerken op.


1) In De Reformatie en De Wachter van vóór de oorlog heeft prof. Greijdanus in tientallen artikelen tegenover dr H. H. Kuyper aangetoond dat het karakter van het verband tussen de Geref. Kerken van het begin af tot 1816 geen "synodaal verband", geen "hiërarchie" maar "een vrijwillige naar Gods wil aangegane confoederatie was". En dat bij de Doleantie de kerken zeer bewust weer zo'n verbond hebben aangegaan.
Vanaf 1926 heeft men dat verbond steeds weer geschonden. Maar dat kon alleen door het schenden van wat de kerken elkaar plechtig hadden beloofd.
2) Bekend is de "rekensom" van prof. Greijdanus. Eén kerk heeft 0 macht over een andere. Tien kerken hebben 10 x 0 = 0 macht over andere, enz.!
3) Brummelkamp zinspeelt hier op de confessionele uitspraak (art. 32 N.G.B.) dat "het nuttig en goed is, dat die regeerders der Kerk. zijn, onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk."
4) Over deze synode en nog veel meer schreef ik een boekje dat dezer .dagen onder de titel KERKGEMEENSCHAP EN KERKORDE; Kort overzicht van de strijd gevoerd in de Afgescheiden Kerken tussen 1836 en 1840 over de Kerkgemeenschap en de Kerkorde, bij de fa. Buijten en Schipperheijn zal verschijnen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief