Jezus Christus in het Nieuwe Testament

1974-11-29
  • Jaargang 18
  • nummer 44

RADIO-BIJBELSTUDIE VOOR DE E.O. GEHOUDEN OP 17-7-1974


Er leefde in de tweede helft van de derde eeuw een man Antonius. Hij was rijk en besloot op een gegeven moment al wat hij had te verkopen en gaf de opbrengst aan de armen.
Hij trok de eenzaamheid in, werd de eerste kluizenaar en was in zijn lange leven voor velen tot hulp en troost.
Hij is het voorbeeld geworden voor duizenden, die in vrijwillige armoede gingen leven en meenden op deze wijze Christus te moeten volgen in een leven van meditatie, gebed en dienst betoon.
Antonius kwam tot zijn besluit omdat hij diep onder de indruk was gekomen van de woorden die Jezus eens sprak tot de rijke jongeling. U bent dus een beetje gewaarschuwd, wanneer ik uw aandacht vraag voor Marcus 10 vers 17-27, waar ons dit gesprek wordt verhaald.

In Marcus lezen we dat een man tot Jezus komt, Mattheüs zegt dat het een jongeling was, Lucas spreekt van een overste, alle evangelisten delen ons mee dat de man rijk was.
We krijgen de indruk dat de man bewogen is; hij loopt, beter snelt op de Heiland toe, valt voor hem op de knieën en vraagt: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Hier is een mens, die geen bevrediging vindt in de mogelijkheden, die zijn leven in rijkdom hem biedt, die vraagt naar het eeuwige leven en wie vraagt naar het eeuwige leven vraagt gelijk naar een vrijspraak in het oordeel van God.
Dat klinkt veelbelovend.
Daarom valt het wat tegen dat Jezus een enigszins afwerende houding aanneemt en zegt: Wat noemt gij Mij goed. Niemand is goed dan God alleen.
Waarom weigert de Heiland hier de naam goede Meester.
Er zijn mensen, die haastig de vinger bij deze tekst leggen en zeggen: zie je wel, Jezus wil niet goed genoemd worden, de kerk heeft Hem ten onrechte heilig verklaard; Hij was een mens helemaal als wij.
Het staat voor allen, die niet bij losse bijbelteksten leven, maar de Schrift als het éne, ongedeelde Woord van God aanvaarden, vast, dat Jezus het zondeloze heilige kind Gods was, dit is uit heel wat plaatsen duidelijk.
Blijft de vraag, waarom Hij in dit geval niet goede Meester genoemd wil worden. De Schrift leert ons dat Jezus op aarde kwam als een dienstknecht, niet met een eigen programma, maar met opdrachten van Zijn Vader, die Hij moest volbrengen.
Daarom zegt Hij: niemand is goed dan God alleen, want alleen de Here God maakt uit wat goed is.
Het goede leidt in deze wereld nooit een eigen leven, maar is altijd wat goed is in de ogen van God en beantwoordt aan het doel dat Hij zich gesteld heeft.
Daarom verwijst Jezus de jongeling dan ook naar de geboden.
In zijn wet heeft God gezegd wat goed is en in zijn geboden oefent Hij geen willekeur over de mensen uit. maar die geboden zijn als de poorten naar het beloofde land, waar het leven goed is.
U merkt dat de Heiland, zij het in wat andere volgorde en bewoordingen naar de geboden van de tweede tafel, de liefde tot de naaste verwijst.
Als we de jongeling horen antwoorden: dit alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af, hebben we de neiging om te denken: wat een farizeeër!
Nu is deze jongen zonder twijfel in de leer geweest bij de schriftgeleerden van die dagen. maar wie zal het hem kwalijk nemen dat hij in die tijd hun leer ter harte nam. Zouden we aandrang voelen om de man een huichelaar te noemen, dan keren we haastig op onze schreden terug, als we lezen: Jezus hem aanziende kreeg hem lief.
Daar zullen we goede nota van nemen, dat Jezus deze jongen, die vader en moeder eerde, die de geboden onderhield liefkreeg.
Evenwel, bij alle onderhouding van die geboden, weet hij dat hij er niet is, er is onrust in zijn hart, bij Mattheüs lezen we dat hij vraagt: waarin schiet ik nog te kort.
Zo voor het oog stond deze jongeling, die ernst maakte met Gods geboden, maar gelijk het besef had dat hem iets ontbrak, dat er nog een ander goed moest zijn, dicht bij het koninkrijk.
Het vervolg geeft wat moeiten.
Kinderen kunnen al uit het evangelie weten, dat deze man met zijn vraag wat hij moest doen om het eeuwige leven te beërven op het verkeerde spoor was, want niet door iets te doen, hoe goed ook, maar alleen uit genade ontvangen we het eeuwige leven.
Het is Spurgeon eens overkomen dat iemand op hem toesnelde met ongeveer deze zelfde vraag: Spurgeon antwoordde toen: Man dat is achttien eeuwen geleden al gebeurd op Golgotha.
Van Jezus zouden we antwoord in deze zin verwachten.
Maar zie Hij zegt: één ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat gij hebt, geef het aan de armen en gij zult een schat in de hemel hebben en kom hier en volg Mij.
Wordt hier nu niet de indruk gewekt, dat deze jongeling; door zijn goederen aan de armen te geven zich het eeuwige leven kon verwerven.
Er staat immers: en gij zult een schat in de hemel hebben.
Is het niet te begrijpen dat deze woorden van Jezus misverstanden hebben opgewekt, want deze opdracht van Jezus behoort niet tot het menselijk onmogelijke. Ze hebben de discipelen alles verlaten om Hem te volgen.
Er zijn mensen, die uit humanistische beweegredenen alles wat zij bezaten met anderen gedeeld hebben.
Nu volstond Jezus niet met dit bevel; Hij zei tevens: kom hier en volg Mij, riep hem dus in zijn gemeenschap, daar zou hij wel beter leren.
Maar dit neemt toch die indruk niet weg.
We houden wat moeite, dit is niet erg, dit ligt niet aan Jezus, maar aan ons, die slechts ten dele verstaan en ten dele uitleggen.
De jongeling ging bedroefd heen, want hij had veel goederen.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief