OVER DE VERONTRUSTING (1)
1974-12-06
Op mijn "Ingezonden" in Opbouw van 20 september jl. heeft kollega De Jong gereageerd in hetzelfde en in het volgende nummer. Het leek me toe, dat de zaken waarom het gaat, nog niet geheel doorgesproken zijn. Na overleg met de redaktie kwamen we overeen, dat ik mijn standpunt nog nader uiteen zal zetten, terwijl ds De Jong dan in een dupliek daarop zal ingaan.- Jaargang 18
- nummer 45
Hiermee zal de zaak dan wel afgerond zijn, omdat we een schriftelijke diskussie niet eindeloos kunnen voortzetten, al blijven er mogelijk bij beide partijen vragen zitten.
Met blijdschap namen we kennis van De Jong's betoog waaruit blijkt dat ook hij zeer ernstige kritiek heeft op de moderne theologie, en dat volgens hem bij de studie van de theologie gebed en bijbelstudie een belangrijke plaats moeten innemen. Dit laatste wordt juist zo vaak gemist.
Maar dan komt het toch weer. Er blijft veel onbehagen over de verontrusting.
Voor de keus gesteld tussen nieuwe theologie en verontrusting zou het niet moeilijk zijn, dan heeft de verontrusting duidelijk voorkeur, maar De Jong bewandelt toch liever een “derde" een eigen weg.
Intussen hebben we de indruk overgehouden dat De Jong zich niet voldoende kan inleven in de diepe smart die velen in de syn. gereformeerde kerken hebben.
Men begon daar zo goed. Men moest zich verzetten tegen liberalisme en vrijzinnigheid. Zo ontstonden afscheiding en doleantie.
En wat is er nu over van die kerken.
Waar bleef de eerste liefde?
Is de vrijzinnigheid waartegen men zich eertijds opstelde. niet heel diep binnengedrongen? Het is niet juist, het is eenzijdig, mensen "knorrig" te noemen, die bedroefd en verbijsterd zijn over zulke ontwikkelingen, Het komt er voor ds De Jong voor een groot deel op neer, dat de verontrusten de winst van de vrijmaking gemist hebben. Hij zegt dat overigens op heel sympathieke en bescheiden manier.
Graag wil ik erkennen, dat er uit die kring veel te leren valt. In de dertiger jaren was er een nieuwe bloei; door de studie van velen, onder wie ook meerdere latere vrijgemaakten, werd het inzicht in de Schrift vaak op verrassende wijze verrijkt. Te noemen zijn Schilder en Holwerda, ook A. Janse, terwijl we niet onvermeld mogen laten de studies van S. G. de Graaf en van Dooyeweerd en Vollenhoven.
M.i. lag de winst van de dertiger jaren hierin, dat men weer radikaal christelijk wilde wezen. Vollenhoven kwam in zijn calvinistische wijsbegeerte op tegen elke synthese met het niet-christelijk denken. Zo doorlichtte hij voor ons de kerkgeschiedenis. Zijn geschriften en kolleges waren niet makkelijk, maar volgde je hem, dan kreeg je een schat van inzicht.
Het ging om de radikale heerschappij van Christus. Om de keuze - zonder kompromis voor het Woord van God als enig richtsnoer van ons denken en handelen.
En kijken we nu eens naar "Opbouw" van vandaag, waarin men ook zo grote reserves heeft tegen de verontrusting. We zijn, meen ik vaak, niet altijd, in ons blad door een tamelijk brede kloof van dit radikale standpunt gescheiden.
Als voorbeeld noem ik de al te argeloze opstelling tegenover de C.D.A. bij sommige scribenten.
Ik denk nu ook aan Schilder in de genoemde periode. Hij heeft, juist ook in die tijd, het gevaar van de barthiaanse theologie juist gezien. Scherp heeft Schilder m.i.
onderkend dat de zekerheid en vastheid van het geloof ondermijnd wordt, ook als men met vroom lijkende woorden zegt, dat God toch zijn Woord niet "uit handen geeft", en dat wij daar niet over mogen beschikken.
Te denken is ook aan Schilders felle kritiek op N.S.B. en ook op de C.D.U. Hij wist de wortels van het verkeerde denken bloot te leggen.
En het is de vraag of wij in deze wil doorgaan in de lijn van Schilder. In alle bescheidenheid gezegd, verspelen we zelfde winst van de vrijmaking niet, terwijl we anderen ertoe willen vermanen het niet te doen.
Missen we tegenwoordig niet dat profetische van Schilder, die duidelijk zag waar het fout ging, en vinden we die houding nu juist niet meer bij de gewraakte bladen als Koers en het Reformatorische Dagblad, al zulen we op onderdelen ook wel kritiek mogen hebben op de presentatie van genoemde bladen?
Een enkele opmerking nog over het Schriftgebruik en de Schriftuitlegging van ds De Jong. Ik doe dat, omdat ik deze min of meer kenmerkend vind voor een bepaalde kring. Ds De Jong geeft in interessante en scherpzinnige exegese over Matth. 5: 21 vv. U weet het, het gaat erover, dat niet alleen de daad van de doodslag, maar ook al het schelden en de toorn ons schuldig maakt tegenover God. De Jong's uitlegging is is naar mijn mening net iets tescherpzinnig als hij stelt dat de Here Jezus hierbij wel aan Kaïn en Abel moet hebben gedacht.
Zeker, het kan. Maar moeten we daar nu zulke verstrekkende conclusies aan verbinden. dat we nu niets anders overhouden, temidden van een krom en verdraaid geslacht, dan een persoonlijke ethiek. Volgt dat uit deze tekst?
Het zal wel aan mij liggen, maar ik vind het wat gezocht. En is de bijbel niet gegeven voor eenvoudige gelovigen, die op het eerste gezicht begrijpen wat er bedoeld is. Persoonlijk vind ik de bedoeling van de genoemde perikoop veel duidelijker weergegeven in zondag 40 van de katechismus.
Men beeft in dit verband wel eens gesproken van het spelletje "ik zie. ik zie wat jij niet ziet". Het was niet de eerste de beste, die deze opmerking maakte, nl. Prof.
J. H. Bavinck, die ons zelf met fijnzinnige en diepzinnige Schriftuitlegging gediend heeft. En de opmerking is aan het adres van ds De Jong zeker onverdiend en overdreven. Maar toch vindt men het bij de "vernieuwers" van de dertiger jaren, ook bij Schilder, maar meer nog bij zijn leerlingen.
Er was en is een reëel gevaar, dat men altijd per se iets nieuws wil zeggen, en zo gezocht wordt. Ik dacht, dat het vertrouwen van de verontrusten te winnen zal zijn door eenvoudige, voor de hand liggende bijbelverklaring. De Schrift is rijk genoeg, wij hoeven die niet rijk te maken. Wat anders is. dat wede schatten wel moeten opmerken en opdelven.
Het ging echter bij De Jong's uitweiding over het gedeelte van Mattheus 5. En daarbij legde hij sterke nadruk op het feit, dat we elke bijbeltekst in de konkrete, historische situatie moeten zien.
Daarop moeten we in het volgen de artikel nog nader ingaan.
In dit verband is echter wel het verwijt gemaakt, dat de verontrusten te veel willen vasthouden aan wat onherroepelijk voorbij is.
Tot mijn verbazing werd in dit verband ook genoemd het protest tegen het weglaten van de bede uit de troonrede.
Ook wij willen niet, dat zo iets heiligs als het aanroepen van Gods heerlijke naam als een formaliteit aan een staatsstuk wordt toegevoegd. We mogen dit gebed ook niet handhaven als een mooie traditie. Ook moeten we er oog voor hebben, dat deze bede een zekere weerklank zal moeten vinden bij regering en volksvertegenwoordiging.
En we weten, dat helaas velen van hen - zover wii kunnen oordelen - zonder God leven en geen prijs stellen op zulk een bede.
De grote vraag is echter, of dit doorslaggevend is. We zullen het er toch wel over eens zijn, dat koningen bij de gratie Gods regeren.
En dat we in Nederland ook een rijke historie hebben. Heeft Willem van Oranje dan niet een verbond gesloten met de Potentaat der potentaten? En was dit alleen een privé aangelegenheid, of deed Oranje dit met het oog op de gewetensvrijheid in de Nederlanden, om God te kunnen dienen naar Zijn Woord? Heeft dit dan niets meer te zeggen, en mag in 1974 geen enkele naklank daarvan meer gehoord worden? Moe ten we zo snel kapituleren en zo gauw de sekularisatie als feit erkennen als ds De Jong wil? Doen we de zaak daarmee goed? En bovendien, de overheid is Gods dienaresse, of zij dat nu toegeeft of niet. Zoals ieder mens schuldig is God te dienen, of hij het toegeeft of niet.
En mag men, terwijl er nog een groot deel van ons volk op de bede prijs stelt, in een zekere berusting zeggen, dat we in deze tijd bakens maar verzetten moeten, en ons niet zo druk maken om deze dingen?
Behalve de eis Gods, Die aangebeden wil worden - en die eis is beslissend - is er ook de historische situatie. die pleit voor een handhaving van de bede. De koningin bad trouwens in diezelfde rede, waaruit de slotbede werd weggelaten om de bewaring der toen gegijzelden.
Het is ook opmerkelijk dat in Opbouw van 27 september prof.
Veenhof een heel andere mening bleek te hebben over het weglaten van deze bede.
Als ik het goed proef, heeft men tegen Waarheid en Eenheid, Koers en andere bladen, dat zij zich te veel afzetten tegen wat ze als afval onderkend hebben. Nu kan ik mij niet onttrekken aan de gedachte dat het antithesedenken, dat bij Kuyper en later ook bij Dooyeweerd en ook bij Schilder naar voren kwam, bij ons niet meer zo sterk funktioneert.
Als H. Verwey in zijn boek "De boom der kennis" het door en door gesekulariseerde van de moderne samenleving doorlicht, en de afval van God, het eten van de boom der kennis als schuld aan de kaak stelt. als hij in de geweldige kennisontplooiing in deze tijd toch ook ziet. een duidelijk van God afgewend leven en streven; als hij hier duidelijk demonische invloeden ziet, zijn we wel in een heel ander klimaat dan bij meerdere schrijvers van Opbouw.
Van dit boek "De boom der kennis" gaf J. Bouma een recensie in Opbouw. lk besprak hetzelfde boek in "Visie". Merkwaardig was, dat we in veel opzichten dezelfde kritiek en waardering hadden, maar bij Bouma lag het accent veel sterker op de kritiek.
Wat is het dan? Zijn we in onze kring bezig zelf te "verwereldlijken"?
Staan wij misschien te argeloos tegenover de geest van de tijd, zodat we ook het antithese-denken niet meer zo kunnen plaatsen?
En vanwaar de afkeer tegen het vasthouden aan tradities? Er was vroeger een blad "Oude paden" onder redaktie van de hervormde bondspredikant ds J. J. Knap.
Ook deze titel zal misschien enige aversie oproepen. Toch staat er in de Schrift, Vraag naar de oude paden (Jer. 6: 16) en "zij zijn gestruikeld op hun wegen, de oude paden, door te gaan op paden van een ongebaande weg." (Jer. 18: 15).
Ds De Jong sprak ook over het gedenken, waar de bijbel zo vaak melding van maakt. Betekent dit, dat de heilsfeiten voor ons vandaag meer betekenen dan vroeger, dat het rijker wordt, of moeten we iedere keer weer terugnaar de onuitputtelijke rijkdom van het eenmaal, eens voor goed geschreven Woord? Hier komen we op de zaak van het gezag van de H. Schrift, waarover graag nog iets in een volgend artikel.