TANA MEMA - TANA DAWA
1974-12-06
Naar aanleiding van de bundel "Cultuur als antwoord", verzamelde opstellen van prof. dr L. Onvlee ('s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1973) - Jaargang 18
- nummer 45
(2)
Bij de introductie van ons onderwerp in een vorig nummer kwam naar voren dat dr Onvlee zich meer dan 10 jaar heeft voorbereid op de taak, die hij voor het Nederlands Bijbelgenootschap zou uitvoeren: het vertalen van de Bijbel in het Soembanees.
Waarom zo lang? We kunnen dit verstaan, als we kennisnemen van de hierboven genoemde bundel.
Onvlee heeft uitvoerig studie van de taal gemaakt. In zijn -dissertatie (1925) gaf hij daarvan iets weer: de Soembanese klanken in tekens (letters, lettercombinaties). Verder behandelde hij woordvorm en klankverschijnselen en construeerde grammaticale vormen. Het was praktisch een van-de-grondaf opbouwen van de taalstudie.
Op Soemba waren en zijn namelijk geen geschreven documenten, waaruit geput zou kunnen worden.
Kennis van land en volk, ook van de taal en het taalgebruik kan enkel ontleend worden aan wat men weet te vertellen. Van vader op zoon wordt-deze kennis overgedragen en de "ouden van dagen", die contacten met de geestenwereld onderhouden, zijn meester van de traditie. Ze spreken daarover onder elkaar heel uitvoerig. Die traditie is deel van de adat en beheerst het hele bestaan.
En bij feestelijke gelegenheden zowel als bij andere plechtigheden komen de verhalen. soms uren lang gereciteerd. Dáárin leeft de Soembanees, óók als hij passief luistert en de boodschap-van-het-verleden ondergaat.
In zijn taalstudie ontmoette Onvlee dus de mens, de Soembanees, en hij had grote aandacht voor hem. Hoe is het gedrag van die mens te verklaren? Hoe te komen tot het verstáán van hem, enkeling en groep?
Met veel geduld heeft dr Onvlee geluisterd, gevraagd, getracht in de huid van de Soembanees te kruipen om zijn gedachtengang te kennen.
In een lezing, die in de bundel is opgenomen, zegt hijzelf daarvan het volgende: "Ik mag beginnen met een uitspraak waarover wij het allen eens zullen zijn, dat wij nl. in de culturele antropologie op bepaalde wijze in aanraking komen met de specifieke plaats die de mens in deze natuurlijke wereld inneemt.
Deze specifieke plaats vindt zijn uitdrukking in de specifieke wijze van doen - ook al is dit in aller leven voor een belangrijk deel meedoen - die we cultuur noemen. Hiermede is gezegd dat deze wijze van doen, deze bestaanswijze, als specifiek menselijk zowel universeel menselijk als exclusief menselijk is, d.w.z. geldt voor alle mensen waar en wanneer ook en dat ze geldt voor mensen alleen. (... ) Het is de karakteristieke levensvorm waardoor de mens zich onderscheidt van de andere levende wezens in de natuur. En dus de verbinding tussen cultuur en mens, die de achtergrond vormt van de benaming culturele antropologie, is niet van incidentele maar van wezenlijke aard; deze beide staan in correlatie tot elkaar zodat ik enerzijds kan zeggen: waar cultuur, cultuurproducten, sporen van cultuur, daar mens, maar evenzeer: waar mens, daar cultuur. De relatie tussen beide is van zo fundamentele aard dat mensbeschouwing en cultuurbeschouwing op elkaar zijn betrokken. We komen hier dus in aanraking met een vorm van antropologie, een eigen wijze van benadering van de mens, nl. via de cultuur, een benadering die allereerst via de studie, het onderzoek van vele culturen wordt gerealiseerd." (264/265) Die cultuur vertoont een grote verscheidenheid van vormen: Ieder mens beleeft die "als vanzelfsprekend en is geneigd het eigene als het algemeen geldende te zien, terwijl het daarvan afwijkende als merkwaardig, als opvallend, als vreemd wordt ervaren.
Tal van beoordeling van ver van ons afstaande levensvormen zijn als reactie vanuit de eigen levenswijze te verstaan" (268) en daarom is het geboden heel behoedzaam te werk te gaan.
We moeten beginnen "te trachten elke cultuur van binnenuit te verstaan naar de in die cultuur geldende normen en waarden" (269); dan is duidelijk dat daarin alleen al een verklaring ligt voor de lange studieduur van Onvlee.
Hij illustreert graag zijn (wetenschappelijke) stellingen met voorbeelden en hij zegt dan "Het zou zonder meer dwaasheid zijn wanneer ik in het sumbase woord ama, dat zeker het sumbase equivalent is van ons vader dezelfde inhoud zou leggen die dit woord vader in onze samenleving heeft en op grond daarvan met ama zou gaan opereren alsof ik met vader had te doen." (269) De broers van mijn vader benoem ik op Soembazo zegt hij verder - met hetzelfde woord als mijn vader en diens kinderen zijn dan ook mijn "broers" en "zusters". En dus, wanneer iemand vraagt: wat be tekent vader in het Soembaas? dan moet je zeggen ama, want een ander woord is niet mogelijk.
Maar je moet er op bedacht zijn dat vader en ama niet equivalent zijn. Ik ben in een heel andere wereld terecht gekomen.
Zo betekent tana land, aarde, woongebied. Maar het duidt tevens aan de wereld, waarin we leven. Je 'komt dus plaatsnamen tegen als Tana Rara, Tana Righu.
Maar in verbindingen als Tana Mema betekent het je eigen leefwereld, dangene waar je mee vertrouwd bent, waarin je je thuis gevoelt. Mema is oud. Tana Mema is dus de (oude) wereld van de adat, het eigene van het Soembanese (heidense) leven, dat zich vanuit het verleden voortzet en dat instandgehouden wordt door adat, ritueel.
Tana merna was de wereld, die Onvlee onderzocht, waarin hij wilde doordringen. Want eerst dàn zag hij mogelijkiheden voor vertaling van de Bijbel. Het evangelie van verlossing moet gebracht worden in de situatie van de mens, die je aanspreekt. Dat had Onvlee duidelijk geleerd uit de Schriften. Deed de Here Christus ook niet zó? En trachtten de apostelen dat niet ook te doen?
Het is opmerkelijk hoeveel maal hij gewag maakt van de tekst uit Romeinen 3 : 29. Hij zegt dat dit een merkwaardige uitspraak is, "dat God is een God niet alleen der Joden maar ook van de ethnè, ook van de volken. Dat is geen zakelijke constatering, daarin is uitgesproken een relatie vol dynamische kracht waarin de specifieke bestaanswijze van de mens wordt bewaard in alle relaties waarin het mensenleven is gehecht."
"In dié cultuur is de mens de aangesprokene, de geroepene, die dient te antwoorden met geheel zijn bestaan. Zijn handelen is verantwoordelijk handelen. Er is in alle cultuur iets van gehoorzamen."
(277) "In alle relaties is de mens fundamenteel tweede persoon en het is daarom dat ik meen dat waar we de aard van dit specifiek menselijk doen overdenken het zin heeft te spreken van cultuur als antwoord." (278) Onvlee heeft sterk verlangd dat de Soembanees zich zó in de eigen culturele positie zou openstellen voor het evangelie. Hij moest niet eerst iets uit de Europese cultuur overnemen om zich te kunnen bekeren vàn de afgoden tot de levende God. Want het dienen van de HERE is niet iets wat "uit Europa" afkomstig is. Neen, God is een God voor de volken. Voor ieder volk in het éigene van zijn eigen situatie.
In een volgend artikel hopen we iets van dat eigene te geven.