• De Reformatorische Sociale Academie
1974-12-06
De weigering van de Staatssecretaris van Onderwijs, dr A. Veerman, aan de bovengenoemde Academie subsidie te verlenen heeft heel wat monden en pennen in beweging gebracht. Dat is een goed ding. Want er moet veel meer over het onderwijs, en dan speciaal over het "bijzonder' onderwijs, gesproken en geschreven worden. Want dat "bijzondere" onderwijs raakt hoe langer hoe meer in de knel.- Jaargang 18
- nummer 45
Men weet het: er zijn in ons land twee soorten scholen, “openbare" en "bijzondere". Openbare zijn staatsscholen. Ze gaan uit van en worden geheel bestuurd, ingericht, geleid door de staat, hetzij rijk of gemeente. "Bijzondere" scholen zijn scholen die uit particulier initiatief zijn geboren.
"Bijzondere" scholen zijn per definitie géén "christelijke" scholen.
Ze kunnen ook humanistisch, of socialistisch of liberaal zijn!
Als ik me niet vergis zijn er b.v. "bijzondere' scholen waarin het onderwijssysteem van dr Maria Montessori of van de Anthroposofen in praktijk wordt gebracht.
De christelijke "bijzondere" scholen zijn in de voorbije tijden opgericht, ten koste van- onvoorstelbaar grote offers, door mannen en vrouwen die er van uitgingen dat de school "van de ouders" moest zijn. Dat de ouders van de schoolgaande kinderen volledig en onbelemmerd het karakter van het onderwijs dienden te bepalen.
Dat het onderwijs op de school in harmonie moest zijn met opvoeding thuis.
Na een tachtigjarige strijd is in ons land wettelijk vastgelegd dat de "bijzondere" scholen "gelijkgesteld" zijn met de "openbare" in die zin dat de kosten daarvan geheel voor rekening van de Staat. van rijk of gemeente, komen.
De Staat stelt eisen ten aanzien van de bevoegdheid der onderwijskrachten, de kwaliteit van het onderwijs, de gebouwen enz.
Maar over het principiële karakter van het in "bijzondere" scholen gegeven onderwijs hebben de regeringsinstanties niets te zeggen.
Wel stelt de regering terecht bepaalde eisen ten aanzien van het aantal leerlingen dat een op te richten school zal gaan bezoeken.
Het zou natuurlijk dwaasheid zijn dat ieder groepje ouders als het daar zin in heeft een schooltje in het leven kon roepen die dan door de Staat zou moeten worden gefinancierd.
Ik gaf dit verhaaltje omdat ik tot mijn verbazing gemerkt heb dat velen niet meer weten wat een "bijzondere" school is. Het “bijzondere" ervan is dus dat ze niet door de Staat wordt opgericht en beheerd en dat de instantie waar die van uitgaat - een vereniging of stichting - het principiële karakter daarvan bepaalt.
Na deze inleiding wil ik nog een paar stukken laten afdrukken die over de bovengenoemde academie gaan.
Het eerste is uit het Friesch Dagblad.
Er stond boven: "Tegen het volksinitiatief." En het luidt als volgt:
De heer Veerman, staatssecretaris van onderwijs, is van oordeel, dat de wet hem verbiedt, de Christelijke Sociale Academie te Ede voor subsidie in aanmerking te laten komen.
Wij moeten toegeven, dat hij daarbij sterk staat.
De voorstanders van de staatsschool hadden aanvankelijk één groot bezwaar tegen de mammoetwet. Die wet gaat uit van een scholenplan van staatswege opgesteld. De scholen, die op dat plan voorkomen, kunnen subsidie krijgen. Andere scholen niet. Maar wanneer een ongesubsidieerde school toch, zonder subsidie, tot bloei komt, dan zou zij aan de wet op basis van het leerlingenaantal toch rechten kunnen ontlenen om subsidie te krijgen.
Dat namen de principiële voorstanders van staatsschalen niet. Zij zeiden: op die manier hebben de voorstanders van bijzondere scholen een betere kans dan wij. Zij kunnen uit eigen beurs een vrije school betalen, en dat kunnen wij helaas nóóit.
Wij zijn gehandicapt. Want als wij zp offervaardig zouden zijn om uit eigen beurs een school te stichten, net zo neutraal als een staatsschool.
dan is het tóch nog een bijzondere school, En wij willen principiëel de staatsschool, van staatswege gesticht en betaald, Toen is er doorgedreven. dat deze voorstanders van staatsscholen zouden worden geconcentreerd (gecontenteerd?).
Een vrije school, uit eigen middelen gesticht en onderhouden, zou eerst jaren in de wachtkamer moeten zitten, zonder voor subsidie in aanmerking te komen, omdat men de vrijheid heeft genomen, zo'n school te stichten, zonder dat de staat haar op zijn scholenplan had gezet. Deze bepaling van een verwijzing naar de wachtkamer voor minstens drie jaar, omdat men de stoutigheid heeft gehad. op eigen initiatief en uit eigen middelen zo maar een school te stichten, deze bepaling ten genoege van de voorstanders van de staatsschool en ter belemmering en diskwalificering van het volksinitiatief, is wet geworden.
Wij hebben toentertijd er tegen gewaarschuwd, want het is een slechte zaak. In het leven geroepen om de starre doctrine van de voorstanders van staatsscholen genoegdoening te geven. En nu ziet men, wat de gevolgen zijn. Zij die toen hebben toegegeven, zijn de ware schuldigen.
Zij hebben er aan meegeholpen, de vrijheid van onderwijs zó te beperken, dat de voorstanders van de school van de staat niet behoefden te vrezen, dat het volksinitiatief één kans meer zou hebben dan het initiatief van de staat zèlve.
Zo is dat gekomen.
De heer Veerman is van mening, dat een Gereformeerde Sociale Academie niet past in zijn spreidingsbeleid. Maar dat is vers twee. En die redenering snijdt ook helemaal geen hout. Maar zijn beroep op de wet, die het volksinitiatief welbewust disqualificeert, daarin staat hij sterk.
En het is heel leerzaam voor degenen, die ondanks duidelijke waarschuwingen, toch hebben meegeholpen aan de totstandkoming Van deze bepaling. omdat zij zichzelf en anderen wijsmaakten, dat zulks "voltooiing van de pacificatie" betekende Toen ik mijn artikel van een paar weken geleden schreef stond mij dit alles ook voor ogen. Uiteraard wist ik ook drommels goed dat dr Veerman juridisch zeer sterk stond! Maar het ging mij daarbij vooral om de verklaring dat zo'n school niet paste in het spreidingsbeleid.
Ik heb er op gewezen dat "de Horst" en “de Nijenburgh"
totaal anders geworden zijn dan ze naar de opzet ervan waren. Ik had er de "Jelburg" ook nog bij kunnen noemen! Deze verandering betekent dat de gehele positief-Christelijke, Gereformeerde "volksgroep" geen enkele Sociale Academie meer heeft.
Die zijn hun ontfutseld. En het ligt volkomen in de lijn van de eenmaal tot stand gebrachte, wettelijk vastgelegde "pacificatie" en "gelijkstelling" dat aan deze misstand een eind zou worden gemaakt.
Wat zou het prachtig geweest zijn als dr Veerman een echt-antirevolutionair pleidooi had geleverd om uitgaande van "geest" van de grondwettelijk vastgelegde onderwijspacificatie hier een uitzondering te maken! Om dan eventueel met ere te vallen. Immers: het "staan in de wachtkamer" was zonder twijfel vooral bedoeld om een bewijs te krijgen dat de mensen die een "bijzondere" school begeerden dat meenden; dat 'n grote volksgroep haar draagt en dat er voldoende leerlingen voor zouden zijn. En wat deze drie dingen betreft was in dit geval ruimschoots voldaan!
Intussen: ik ben in een bepaald opzicht blij dat de subsidie niet is verleend. Want een zaak waarvoor men niet offert, waarvoor men geen offers over heeft, lééft niet in de harten en de gebeden van hen die zich daaraan geven.
En de zaak staat inderdaad zo dat als de Academie geen subsidie ontvangt. duidelijk zal worden of het volk dat deze Academie draagt haar waard is! Het niet ontvangen van de subsidie wordt zo een toetssteen daarvan of de oprichting van deze academie inderdaad een "geloofsstuk" is geweest.
Nu schreef het Friesch Dagblad nog iets in verband met de academie dat het overnemen waard is. In een artikel dat tot opschrift heeft "Schuld en boete" wijst het blad er nog eens op dat de staatssecretaris ten onrechte heeft beweerd, dat de subsidie voor de school in Ede niet past in het spreidingsbeleid. "Want er is helemaal geen behoorlijke spreiding van sociale academies. De Nijenburg en De Horst zitten vlak bij elkaar, en zijn van dezelfde kleur." En dan volgt er dit: Maar hier moet een kanttekening worden gemaakt. Enige jaren geleden heeft de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken het initiatief genomen tot stichting van een Gereformeerde Sociale Academie, de Nijenburgh. Later heeft een andere synode goedgevonden, dat die school zou overgaan in handen van een stichting, waar de Gereformeerde Kerken niets meer hebben in te brengen. En toen is de school in de kortste keren geheel van richting veranderd.
Daarom mag met recht en reden de vraag worden gesteld, of de Gereformeerde Kerken, gelet op het verzuim van de synode, niet de zedelijke plicht hebben om diep in de zak te tasten, ten einde te bereiken, dat er een compensatie komt voor wat door eigen schuld is weggewerkt.
Het zou inderdaad prachtig zijn als er van de Gereformeerde Kerken een echt gereformeerde Academie zou uitgaan.
Maar ik zou toch willen vragen: Is er niet een betere oplossing voor het verlies van De Nijenburgh?
Zouden de Geref. Kerken zich niet achter de Academie van Ede kunnen plaatsen. Daarin participeren?
De grondslag van die Academie is precies zoals die van de Geref. Kerken. De Academie heeft nl. als grondslag Gods Woord en vraagt net als de Geref. Kerken van haar ambtsdragers en leden, de hartelijke instemming met de Geref. Confessies. Het zou bovendien prachtig zijn als op in een bepaalde zaak alle gereformeerden eindelijk eens gingen samenwerken.
Ten slotte geef ik hier door wat prof. Herman Ridderbos over deze zaak schreef.
De beslissing van de staatssecretaris van onderwijs Veerman - in de AR partij geen onbekende - om aan de opgerichte Gerei. sociale academie te Ede géén subsidie te verlenen, heeft diepe teleurstelling en veel kwaad bloed veroorzaakt bij degenen die zich voor deze oprichting grote inspanning en financiële offers hebben getroost. Niet onbegrijpelijk en - het kwade bloed nu daar gelaten - ook niet ten onrechte.
Ook in de Kamer is op deze beslissing veel kritiek uitgebracht van de rechterzijde. De staatssecretaris beroept zich op de wet, maar heeft daarmee zijn critici slechts ten dele overtuigd. Het zal stellig waar zijn, dat de stichting van een nieuwe academie moet passen in het algemene (of liever:) regionale beleid van de overheid inzake onderwijsvoorzieningen, anderzijds kan deze benadering, zoals reeds meermalen is opgemerkt, zeer nadelig zijn voor het voortgezet onderwijs op Chr. grondslag. Dit geldt trouwens niet alleen van het onderwijs.
Ook op ander gebied, bijv. van ziekenhuizen en psychiatrische inrichtingen zijn dezelfde gevaren te duchten.
Dat de Geref. sociale academie te Ede in een grote en duidelijke behoefte voorziet kan door niemand meer worden ontkend. Zoals men weet gaat deze academie uit van de rechter flank van de Geref. gezindte, met name van de Gereformeerden in de Herv. Kerk, die zich niet langer tevreden stellen met de geheel in linkse wateren verzeilde Herv. academie "de Horst". Wat men nu verder ook van de nieuwe academie te Ede wil denken, er is een enorme belangstelling voor. Reeds voor de oprichting werd door sympathiesanten meer dan twee miljoen bijeengebracht of toegezegd. Bij de opening meldden zich terstond 150 studenten en men verwacht, dat als de huidige eerste klassen zijn uitgegroeid tot een volledige academie, men op 800 à 1000 studenten kan rekenen. Nu bovendien van het departement een erkenning is afgekomen van het leerplan en aan alle wettige verplichtingen is voldaan is moeilijk in te zien, waarom in ieder geval de eerste drie jaar de lasten nog zullen moeten worden gedragen door het particulier initiatief. Of deze school nu al dan niet past in wat de heren van het departement zich hadoen voorgesteld, er blijkt een overstelpende vraag naar een ander type van sociale academie te bestaan, de nodige organisatie is aanwezig evenals het geestelijke draagvlak; aan alle wetenschappelijke eisen wordt voldaan. Wáárop meet dan gewacht worden? Hier is de vrijheid van Chr. onderwijs zonder meer in geding en zonder te willen suggereren, dat deze opzettelijk wordt tegengewerkt, vraagt men zich toch af welke algemene belangen door de erkenning of subsidiëring van deze school kunnen worden geschaad.
Men zal in Den Haag ook wel weten, dat het bij deze ene Gereformeerde academie niet zal blijven. Er staan nog veel meer mensen te trappelen om een ander soort van sociale academies dan de bestaande. Men kan het toejuichen of bejammeren. Maar als aan bepaalde goed georganiseerde en tot financiële offers bereidwillige delen van de bevolking de mogelijkheid wordt afgesneden om op een gelijkwaardige wijze te delen in wat in Nederland uit de overheidskassen stroomt en golft, is er met de onderwijspacificatie iets mis.
Men kan niet de grote hinderpalen eerst opruimen om dan verder op de weg weer zoveel indirecte belemmeringen aan te brengen, dat de toegangen toch weer geblokkeerd zijn.
Het is te wensen, dat de partijen in de Kamer, die hiervoor oog hebben, waakzaam blijven en op dit punt ontoegeeflijk zullen blijken.