DEZELFDE
1974-01-04
In de brief aan de Hebreeën wordt veel gesproken over Jezus Christus, als de Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. En dat gebeurt dan vooral in vergelijking met het hogepriesterschap naar de wijze van Aäron. Dat is zelfs de hoofdzaak van het onderwerp van deze brief (8 : 1).- Jaargang 18
- nummer 1
Ik dacht dat we dan met recht mochten stellen dat in dit vers van hoofdstuk 13 gezegd wordt dat de Heiland hier op aarde Hogepriester is geweest, dat Hij dat nu nog is en dat Hij als zodanig ook zal weerkomen. Dit Hogepriester zijn van de Heiland niet betrekken in de uitleg van deze tekst vervlakt deze tekst.
Want het spreekt nogal van zelf dat de Heiland altijd Dezelfde blijft.
Hij was hier op aarde Hogepriester.
Offeraar en offer tegelijk. De taak van een hogepriester was offeren, bidden en zegenen. Nu Hij heeft Zijn leven gegeven voor onze zonden als het Lam. Hij heeft gebeden voor de Zijnen en voor Zijn vijanden. Hij is al zegenend rond getrokken, goed doende waar dat nodig en mogelijk was.
Nu, in het heden is Zijn Hogepriesterlijke taak niet afgelopen.
Wél wat betreft het brengen van het offer. Dat heeft Hij eenmaal gedaan. Dat staat vaak in deze brief. En eenmaal heeft dan ook de betekenis van: eens voor goed.
Eens voor altijd. (7 : 26-28; 9 : 12; 10: 10).
Maar Hij blijft Hogepriester in' het bidden voor ons. Hij leeft altijd om voor ons te pleiten. Dat heeft met het offer dat Hij gebracht heeft natuurlijk alles te maken.
Hij bidt voor ons. Vraagt ook om vergeving van onze zonden.
Maar wij hebben niets van ons zelf om op te pleiten. Hij wel. Hij staat in de troon als het Lam, dat geslacht is.
Gods ogen zijn steeds gericht op het offer dat Hij gebracht heeft.
En wie zou er dan eerder verhoord worden van deze Zoon van God. Die om ons mensen en om onze zaligheid gekomen is en Zijn leven heeft gegeven. En dan breekt Zijn priesterlijk werk niet af bij de hemelvaart, maar het wordt voortgezet daarin dat Hij zorg draagt dat de vruchten van Zijn offer ook deel worden voor al degenen, die op Hem hopen.
Daarom blijft Hij ook bidden. De aanklager van de broeders wordt het zwijgen opgelegd (Openb. 12 : 10). En wij hebben een Voorspraak bij de Vader (1 Joh. 2: 1, 2).
De zin van ons bestaan is verbonden met de zin van Zijn bestaan.
Hij is in 1974 Dezelfde als in 33.
De zin van onze tijd en van deze geschiedenis blijft onlosmakelijk verbonden aan de zin van Zijn tijd op aarde en aan Zijn geschiedenis.
Zijn heden is verbonden aan Zijn verleden en dat trekt ons bestaan in een zinvol verband.
Er gebeurt veel in de wereld. Er kan veel gebeuren in één jaar in een mensenleven. Maar het feit dat Hij leeft om de vruchten van Zijn offerwerk tot voltooiing te brengen, kan en mag ons de toekomst vol vertrouwen tegemoet doen zien. Juist als Hogepriester heeft Hij alle macht gekregen in hemel en op aarde.
Er gebeurt veel.
Maar eigenlijk gebeurt er door alle dingen heen, maar één zaak: de oprichting van het koninkrijk.
En zelfs alles wat nu een belemmering schijnt te zijn, zal straks blijken een stuwkracht geweest te zijn. Hij blijft de trouwe en barmhartige Hogepriester, hoe drukkend de toekomst mag schijnen.
Het is uiteraard niet toevallig dat dit rijke troostwoord geklemd staat tussen twee waarschuwingen in. De waarschuwing om de voorgangers (de apostelen) in gedachtenis te houden en de waarschuwing om ons niet te laten meeslepen door allerlei vreemde leringen, met name niet door het Judaïsme, dat in feite een ontkenning is van de volkomenheid van het werk van deze Hogepriester.
We mogen op Gods bescherming hopen, wat zou een mens ons doen. Maar we worden gehouden aan de leer der apostelen.
Zo alleen kunnen we getroost de toekomst tegemoet gaan, als we bereid zijn ons aan de vermaning te onderwerpen.
Welk een lot: 't zij dood of leven,
smaad of eer, mij hier ook wacht
God zal nimmer mij begeven:
ben ik zwak, bij Hem is kracht!
Gunst van mensen, raad van vrinden,
bitt're haat van kwaadgezinden,
hoogte, diepte, vreugd noch rouw,
niets ontrooft mij aan Gods trouw!
Ruwe stormen mogen woeden,
alles om mij heen zij nacht,
God, mijn God, zal mij behoeden,
God houdt voor mijn heil de wacht.
Moet ik lang zijn hulp verbeiden
zijne liefde blijft mij leiden;
door een nacht, hoe zwart, hoe dicht,
voert Hij mij in 't eeuwig licht!