De brief van Jakobus
1974-01-04
Inleiding- Jaargang 18
- nummer 1
In zijn "wij zijn de vaders" (1972) stelt dr C. Rijnsdorp de vraag, of we op weg zijn "naar een Jakobuskerk?"
(p. 84) Er is altijd de neiging geweest om een bepaald type kerk te verbinden aan een bepaald type van de apostelen.
Al heel vroeg waren er de Thomaschristenen in India; na het schisma van 1054 waarbij de kerk uiteen viel in de oosterse kerk en de westerse kerk is vaak de oosterse kerk getypeerd als de Johanneskerk en de westerse kerk als de Petruskerk. Dit vanwege de bij Johannes veronderstelde mystieke inslag en de bij Petrus aangenomen juridische inslag.
De kerk van de Reformatie heeft men wel de Pauluskerk genoemd, omdat de Reformatie zo sterk op Paulus terug greep, met name op zijn brief aan de Romeinen.
De moderne theologie, sociaal bewogen, tegen de structuren, geporteerd voor de revolutie, bepleit voor de toekomst een jacobuskerk.
Het is duidelijk, dat de theologie, die vandaag opgang maakt, zich sterk verwant voelt aan de kerngedachte van de brief van Jakobus: dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit het geloof alleen, maar uit WERKEN. (2: 24) En als dan in de brief van Jakobus bovendien. een sterke controvers openbaar komt tussen rijken en armen (2 : 1-13; 5 : 1-6), dan wordt helemaal duidelijk, waarom deze brief momenteel erg "in" is en een jakobuskerk als ideaal gesteld wordt.
Een belangrijke vraag is nu, of men .de brief van jakobus wel goed leest en verstaat.
En of er inderdaad een zekere tegenstelling is tussen Paulus en Jakobus, zoals telkens weer gezegd wordt, en of "de theologie van de revolutie" jakobus' epistel met recht zo naar zich toe kan halen.
Aan de aktualiteit van deze brief behoeven we inmiddels niet te twijfelen.
De schrijver van de brief
(1 : 1a)
De schrijver dient zich, heel sober, aan als "Jakobus, een dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus" .
Wie is deze Jekobus?
In het N.T. komen 7 mannen voor onder die naam, maar wellicht zijn het er geen 7, wanneer n.l. enkele keren dezelfde persoon bedoeld wordt.
We zetten ze alle zeven toch maar even op een rijtje:
1. Zoon van Zebedëus, broer van Johannes, discipel van Jezus, gedood door Herodes Agrippa, ong. 44 n. Chr. (Matth. 10 : 2)
2. Zoon van Alfëus, discipel van Jezus (Matth. 10 : 3)
3. Broeder van Jezus (Gal. 1 : 19, 1 Kor. 15 : 7)
4. Jak. de Jongere (Mk. 15: 40, 16 : 1)
5. Jak. de vader van Judas (Lk. 6. Jak. de schrijver van de brief.
6 : 16, Hand. 1 : 13)
7. Jak. de broer van Judas (Judas: 1)
1. komt niet in aanmerking vanwege zijn vroege dood.
2, 4 en 5 niet, vanwege hun onbekendheid.
3. komt in Handelingen veelvuldig voor (12 : 17; 15: 13; 21 : 18), neemt duidelijk in de gemeente van Jeruzalem een vooraanstaande plaats in.
Aangenomen mag worden dat 3, 6 en 7 dezelfde zijn.
Al vroeg werd deze Jakobus, de broeder des Heren, dan ook als de schrijver van onze brief aangewezen.
Zijn vooraanstaande positie in de "moedergemeente" verklaart dan tevens de soberheid van zijn zelfaanduiding: dienstknecht van God en van de Heer Jezus Christus.
In Gal. 2 : 9 noemt Paulus (!) Jakobus, Petrus en Johannes "steunpilaren van de gemeente", en het zegt wel wat dat Jakobus als eerste genoemd wordt.
Bij het konflikt over de vraag of men de christenen uit de heidenen nog met de joodse wet moest lastig vallen nam Jakobus een bemiddelend standpunt in, (Hand. 15) waardoor een scheuring voorkomen werd. Voor zich bleef hij de wet van Mozes onderhouden, in zover dat verenigbaar was met het Evangelie, verg. ook Hand. 21.
Om Jakobus heen vormde zich een "kring" (Gal. 2 : 12). Groepsvorming in de kerk is kennelijk een oud kwaad. Het is echter de vraag of Jakobus zelf zo gelukkig was met het optreden van "sommigen" uit zijn kring in Antiocië (Gal. 2: 11-14). Elke "groep" heeft altijd weer zijn gematigde en zijn extreme vleugel.
De eerste lezers van de brief
(1 : 1b) Jakobus richt zich tot "de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn". Op zichzelf kunnen dat alle Joden zijn buiten Palestina.
Maar hij heeft duidelijk christenen op het oog. Toch zou het onjuist zijn om de aanduiding "de 12 stammen" zonder meer voor de christelijke kerk te claimen. Te duidelijk zinspeelt de schrijver op allerlei typisch joodse toestanden, zij het dan wel onder christenen uit de Joden: hij spreekt over het komen in de synagoge (2 : 2), over vroeger en spade regen (5: 7), over typisch joodse ondeugden, als lichtvaardig eedzweren (5 :12), zonde met de tong (3 : 1-12), twist (34 : 1 e.v.), praatgeloof (2: 14 e.v.).
Hij schrijft dus kennelijk aan joden-christenen, die ten gevolge van de vervolging verstrooid zijn tot buiten Palestina en b.v. zouden kunnen wonen op het platteland in Syrië; 5: 7 zou op een streek van akkerbouw kunnen wijzen, Dat de joden-christenen zich beschouwden als het ware Israël, omdat zij de Messias hebben herkend en aangenomen in Jezus Christus, hoeft ons niet te verbazen.
De tijd waarop de brief geschreven werd
Daarover vinden we in de brief zelf geen enkele aanwijzing. Maar als we aannemen dat de broeder des Heren de schrijver is, dan kunnen we toch wel ongeveer de tijd van ontstaan benaderen. Er is een oud verhaal over het einde van deze .Jakobus, waarin waarheid en legende dooreen gemengd zijn. Volgens dat verhaal (van Hegesippus, 2e helft 2e eeuw, te vinden in de kerkgeschiedenis van Eusebius) stond J. in hoog aanzien bij het hele volk, wegens zijn onderhouden van de wet. Hij bad gedurig voor de bekering van Israël.
Men gaf hem de erenaam van "de rechtvaardige". Toen bij een vervolging ook J. gegrepen werd en men hem. op de tinne des tempels bracht om vandaar voor het saamgestroomde volk tegen de naam van Jezus te getuigen, sprak hij van de macht van de Heer en van zijn wederkomen op de wolken des hemels. Daarop wierp men hem naar beneden en stenigde hem. Toen kort daarna de oorlog met Rome uitbrak, die aan stad en tempel een einde maakte (70 n. Chr.), werd dit beschouwd als een straf voor de moord. In ieder geval zal onze brief gedateerd moeten worden ergens tussen 60 en 70 na Christus, en daarmee is ze waarschijnlijk het eerste en oudste boek van het N.T.
De boodschap van deze brief
Jakobus, een broeder van Jezus, - dit brengt ons op Luk. 8 : 19-21. We lezen daar dat de moeder en broers van Jezus proberen Hem te spreken te krijgen. Als dat niet lukt sturen ze Hem een boodschap.
Daar reageert Jezus op met de vraag: Wie zijn mijn moeder en mijn broers? En Hij geeft zelf het veelzeggende antwoord: dat zijn allen, die het Woord Gods horen en doen.
Dat antwoord van Jezus zal Jakobus wel nooit zijn vergeten.
Horen en doen! Gods Woord horen en doen!
Dat heeft .Jakobus niet van rabbijnen en schriftgeleerden geleerd.
maar van zijn Broeder Jezus.
Gods Woord, uit de mond van Christus horen en doen,dat is Jakobus' bekering geworden en tevens de boodschap van zijn brief. Zo werd een broer van Jezus een ware broeder van Christus.
U kunt het nog merken aan de aanhef van zijn brief.
Hij verheft zich niet op zijn verwantschap met Jezus. Hij dient zich niet aan als broer van Jezus, alsof hem dat meer gezag zou verlenen, neen, ootmoedig noemt hij zich een dienstknecht van de Heer. Het horen en doen van Gods Woord bracht hem aan de voeten van de Heer, en het is in Zijn dienst dat J. zijn brief schrijft en de gemeente leert wat hij zelf geleerd heeft: Gods Woord horen EN doen. Daders-des- Woords zijn (1 : 22).
Onze tijd vraagt, - en dat terecht! -, om geloof, dat op heterdaad betrapt wordt.
Vreemde vreugde
(1 : 2, 3, 4) We vinden het maar een vreemd soort vreugde, waar Jakobus het over heeft: om in allerlei beproevingen te vallen (beter: er onverhoeds in terecht komt). Bijna alle nieuwere vertalingen hebben: beproeving.
In elke beproeving ligt een verzoeking en elke verzoeking is een beproeving. Het grieks heeft er dan ook één en hetzelfde woord voor. Hoe men het telkens vertaalt hangt van het verband af.
Maar vanwaar die vreugde?
Die is er uiteraard wanneer ons geloof de proef doorstaan heeft.
Dat geeft de christen moed en blijdschap. Is je geloof eenmaal beproefd gebleken, dan neemt je geloofskracht toe, om ook de volgende keer stand te houden. Beproefdheid werkt volharding uit.
Niet toegeven. Niet wegzakken.
Staan blijven. Je zelf blijven als kind van God. Je harden: dat is een heel stuk van de vol-harding.
Training. Slappelingen vallen door de mand. Toegeeflijken blijven nergens. Geharden volharden.
Daar zit een machtig stuk vreugde in!
Maar dan bén je er nog niet. Want de volharding wordt ook weer aangevochten. Blijf echter standhouden, want zo wordt u tenslotte een integer mens, die in niets tekort schiet.
Als je je leven lang nooit iets anders gehoord hebt dan het ontmoedigde geplaat van: onbekwaam tot enig goed – geneigd tot alle kwaad - een miezerig klein beginseitje van nieuwe gehoorzaamheid - we zijn en blijven toch maar zondige mensendan schrik je je gewoon naar als Jakobus de bazuin aan de mond zet, en midden in dat suffe en muffe lijdelijke gedoe machtige woorden uit stoot: jezelf als christen waarmaken - volhouden - overeind blijven staan - niet door de knieën gaan - doorzetten - volkomen worden - onberispelijk zijn - in niets tekort schieten ... !
Geen wonder dat Luther dacht: daar gáát het Evangelie van: behouden-worden-door-genade-alleen. En dat hij niet veel ophad met de brief van Jakobus.
Is Jakobus geen gevaarlijke aktivist?
Aktiviteit - passivist, - dat is een verkeerd dilemma.
De biibelse tegenstelling is: aktiviteit van het vlees - aktiviteit van de Geest.
Vleseliike aktiviteit - geloofsaktiviteit.
Het levende geloof kan per definitie nooit passief ziin.
.Jakobus wijst ons de weg van de vreugde van het geloof.
Wat een naar gezicht: christenen met van die doorgezakte figuren.
Geen vaste gang. Geen blij gezicht.
Gaan van nederlaag tot nederlaag steeds voort. Dat frustreert je zelfvertrouwen als christen.
Maar wat een geweldige ervaring, als je er met Gods hulp doorheen komt en je weet wat je aan ‘t geloof hebt en wat je aan God hebt!
En hoe zwaarder de proef was, des te groter de vreugde. Als het zweet in je handen gestaan heeft en je bent toch niet bezweken!
Vreemde vreugde? Wondere vreugde!