AANVAARDING

1974-01-04
  • Jaargang 18
  • nummer 1
De gezinnen, die geconfronteerd worden met de komst, het bezit van een gehandicapt kind, zullen daarop - ieder gezin op een eigen wijze - reageren.
Of het voor ouders die geloven in een God die het leven leidt, gemakkelijker te verwerken is dat ze een geestelijk gehandicapt kindje krijgen, dan voor hen die tot nu toe zonder geloof door het leven zijn gegaan, is niet te bepalen; een feit is echter dat voor alle ouders, op het moment dat ze ontdekken dat hun kindje "anders" is, hun toekomstverwachtingen veranderd moeten worden, hun idealen in puin vallen, hun levenspatroon verstoord lijkt te zijn.
De situatie zal in ieder gezin anders zijn, omdat de graad van de afwijking (is het kindje debiel of bijvoorbeeld imbecil), de samenstelling van het gezin, het milieu waarin dit zich bevindt van belang is, terwijl ook de plaatselijke omstandigheden (zijn er ouderverenigingen of andere hulpbronnen aanwezig) een rol spelen.
Maar toch moeten alle ouders een innerlijke strijd doormaken. De vraag is of ze de slag zullen verwerken of dat ze verbitterd zullen raken.

* Angst- en schuldgevoelens kunnen een rol spelen. Beide ouders zoeken naar mogelijke oorzaken van het "anders-zijn" van hun kind. Stilzwijgende verwijten kunnen er dan de oorzaak van zijn dat de ouders uit elkaar groeien.

* Ook kan het zijn dat een kind lijdzaam wordt aanvaard: "God wil dat wij dit kind krijgen, dus moet het maar leven". De strijd wordt door de ouders niet aangebonden, het lot, dat haast fatalistisch als een soort noodlot wordt gezien, wordt aanvaard.

* Andere ouders komen echter, naar het schijnt, in het geheel niet tot aanvaarding. Ze ontkennen het bestaan van de afwijking door zichzelf een rad voor ogen te draaien. Ze handhaven een normaal verwach tingspa troon, waardoor het kind gevoelsmatig wel te kort móét komen, en daarop reageert door bedplassen, angst en agressie.

* Toch zijn er ook ouders, die na een lange strijd het kind aanvaarden.
Dat dit niet gemakkelijk is, bewijst Dr Van der Hoeven in zijn boek "Scheel Engeltje", waarin hij zegt: "De Ploeger had een diepe voor gesneden in onze ziel."
Wanneer de ouders een deel van de strijd gestreden hebben, door het kind te aanvaarden, komt de volgende stap: het verder gaan, mèt het kind, terwijl ze leren hun vertrouwen in de toekomst te stellen, hoè somber die in hun ogen ook mag zijn. In die toekomst zullen ze steeds opnieuw voor de keus staan: accepteren we ons kind of kunnen we dit niet? Dit geldt bijvoorbeeld bij het gaan van het kind naar een kleuterdagverblijf, blo-school, of wanneer er sprake is van uithuisplaatsing of verandering van werkvoorziening.
Iemand heeft eens gezegd dat men in plaats van het woord "aanvaarding" het woord "toegenegenheid"
zou moeten gebruiken, omdat dit woord impliceert dat men zich, behalve het "toegenegen zijn" ook kan afwenden van het kind, juist omdat de keus niet eenmalig is in het leven van de ouders.

• AANVAARDING EN GEZIN

Door de komst van een geestelijk gehandicapt kind kan de gezinsharmonie verstoord worden.
Extra aandacht is nodig voor de speciale aanpak die dit kind vergt, in de opvoedingsproblematiek.
Twee sleutelwoorden spelen gedurende de tijd dat het kind bij de ouders is, een belangrijke rol: regulatie en tolerantie.

* Regulatie

Wanneer er eisen aan het kind worden gesteld, moeten die gereguleerd worden, liggen binnen de - beperkte - mogelijkheden van het kind. De ouders moeten zich dáárop richten, en hun eisen niet te hoog stellen.

* Tolerantie

Iets dat iedere dag opnieuw aan de ouders zal worden gevraagd: proberen geduld op te brengen het kind te begeleiden, al vertoont het ongewenst gedrag.
Sámen zullen de ouders proberen te vechten tegen gevoelens van machteloosheid en moedeloosheid, die hen kunnen overvallen, die soms ten onrechte als schuldgevoelens worden aangezien.
Juist in de eerste tijd dat het kindje aanwezig is, zullen er veel eisen worden gesteld aan de liefde van de ouders voor elkaar.
Juist omdat ze elkaar willen sparen, wordt niet alles uitgesproken, wat hen bezwaart. De spanningen kunnen dan toenemen.
Het kind vraagt door zijn gebrek veel zorg en toewijding; vader alleen of moeder alleen kan die niet opbrengen. Hier geldt zonder enige twijfel: "Gedeelde smart is halve smart".
Bij een hechte verbondenheid kan de band tussen de ouders nog worden versterkt, en de werkelijkheid beter worden aanvaard.

* De Buitenstaanders

Thuisgekomen van zijn werk, kan de vader teleurgesteld zijn dat alle aandacht van de moeder op "het kind" wordt gericht. Doordat de vader in deze tijd minder snel zijn vrienden opzoekt, wordt de vriendenkring langzaam kleiner.
Wanneer de moeder dit onderkent, kan de gezinsharmonie hersteld worden, door behalve aan haar zorgenkind ook aan haar man en de eventuele kinderen haar aandacht te schenken, hetgeen het geestelijk gehandicapte kind ten goede komt; daar het vóór alles behoefte heeft aan een gevoel van veilige geborgenheid.
De moeder is dagelijks aan huis gebonden en heeft, wanneer ze naar buiten gaat, de angst voor buitenstaanders, die haar, vooral in het begin van de confrontatie, indringers lijken in haar leven.
De moeder van Aat van der Hoeven, uit het bovengenoemde boek, zegt hierover dat "op onze levensakker tranen vallen, door harde ongevoeligheid van de wereld, een gewond moederhart vlucht naar huis als mensen zeggen: "Wat een stakker", enzovoort; woorden die haar haar kind met de ogen van een buitenstaander doen bekijken'.' Toch leven deze ouders met hun kind in een gemeenschap, en in die gemeenschap zullen de ouders een plaats moeten klaarmaken voor hun kind. De gemeenschap leren, dat hun kind erbij hoort.
Zij zullen, mèt hun kind, een brug moeten slaan naar de ander, opdat die een kans krijgt om te helpen.
Veel mensen menen dan die kans te moeten aangrijpen om troostwoorden uit te spreken. Omdat ze echter vaak met het probleem "geestelijk gehandicapt" geen raad weten, gebruiken zij woorden, met een inhoud, waarvan zij de draagwijdte niet kunnen overzien.
Ze vragen zich b.v. af waarom een moeder haar kind straft, terwijl "het toch al zoveel mist ... "
of vertellen de ouders maar niet op een feest te hebben uitgenodigd, omdat "jullie door zo'n handenbindertje toch niet weg konden".
Gelukkig zijn er anderen, die vol mededogen en zorg zijn. Mensen die door slechts een blik of handdruk echte troosters zijn geworden.
Vaak zijn dit mensen die zelf leed doorgemaakt hebben, en er bovenuit zijn gekomen, ermee hebben leren leven.
Frederik van Eeden schreef eens:
"Kon ik altijd geloven wat ik weet:
dat er geen heil wordt zonder smart geboren,
dat er geen hart zal worden uitverkoren
dat niet verging in vlam van eigen leed."

• AANVAARDING DOOR BROERTJES EN ZUSJES

De manier waarop de ouders het geestelijk gehandicapte kind aanvaarden, vindt zijn weerslag op de broertjes en zusjes, in hun houding ten opzichte van dat kind.
Zoals de ouders het kind aanvaarden, wordt het over 't algemeen ook door de broertjes en zusjes aanvaard.
De gezinsopbouw speelt hierbij eveneens een rol: is het kind de oudste, de middelste of de jongste van een aantal kinderen?

* De oudste. Deze hoort de wijste te zijn, maar is dat niet, waardoor hij een onnatuurlijke plaats in het gezin inneemt.
Een punt van zorg voor de ouders kan zijn dat de jongere kinderen de oudste nabootsen of zich met deze gaan identificeren.
Langzaamaan echter komen de jongere kinderen vooruit bij dit kind. In de fase dat de groep leeftijdsgenoten een rol gaat spelen, gaat het probleemkind opvallen.
Dit kan soms schaamtegevoelens teweeg brengen bij de broertjes en zusjes; hoe de ouders deze kinderen opvangen, of ze een gesprek aandurven over de oudste, kan van zeer groot belang zijn.

* Datzelfde geldt voor de broertjes eh zusjes, die (in leeftijd weinig verschillend) naast het geestelijk gehandicapte kind leven.
Hoe zullen zij het ervaren dat de moeder soms meer aandacht aan dat kindje schenkt dan aan hen?
Wanneer de ouders tijdig hun kinderen inlichten over het "anders-zijn" van hun broertje of zusje, voorkomen ze de valse gêne die kan spelen ten opzichte van de vriendjes.

* De jongste: Wanneer het zorgenkindje daarentegen een nakomertje is, dan hebben de oudere broers en zusters zich - hopelijk - mee-verheugd op de komst van de baby, en zijn - met de ouders - mee-teleurgesteld. Meestal ziet men het gebeuren dat de geestelijk gehandicapte vanaf het begin het voorwerp van hun bescherming wordt. Vaak kan in zo'n gezin het nakomertje een "kleintje" blijven, waardoor het gevaar van verwenning ontstaat, omdat iedereen over het kindje "moedert".
Wanneer de oudere kinderen trouwen of het huis uit gaan, blijven de ouders over met een kind dat nog "een baby" is.
Misschien extreem door mij uitgedrukt, maar het gevaar ligt in dergelijke situaties opgesloten.
Daarom ben ik van mening dat de geestelijk gehandicapten zoveel mogelijk tot zelfstandigheid moeten worden gebracht, voorzover dat bij hen mogelijk is.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief