PSALM 124
1974-01-18
- Jaargang 18
- nummer 3
Lied van de optocht
Gelukkig dat de Israëlieten destijds geen portables en/of transistorradio's kenden! Deze vorm van passief vermaak maakt meestal een drastisch einde aan de actieve creativiteit. Het "zingt den HERE een nieuw lied" zou nauwelijkt weerklank hebben gevonden.
Nu laat zich terecht de vraag stellen, of Ps. 124 wel een nieuw lied is. In de hebreeuwse bijbel luidt het opschrift (in de gangbare vertaling): van David. Op zichzelf genomen is het natuurlijk best mogelijk, dat Israël tijdens de "optocht" van Babel naar Kanaän naar een oude psalmbundel greep. Niet voor niets trokken óók zangers en speellieden mee.
Daar staat tegenover dat de griekse vertaling, de Septuagint dit opschrift niet heeft. Bovendien - en dat weegt nog zwaarder - het taalgebruik, of liever het slijten van de taal, komt ook in deze psalm naar voren. Daarom houden we ons liever aan een datering tijdens de terugtocht uit de ballingschap.
Uittocht en schepping
Jaren geleden bracht dr D. Holwerda een discussie op gang over de vraag: "Wat betekent de term GRONDLEGGING DER WERELD in het Nieuwe Testament?", oorspronkelijk vijf artikelen in "De Reformatie" (jrg. 30, nrs. 41-45), later gebundeld verschenen bij Boersma, Enschede.
In antwoord op een vijftal reacties verscheen daarna, in 1958, bij dezelfde uitgever een brochure van 175 pagina's onder de dubbele titel: DE GRONDLEGGING DER WERELD - ZAG ISRAËL ZIJN UITTOCHT ALS SCHEPPING?
Helaas is de discussie sindsdien vrijwel verzand. Maar wie er op let, merkt telkens weer welke grote rol de uittocht uit Egypte in Israëls godsdienstige beleving speelde. Op grond daarvan is het niet al te gewaagd te veronderstellen, dat dit oude motief ook zal opduiken bij de uittocht uit Babel. Een vervlechting ligt voor de hand.
Opvallend is in elk geval, dat tot driemaal toe in de liederen hammaäloth verwezen wordt naar de HEERE "die hemel en aarde gemaakt heeft" (Ps. 121, 124, 134).
Gods scheppersmacht is in Israëls geloofsbeleving, ook tijdens de uittocht, functioneel. Zijn verlossingsdaden doen denken aan zijn scheppingsdaden.
Voor wat Ps. 124 betreft valt dan ook nog te noteren dat er misschien een verdergaande parallel met de uittocht uit Egypte valt te trekken.
Het beeld van het dreigende water (Schelfzee) duikt op, evenals het beeld van de strik des vogelvangers, in Ps. 91: 3 de parallel van "de verderfelijke aanslag" die de farao pleegde op Israël in het land Gosen - herinnering aan Ex. 1. De psalm besluit dan met een verwijzing naar Gods scheppersmacht.
Is aan die macht niet Israëls voortbestaan, Israëls leven te danken?
De menselijke draak
't Lijkt wel duidelijk, dat levieten en priesters Israël aansporen in te stemmen met hun loflied: " ... zegge nu Israël." Dat loflied bevat enerzijds over elkaar buitelende beelden, anderzijds spreekt het heel concreet van "mensen die tegen ons opstonden". Eén punt staat dus vast: de uitgebeelde ellende komt van de kant van ménsen, en zij treft Israël als volk.
De toorn van deze mensen ontbrandde: zij Liepen rood aan, werden gloeiend nijdig (ging 't bij de uittocht uit Egypte niet precies zo?).
Dit wordt nader aangeduid in twee beelden:
a. zij hadden ons levend verslonden;
b. wateren hadden ons overstroomd.
Beginnend bij het laatste, zien we voor ogen het watergeweld van bijv. een bergstroom, een woeste bandjir, die alles en allen met zich meesleurt.
Geen vreemd beeld voor een bergachtige woestijn.
Water is in de H.S. soms het beeld van een Gode vijandige macht (ps. 104: 6-8), soms verbonden met Rahab, een watermonster, dat door God aan banden wordt gelegd (Job 26 : 12), net als Leviathan. Veelzeggend is Jer. 51 : 34 in dit verband: verslonden, vernield heeft mij Nebukadnezar... hij heeft mij ingeslokt als een draak.
De combinatie van beelden is o.i. daarom niet zo vreemd als het op het eerste gezicht wel lijkt. Bij een watermonster kan men heel gereed denken aan "levend verslinden" en "ten buit voor hun tanden" (resp. vs. 3 en 6).
Onder dit beeld worden getekend de nijdige vijanden van God en Zijn volk, mensen die tegen Israël opstaan, omdat zij Gods (her)-scheppend werk willen tegenstaan.
Zij gunnen Israël het leven (ziel, vs 7) niet (vgl. Jes. 9: 11; Ps. 79: 7).
Egypte en Babel op één lijn
Het heeft voor Israël gespannen.
De toorn van mensen, ongelimiteerd, niets ontziend, onder het beeld van een gruwelijke, alles verslindende draak, illustreert, maar al te duidelijk Israëls precaire positie.
't Zijn mensen - accoord. Maar wat heeft Israël daar tegenover te stellen?
Israëls geestelijke leiders dringen het volk tot de belijdenis: ware het niet de HERE ...
Wat deed Israëls God?
Hij was met hen (vgl. Ex. 3 : 12).
Hij gaf hen niet over ten buit aan hun tanden, Hij brak de strik van de vogelvanger.
't Laatste beeld, zoals gezegd, komt duidelijk overeen met dat van Ps. 91 : 3 - 't klapnet tekent de hulpeloosheid en de dreigende dood. Maar God verloste Israël uit farao's macht. 't Is geen wonder dat Israël de verlossing uit Egypte en Babel op één lijn ziet liggen (Jer. 16: 14, 15; 23: 7, 8).
De decaloog, het verbondsdocument kan zijn proloog variëren naar gelang van Gods menigvuldige verlossingen - de dichter van Ps. 116 weet er (vers 12) alles van!
En mag Israël niet blijvend terugvallen op de belofte van Ps. 91 (vs 15)? Er staat toch niet voor niets in het heilsgeschiedenisboek geschreven: roept hij (Israël) Mij aan, Ik zal hem (met-ter-daad) antwoorden; Ik zal in de benauwdheid bij hem zijn!
Van schepping tot herschepping
In Ps 124 wordt met geen woord Babel. Een vervlechting ligt voor de hand.
Opvallend is in elk geval, dat tot driemaal toe in de liederen hammaäloth verwezen wordt naar de HEERE "die hemel en aarde gemaakt heeft" (Ps. 121, 124, 134).
Gods scheppersmacht is in Israëls geloofsbeleving, ook tijdens de uittocht, functioneel. Zijn verlossingsdaden doen denken aan zijn scheppingsdaden.
Voor wat Ps. 124 betreft valt dan ook nog te noteren dat er misschien een verdergaande parallel met de uittocht uit Egypte valt te trekken.
Het beeld van het dreigende water (Schelfzee) duikt op, evenals het beeld van de strik des vogelvangers, in Ps. 91: 3 .de parallel van "de verderfelijke aanslag" die de farao pleegde op Israël in het land Gosen - herinnering aan Ex. 1. De psalm besluit dan met een verwijzing naar Gods scheppersmacht.
Is aan die macht niet Israëls voortbestaan, Israëls leven te danken?
De menselijke draak 't Lijkt wel duidelijk, dat levieten en priesters Israël aansporen in te stemmen met hun loflied: " ... zegge nu Israël." Dat loflied bevat enerzijds over elkaar buitelende beelden, anderzijds spreekt het heel concreet van "mensen die tegen ons opstonden". Eén punt staat dus vast: de uitgebeelde ellende komt van de kant van ménsen, en zij treft Israël als volk.
De toorn van deze mensen ontbrandde: zij Liepen rood aan, werden gloeiend nijdig (ging 't bij de uittocht uit Egypte niet precies zo?).
Dit wordt nader aangeduid in twee beelden: a. zij hadden ons levend verslonden; b. wateren hadden ons overstroomd.
Beginnend bij het laatste, zien we voor ogen het watergeweld van bijv. een bergstroom, een woeste bandjir, die alles en allen met , zich meesleurt.
Geen vreemd beeld voor een gerept van Israëls schuld, zonde.
Dat is een hoofdstuk apart, dat is een ander liedje (Ps. 130). Haggaï en Zacharia, Ezra en Nehemia zullen daar het hunne wel van zeggen, te zijner tijd.
Er zijn ook momenten waarop Gods volk alleen maar vervuld is van ontzag voor Gods majesteitelijke grootheid - Psalm 124 is er een sprekend voorbeeld van.
Hoe is 't mogelijk dat de gestrikte vogel toch nog ontkomt?
De dreiging van het monster, de draak (niet voor niets duikt dat beeld ook in Openbaringen op alweer in samenhang met een dreigende waterstroom, Op. 2 : 13-17) is ontstellend groot wie is daar tegen opgewassen?
Maar zo klein als de mens is, zo groot is Israëls God: onze hulp is in de naam des HEREN, die hemel en aarde gemaakt heeft. Met die naam keerde David zich tegen Goliath (1 Sam. 17: 45).
Gelukkig als mensen Gods schepping niet bezien als een theoretisch vraagstuk, maar uit Gods macht het wapen smeden, waarmee zij zich tegen hun en Gods vijanden keren.
Dan liggen schepping, onderhouding en bewaring in één lijnde lijn van Gen. 1 tot Op. 22 !
Een dóórgaande lijn.