Mensen, Geld en Macht
1974-01-18
Is het waar dat geld de wereld regeert? Is het waar dat kennis macht is? Wie oppervlakkig de krachtmetingen in de geld- en zakenwereld beziet zou het denken. Maar het televisiespel De President-Directeur, onlangs voor de TROS gespeeld, laat vermoeden dat de zaken toch wat anders liggen.- Jaargang 18
- nummer 3
Dat oorspronkelijk drama is een debuut van de Nederlandse auteur Richard Hendrikx. Een knap debuut. Wie iets van de geldwereld afweet (en wie weet dat niet?) voelt zich erbij betrokken. Want al waren sommige details misschien technisch aanvechtbaar, of al te zeer uit het Amerikaans "vertaald" - de schrijver heeft zich terdege georiënteerd.
Het spel is als volgt. Een middelgrote bank in Amsterdam wordt geleid dooreen directorium van vier: een handige carrièrejager, een zwakke firmant uit de oorspronkelijke familiezaak, een begaafde jonge directeur (37) en een president-directeur (58), die de lakens uitdeelt.
Vooralsnog. Hij is weliswaar de enige, die op het klassieke, harde bankierstype lijkt; maar hij verliest de greep, omdat hij de moderne tijd niet flexibel pareert. Van de jongeren is de carrièrejager een gewetenloze opportunist; de firmant is goedhartig en daarom zwak; de jongste is de enige, die zijn tijd verstaat, de moderne mogelijkheden aanvaardt en daarmee zijn bank vooruit zou kunnen brengen. Bovendien is de jongste ambitieus, begaafd en eerlijk.
Dat blijkt in de eerste fase. De bank wordt geconfronteerd met de problemen van de tijd: algemene schaalvergroting, welke kleine banken al gauw te klein maakt; inflatie, welke een straf op het sparen betekent en de cliënten van de bank vervreemdt; de moordende concurrentie, die kleine banken opkoopt of afmaakt; de algemene jacht op depositogelden, welke basis zijn voor de credietverlening: groeikans en winstbron van elke bank.
De jongste directeur ziet een knappe oplossing: spaarders en deposanten medezeggenschap geven door samenwerking met de Nationale Giro (NG), een semie-overheidsdienst. (U denke niet aan de PCGD, die vandaag de bondsspaarbanken tracht te strikken. Al speelt het drama in Nederlands speeltuin, er is geen enkel Nederlands bedrijf mee bedoeld.) De president-directeur veegt de voorstellen van de jongste van tafel.
Zijn grimmig conservatisme zegt neen tegen alles wat jeugdig en modern en onbeproefd is. De mening der beide andere directeuren komt nauwelijks aan bod. De weerstand van de oudste wakkert het enthousiasme van de jongste aan. Hij ziet mogelijkheden in samenwerking met de NG: enkele miljarden Nederlands kapitaal zou binnen het bereik van de bank komen. Concurrentie zou worden afgeslagen, toekomstgroei verzekerd zijn; de middelgrote bank zal een grote bank worden en de andere banken een kostbaar monopolie afsnoepen. De jongste weet wat hij zegt, want hij heeft al met zijn vriend van de NG gesproken. Die is wel "in" voor samenwerking.
De president-directeur is tegen alle samenwerking met vreemde instanties, tegen inspraak, tegen medezeggenschap van de cliënten; vooral tegen fusie en helemaal tegen fusie met een semie-overheidsorgaan.
Hij verbiedt zijn jongste collega elk verder zakelijk contact met de bevriende NG-directie. Door hem tijdelijk zijn secretaresse te "lenen" laat hij hem zelfs bespionneren. Waarbij al gauw gemeld wordt, dat de jongste toch met zijn NG-vriend heeft gebeld; zij het om een betere secretaresse te vinden.
De NG~vriend heeft onze jongste bankdirecteur naar een CC verwezen, een uitzendbureau of zo iets. Maar die CC blijkt een computer-centrale te zijn. Of zo iets. De intelligente vlegel, die de CC dirigeert, zoekt per computer een geschikte secretaresse voor hem uit. En de kwaliteiten van deze jonge dame blijken inderdaad indrukwekkend te zijn. Maar en passant laat de computor de jonge directeur even zien: hoezeer zijn president-directeur aan het verouderen is, te kort schiet voor zijn taken, de boot mist en de bank naar de ondergang leidt.
Meteen wordt hem duidelijk gemaakt, dat het hoog tijd wordt dat hijzelf op de presidentsstcel komt te zitten; en dat zijn geniale idee de bank nu nog kan redden. Maar de gewetenloze techniek om de president te wippen en zijn zetel te veroveren stuit de jongeman tegen de borst. Hij verlaat het computer-centrum woedend.
Zijn nieuwe geselecteerde secretaresse blijkt een duidelijke taakopvatting te bezitten. Ze verbluft door haar organisatie, doorzetting, brutaliteit en handigheid. Haar hoofddoel schijnt te zijn: haar baas zo snel mogelijk op de stoel van "die oude zak" te krijgen. Ze ontdekt dat haar baas wordt afgeluisterd en gefilmd en zet een keurige tegenspionnage in.
Bij het tweede gesprek met de CC-manager weet de jonge bankdirecteur alleen "maffia" te zeggen tegen de gemene onderwereld-methoden, welke hem getoond worden. Bij hem heiligt het doel de middelen niet. De CC heeft opnieuw de president doorgelicht, in binnen- en buitenland gevolgd. De CC biedt haar diensten aan, om de bank van een nieuwe, jongere en betere president-directeur te voorzien. Elke dienst is mogelijk bij de CC; elke dienst is betaalbaar. Maar, hoewel de jongste in stijgende mate botsingen met de president heeft, gaat hij hier niet op in.
Die botsingen mogen er overigens zijn. Want zijn gesprekken met de NG en de CC zijn afgeluisterd: zendertje in de telefoon, bandrecorder in een ordermap. En als het spookt in de presidentskamer, denkt men onwillekeurig aan het woord directie-keet, De jongste krijgt dan ook de keus tussen ontslag-nemen en ontslag-krijgen. Hij kiest voor het eerste, maar wordt tot nader order in dienst gehouden; krijgt zelfs een zeer mooie promotiekans aangeboden, die hij weigert omdat hij zich niet van het toneel laat sturen.
In een laatste botsing tussen de twee directeuren neemt de jongste ontslag en wandelt naar de CC, om daar een functie te aanvaarden.
Wanneer hij in dienst is krijgt hij zijn benoeming: hij wordt benoemd tot president-directeur van zijn eigen bank, waarvan de "oude zak" tegelijktijdig snel en pijnloos is ontslagen, met behoud van eer en pensioen.
Blijkt dat de CC het hele spel in opdracht van de NG heeft uitgevoerd.
De NG had wel zin in een bank, die haar tijd verstaat en haar in staat zal stellen alle bankdiensten te verkopen. De achtergrond is dus: een beginnende nationalisatie van het bankwezen. En wanneer de jonge president, het smerige spel doorziende, absoluut weigert ...
wordt hem het contract getoond, waarin hij verklaarde elke opdracht te zullen uitvoeren.
Geheel tegen zijn wil komt hij op de presidentiële stoel te zitten. Bij het laatste gesprek met zijn voormalige chef, die zijn persoonlijke eigendommen uit zijn laden komt halen, komen de achtergronden uit de doeken. "Had -:ie me dit niet kunnen besparen?" vraagt de oude chef. "U wilde niet redelijk zijn!", is het machteloze verweer. Maar de "verliezer" houdt - onwillekeurig nog eenmaal op zijn oude stoel gezeten - het rekwisitoir: hij redt zich wel, zal geen sigaar minder roken - maar met de jonge generatie is er iets mis. Die mist de redelijkheid, de kracht en de intelligentie om aan de top te komen. Die weet een stoel te veroveren door middel van computer-techniek, niet door intelligentie. Die heeft geen geduld om de tijd af te wachten. Die gebruikt onderwereld-methoden en kent geen moraliteit. Die mist alle menselijkheid, mist alle eerbied voor het verworvene van vorige geslachten. En de hoofdprijs-winnaar staat met gebogen hoofd het laatste standje van zijn meerdere aan te horen. De "winnaar" is niet gelukkig met zijn overwinning.
Bij het beleven van dit knappe moderne drama komen twee categorieën vragen op. De eerste betreft de plaats van de bank in de maatschappij.
Ze treedt op als geldwinkel, als regulatiecentrum voor de geldstromen; u zou kunnen zeggen: het complex van banken vormt een complex van kloppende bloedvaten in een maatschappelijk lichaam, waarbij het geldverkeer de noodzakelijke bloedstroom voorstelt.
En dan kan men vragen: vervullen de banken inderdaad een dienende rol - of bezetten ze sleutelposities in deze maatschappij? Indien ja - terecht of ten onrechte? Indien neen - waarom (nog) niet?
Hebben de linkse politici in west-Duitsland gelijk, die de banken) als bolwerken van een kapitalistische staat, zouden willen nationaliseren?
Of zijn de banken inderdaad nog zo naief dat ze - als destijds in Engeland - zich van de computors van de nationale girodienst bedienen, om hun administratie in de hand te houden? Is het geld onzindelijk, of doen mensen met geld onzindelijke dingen? Heeft je maatschappij het geldverkeer nog nodig, of heeft de geldwereld een markt nodig. Deze vragen worden door het toneelstuk opgeworpen.
Geldscheppen is: geldontwaarden, de soep verdunnen.
In elk geval kent een land maar twee geldscheppende instanties: de overheid en de bankwereld. De eerste kan de tweede wel de wet voorschrijven - maar niet omgekeerd. En de eerste kan de tweede wel "overnemen"; omgekeerd gaat het moeilijker.
De tweede categorie vragen draait om de gebruikswaarde van de mens in de zakenwereld. Het aantal bruikbare jaren van een zakenman neemt steeds meer af. Veel academici zijn pas op 30 jaar klaar om te starten; voor een specialist is dat 35 jaar. Hoe langer de aanloop, hoe hoger de top. Hoe hoger de top, hoe sneller de slijtage. U kunt stellen dat een man, die de spanningen van een groot bedrijf gedragen heeft, op zijn 60ste een wegwerpartikel is geworden. Commercieel gesproken dan. En wanneer iemand ten hoogste 30 jaar van zijn leven goed verdient, in welke tijd hij aan- en afloopjaren moet mede-financieren, is het hard werken geblazen. Ook daar doelde het drama op: een president van 58 is een "oude zak", onbekwaam tot enig goeden geneig de weg tot de vooruitgang te blokkeren. Het aantal levensgevaarlijke defecten komt bij zakenmensen boven de 50 jaar dan ook ontstellend veel voor. Een Amerikaans gezegde luidt: een manager is een man, die zich zo gauw mogelijk te pletter werkt, om zijn weduwe een zo hoog mogelijk inkomen te bezorgen. Dat is zuur, maar waar. Hij wordt goed betaald (zo lang het mag van de regering) maar merkt ineens, dat hij niets kan meenemen.' Heeft hij die wijsheid, dan is het te laat.
Het geld dat stom is - maakt recht wat krom is, luidt het spreekwoord.
Soms lijkt het wel, of geld en kennis alles voor het zeggen hebben op deze wereld. Dat is natuurlijk niet juist. Het geld is alleen middel, betaalmiddel, levert deknikkers voor het spel.
Het zijn de spelers, die kwaad of goed doen. En die daarnaar geoordeeld worden. Waarbij ze vaak niet eens lang behoeven te wachten.
Die spelers verouderen sneller dan de spelregels. Inderdaad is de toekomst van deze maatschappij, meer dan ooit, aan de jeugd. De gemiddelde leeftijd bij het Housten-personeel, tijdens de maanvluchten, lag beneden de dertig jaar. De moderne zakenman moet op zijn 35e zijn topfunctie hebben bereikt. Vandaag is een zakenman van zestig jaar oud. Maar of de jeugd het beter zal doen; of de jeugd meer geluk en arbeidsvreugde zal scheppen; of de jeugd nog ethische normen zal overhouden ... ziedaar eigenlijk de vragen, die onze jeugd mag oplossen.
Graag in de vreze des Heeren, als het even kan.