PSALM 125

1974-01-25
  • Jaargang 18
  • nummer 4
Het psalmboek en de dadels van Hassan

In een verloren ogenblik ( ‘t is lang geleden) greep ik eens naar een boek over de vierde dimensie.
Verloren tijd, denkt u misschien.
Toegegeven: wiskunde is bepaald niet de sterkste kant van theologen, gunstige uitzonderingen daargelaten - waarbij ik mezelf niet tot de uitzonderingen reken, stel dat ik me tot de vakgroep der theologen mag rekenen. De logica van theologen wordt dan ook gelogenstraft door hun met voorliefde gebezigde uitvlucht: de natuur is sterker dan de leer.
Intussen zie ik nog steeds geen kans me een voorstelling te vormen van zoiets als een "gekromde ruimte", zelfs niet met behulp van een veelzijdig man als drs H. van Praag, die indertijd voor het gemene volk enkele kolommen wijdde aan deze zaak.
Toch realiseer ik me opeens, dat de eerste de beste bijbellezer al lang geleerd heeft in vier dimensies te denken. Bekende begrippen als Sodom en Egypte, Jeruzalem en Babel hebben in het Nieuwe Testament er een onvermoede, nieuwe dimensie bij gekregen. Israël is meer dan Israël en het paradijs van Gen. 1 biedt in Op. 22 een weidser perspectief. Het begrip "Einmaligkeit" blijft gehandhaafd en wordt tegelijk tot een nieuwe, hogere macht verheven vanwege het typerende van zoveel oud-testamentische situaties.
Wij hebben ermee te maken omdat ze wezenlijk ook met ons te maken hebben. Dat mag mee een verklaring zijn waarom bijvoorbeeld de psalmen ons alle eeuwen door zo aanspreken. Het verleden is hoogst actueel en biedt een ver-reikend perspectief.
't Doet denken aan de overtreffende trap van die vindingrijke koopman: de dadels van Hassan zijn groter dan ze zijn. Of aan de excellente titel: lees maar - er staat meer dan er staat. Daarvoor hebben ook "moderne" theolen oog, hoe onlogisch hun paradoxen ook schijnen. Niet de natuur is sterker dan de leer, maar Gods werkelijkheid gaat menselijke logica te boven. Dat diende zelfs (of juist) theologen tot bescheidenheid te manen.

Een berg van troost

't Loont de moeite, wanneer we ons Israëls situatie sinds het vertrek uit Babel proberen in te denken.
De reis vordert, een reis van tenminste vijf maanden (Ezra 7 : 9). De weken en maanden verstrijken.
Geen wonder dat, naarmate zij dichter bij het doel van de reis komen, hun gedachten zich hoe langer hoe meer gaan bezighouden met Jeruzalem en het oude beloofde land. Via contact met karavanen doen zij de nodige inlichtingen op, en die zullen niet altijd even bemoedigend zijn. " Ze. ontveinzen zich niet, blijkens deze psalm, dat ze voor grote moeilijkheden zullen komen te staan. Bij déze ophanden zijnde intocht zullen ze hun bedje niet gespreid vinden.
Daar heffen Israëls zangers uit de stam van Levi, de zonen van Asaf (Ezra 2 : 41), een nieuw lied aan. Ze volgen Israëls zorgelijke overpeinzingen op de voet en zorgen voor (bege)leiding. Hoor: wie op den HERE vertrouwen, zijn als de berg Sion ...
Dat is voor Israël een schot in de roos! De berg Sion - daar gaan zij heen; die kennen zij, hetzij uit de verhalen, hetzij nog uit eigen aanschouwing (Hagg. 2: 4; Ezra 3 : 12, 13).
Als de berg Sion... er zijn bergen genoeg, in Kanaän en in de woestijn waar Israël doorheen trekt.
Waardoor onderscheidt deze berg zich van de andere? Niet door zijn hoogte, wel doordat dit de berg van Gods keuze is, zegt Ps. 68 : 16 v.v. in één adem. Als God kiest, gaat zijn voorkeur niet uit naar het machtleste volk, het grootste land, de hoogste top. Hij begeert Sion. En wat dat inhoudt laat hij door Jesaja weten: wat zal men den gezanten des volks antwoorden? Dat de HERE Sion gegrondvest heeft en dat daarin de ellendigen van zijn volk zullen schuilen (Jes. 14: 32). De berg van Gods keuze is de berg van Israëls troost.

Een muur van veiligheid

De breukvlakken in de ruïnenheuvel van het nabij gelegen Jericho spreken van herhaaldelijke aardbevingen in die streek. Maar zolang (Mt. 27: 51; 28: 2) God dáár zijn woning kiest, is Sion de berg die niet wankelt, maar tot in lengte van dagen blijft. Het "zit" wel goed met Sion - het zit ook goed met het volk dat op Sions God zijn vertrouwen vestigt.
De hele wereld moge op zijn grondwesten schudden, wie hun hoop op Jahweh bouwen blijven ongeschokt in hun geloof. Israël raakt er niet onder - alle te verwachten moeilijkheden ten spijt.
Als de berg Sion - dat roept in de herinnering van de dichter een mooi tafreel op. Hij weet 't nog van vroeger, lang geleden: rondom Jeruzalem (berg en stad zijn één) zijn bergen... Eén exegeet spreekt van de verrassing èn ontgoocheling van allen die zich Jeruzalem als "hooggebouwde stad" voorstellen. In alle vier de windrichtingen zie je bergtongen die 20-30 meter boven de stad uitsteken.
"Ten Oosten van Jeruzalem verheft zich de rug van de Olijfberg met de witte kale weg naar Jericho, slingerend langs heuvels, die de kleur hebben van hyena's en jakhalzen". In het Zuiden: de berg des bozen raads (Joh. 11 : 47-52), mogelijk de Goath van Jer. 31-39. Ten Westen is er een geleidelijke stijging van de bodem - op een hoge heuvel van 819 m. is daar de waterscheiding, misschien de Gareb van Jer. 31: 39.
Tenslotte is er de met de Olijfberg samenhangende bergrug in het Noorden.
Midden tussen deze toppen, en 20 tot 30 meter lager, ligt dus de berg Sion. Het beeld is duidelijk: Jeruzalem is een bijna oninneembare vesting, wie het wil aanvallen moet eerst de muur van bergen rondom, top voor top, veroveren.
Nu - zó veilig en onaantastbaar is Israël. Rondom Jeruzalem zijn bergen - en de HERE is rondom zijn volk. Israël is veilig omsloten - van nu aan tot in eeuwigheid!

Een volk van vrede

Daarom heeft de dichter moed en vertrouwen: voorzeker, de schepper der goddeloosheid zal niet blijven rusten op het erfdeel der rechtvaardigen. Kanaän is Israëls erfdeel, hun door het lot toegewezen (vgl. Joz. 18; Ez. 47). Maar Israëls rechtvaardigen, die hun hoop en vertrouwen op den HERE vestigen, zien hun erfdeel overheerst door goddelozen die van Jahweh niets willen weten. Niet alleen bezetten Tyrus (zie Ez. 25 en 26) en de Samaritanen (2 Kon.
17) het Noorden, in het Zuiden hebben omwonenden zich o.l.v. Edom van Kanaän meester gemaakt.
Babels dochter (Ps. 137 : 7) is bijzonder boosaardig: ... die beide volken en die beide landen zullen mij toebehoren; wij nemen ze in bezit - hoewel de HERE daar was... (Ez. 35: 10). Edom voert de scepter over Kanaänen hoe Ammon, Moab en Filistea zijn al niet beter (Ez. 25). De diepste grond is haat tegen Israéls verkiezende God, en het feitelijk gevolg: de harde scepter (roede, vgl. Ps. 2 : 9) der goddeloosheid.
Nu bestaat Israël niet uit sukkels, die alle onrecht gelijkmoedig als een onontkoombaar noodlot aanvaarden.
Hun handen jeuken. Hoe verleidelijk is het, het recht in eigen handen te nemen. God, op wie zij vertrouwen, moge hen ervoor bewaren dat zij hun handen "uitstrekken naar onrecht", hun handen vuil maken. Een situatie als beschreven in Ezra 4 vráágt erom. Maar ... de zachtmoedigen zullen de aarde beërven.
Waarom? Omdat ze zo zachtmoedig zijn? Ja, maar hun zachtmoedigheid (vgl. Op. 6: 9-11) is gegrond in een onwankelbaar vertrouwen op de HERE. Daarom sluit zij noch het gebed uit: doe goed, HERE, aan de goeden en aan de oprechten van hart, noch de stellige zekerheid: hen, die zich tot kronkelpaden neigen, zal de HERE mét de bedrijvers van ongerechtigheid doen vergaan. De laatsten, die openlijk stelling nemen tegenover God en zij die zich in duizend bochten wringen om Gods souvereine voorkeur ongedaan te maken (Ezra 4, Neh. 4 en 6) zullen niet slagen in hun opzet. Gods trouw is garantie voor Israëls vrede, een vrede die herstel impliceert. Dus krijgt de oude priesterzegen een nieuwe, veelzeggende formulering: vrede zij over Israël!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief