Catechese? Ik geloof erin!
2013-01-26
De laatste decennia is er het nodige veranderd in het catechetisch onderwijs in de protestantse kerken. Dit artikel schetst de hoofdlijnen van die verschuiving en de gevolgen daarvan. Wat kunnen we ervan leren voor vandaag? En minstens zo belangrijk: heeft de catechese nog toekomst? - Jaargang 57
- nummer 2
‘Nu mág je niet eens stil zijn’, is de reactie van onze zoon van 12. Tijdens het avondeten zijn we in gesprek over de catechisatie. Mijn vrouw en ik vertellen hoe de catechese er jaren geleden uitzag. Met verbazing reageert hij: ‘Mocht je toen niet praten en alleen luisteren naar de dominee? En kreeg je echt overhoringen?’ Uit dit gesprekje aan tafel blijkt al dat de catechesepraktijk duidelijk is veranderd.
Er is de afgelopen jaren een zichtbare ontwikkeling geweest in de catechese, die ik in dit artikel in beeld wil brengen. Het is niet mijn bedoeling om een historisch overzicht te geven; er zijn meer dan genoeg goede artikelen en boeken die de catechese in bijbels-historisch perspectief zetten.
Met dit artikel wil ik vooral vooruitkijken, de blik richten op de toekomst door te reflecteren op een aantal typerende ontwikkelingen.
Toen en nu
Het verschil tussen toen en nu is niet alleen het verschil tussen luisteren en praten, maar dit is wel een mooie kapstok om eens na te gaan welke visies er in de loop der tijd aan de catechese ten grondslag hebben gelegen. Waar vroeger de rol van de catechisant bestond uit het luisteren naar de catecheet, veelal een predikant, zodat je kennis kon vergaren, ligt de nadruk nu meer op participatie in het groepsgesprek, zodat je je een mening kunt vormen. Deze verandering heeft niet alleen effect op de methode, de ruimte en de catecheet, maar ook op de inhoud.
Ik laat dat zien aan de hand van de vier fasen die dr. Wim Verboom heeft beschreven in zijn afscheidscollege als docent catechetiek aan de Universiteit van Leiden.
1. Een schoolklas in de kerk Kinderen en jongeren worden gezien als onmondige leden van de gemeente, die door de catechese de noodzakelijke kennis kunnen verwerven om ‘aangenomen’ te worden tot lidmaten van de gemeente.
Deze ‘aanneming en bevestiging’ op ongeveer 18-jarige leeftijd is een soort examen dat je geloofskennis toetst.
2. Werkplaats in geloofsonderricht In deze fase komt er, mede vanuit de pedagogiek en de Barthiaanse theologie (nadruk op de tegenstelling tussen God en mens) meer oog voor de persoon. De mens is altijd mens in relatie. De doelstelling van de catechese is dan ook niet langer de herhaling van vastgestelde geloofsinhouden, maar jongeren te leren en te laten belijden wat zij zijn, namelijk leden van de gemeente.
3. Zoekplaats naar heil Werd in de voorgaande fasen de objectieve kennis als uitgangspunt genomen, in deze fase verschuift het uitgangspunt naar de catechisant.
Om de culturele en religieuze verschuiving vanaf de jaren zestig serieus te nemen en om aan te sluiten bij de catechisanten als kinderen van hun tijd, wordt het vertrekpunt genomen in de doelgroep: de jeugd. Niet meer de kerk of God is leidend in de catechese, maar het eigen verstaan van de Bijbel door de jongeren.
4. Ruimte voor spiritualiteit Deze fase kan worden getypeerd als een veelstromenland. Er is een veelheid aan vormen, methoden en visies en catecheten zoeken hun eigen weg in de relatie tussen geloof en de leefwereld van de catechisant.
Werd in de vorige fase de leefwereld van de jongeren als uitgangspunt genomen, in deze fase wordt die leefwereld ook bepalend voor de catechese-inhoud. Typerend wordt de term ‘spiritualiteit’ – hyperindividueel.
De overdracht van een vaststaande bijbelse waarheid wordt meer en meer vervangen door een zoektocht. De catecheet is hierbij een begeleider die de jongeren vergezelt tijdens hun reis, zonder dat hij het einddoel kent. Bestemming en route zijn niet meer belangrijk, het gaat om het ‘onderweg zijn als pelgrims’.
Deze vier fasen zijn volgens mij niet alleen perioden in de tijd, die elkaar opvolgen, maar ze vertolken ook verschillende visies, die daarmee een beeld geven van de catecheseprakijk van vandaag. Hierin wordt ook de diversiteit van christelijke gemeenten zichtbaar; je zou bij elke fase een be paald kerkgenootschap of een bepaalde gemeente in gedachten kunnen nemen.
Overvragen
Wanneer ik deze fasen op me laat inwerken, ontstaat bij mij een gevoel van zorg. Terecht werd dan ook de noodklok geluid door bijvoorbeeld de catechesecommissie van de HGJB, omdat de catechese ‘in een crisis’ zit. Mogelijk dat niet iedereen dit gevoel van crisis herkent als er gekeken wordt naar de eigen gemeente. Maar kijken we iets breder en focussen we op de catechese in de breedte van protestants Nederland, dan vertoont zich een zorgwekkend beeld.
Onder invloed van de secularisatie en de toenemende kerkverlating is het aantal catechisanten duidelijk afgenomen.
Nederland als ‘gedoopte natie’ is voltooid verleden tijd. En voor de jongeren die (gelukkig!) nog actief participeren, is de catechese geen vanzelfsprekendheid meer, maar een optie in de hectiek van hun agenda’s.
Ook ouders ervaren niet altijd meer de noodzaak van catechese voor de geloofsgroei van hun kinderen.
De enorme impact van een snel veranderende samenleving en cultuur wordt ook zichtbaar in de catechese. Van onmondige leerlingen zijn we veranderd in mondige consumenten die persoonlijk ‘geraakt’ willen worden. En als het gevoel er niet is, haken we af met de mededeling: ‘het is niet zo mijn ding’.
De reacties van de kerk op deze ontwikkelingen hebben de crisis niet kunnen bezweren. Eerlijk gezegd denk ik dat sommige oplossingen zelfs negatief hebben uitgepakt. Om nog meer aan te sluiten bij de belevingswereld van de jeugd zijn soms pogingen gedaan om de catechese ‘op te leuken’, pogingen die alleen nog maar meer aantoonden dat de catechese in een identiteitscrisis zit. De kritische vragen van tieners, die horen bij een bepaalde ontwikkelingsfase, zijn ook weleens te serieus genomen.
Vaak klonk dan de verzuchting: ‘Wat willen jullie dan?’ Is dit mogelijk één van de oorzaken van de geschetste crisis, omdat je jongeren hiermee (ontwikkelingspsychologisch) overvraagt en de verantwoordelijkheid van de catecheet laat verdampen? Hij of zij is immers verantwoordelijk voor het leerproces en niet de jongere die de catechisatie volgt. Als de catechese-inhoud wordt aangepast aan de telkens wisselende wensen van tieners blijft er op den duur niet veel meer dan individuele meningen over. En daar hebben jongeren de catechese niet voor nodig.
Wat ook opvalt, is dat veel catecheten en opvoeders het anders willen doen dan hun ouders. Het kan dan zomaar zijn dat er vanuit de frustratie over de eigen geloofsopvoeding en ervaringen met catechese wordt gezocht naar andere vormen en wegen. In zo’n geval is de eigen biografie meer bepalend voor de inhoud en vorm dan de aansluiting bij de doelgroep, de jeugd van deze tijd.
Goede vruchten
Misschien krijgt u, net als ik, een wat onbehagelijk gevoel bij het bovenstaande.
Alsof er niets dan crisis is, zonder perspectieven voor de toekomst.
En inderdaad, als we het hierbij zouden laten, doen we geen recht aan de mooie ontwikkelingen en de groei die de afgelopen jaren ook zichtbaar waren. Want de intentie om de catechisant centraal te zetten en meer aan te sluiten bij de belevingswereld van jongeren heeft ook zijn (goede) vruchten afgeworpen.
Er is bijvoorbeeld een aanzienlijk aanbod van mooie en bruikbare catechesemethoden ontstaan, waaronder een aantal dat functioneel gebruikmaakt van multimedia en een diversiteit aan werkvormen laat zien. Nieuwe catechesevormen – zoals kindercatechese, duocatechese en vooral mentorcatechese – hebben een stevige impuls gegeven aan het geloofsleren in de gemeente. Kenmerkend voor deze vormen is de aansluiting bij de psychosociale ontwikkeling van catechisanten en de daarbij passende didactiek en werkvormen.
Naar mijn mening is dat een vruchtbare route, zolang de catechese-inhoud niet afhankelijk wordt gemaakt van de jongeren en hun leefwereld.
Want ik ben ervan overtuigd dat wanneer wij aansluiten bij de groei en ontwikkeling van onze kinderen, tieners en jongeren, maar dan wel met een objectieve catechese-inhoud, wij ook meer groei mogen verwachten in de geloofskennis. Om dit wat te concretiseren heb ik een groeiplan gemaakt (zie kader).
Landingsgrond
De uitdaging voor de komende jaren is volgens mij: leren van de crisis en aansluiten bij de groei. Daarmee bedoel ik dat we kritisch naar onszelf moeten kijken. Waar hebben wij de inhoud van de catechese mogelijk te veel laten bepalen door onze doelgroep of de reactie op onze eigen biografie? Ik geloof dat wij als volgelingen van Jezus Christus altijd iets zullen ervaren van het ‘anders zijn’, van het ‘weerbarstige’ en het niet passen in de cultuur. En dat zal onze catechese ook mogen stempelen.
Juist omdat Gods openbaring een ‘tegenover’ is voor ons en voor onze kinderen, kan de catechese-inhoud niet bepaald worden door onze wensen of behoeften of die van onze doelgroep.
En tegelijk: in navolging van Jezus, de Geïncarneerde, zullen we tot het uiterste moeten gaan om aan te sluiten en landingsgrond te vinden bij onze jongeren. De les om altijd met twee woorden te spreken geldt ook voor de catechese van de toekomst. De theologische begrippen ‘openbaring’ en ‘incarnatie’ zullen daarom leidend moeten zijn, zodat je kunt zeggen: ‘Catechese?
Ik geloof erin!’
Wout Schonewille (1974) werkte bij de HGJB als hoofd Kenniscentrum en coördinator van Centrum voor Catechese. Momenteel werkt hij als coördinator voor STEP, Protestants Jeugdcentrum in
Gouda. Hij studeert Jeugdstudies aan de Universiteit van Utrecht. Groeiplan
| Baby’s en peuters (0 t/m 3 jaar): Inwijden Deze eerste fase kun je typeren met het begrip ‘funderingsgeloof’. Het fundament van veiligheid, hechting en vertrouwen wordt hier gelegd. Het beleven en ondergaan van de sfeer en de gebruiken of rituelen in het gezin helpt hierbij. Kernbegrip hierbij is ‘inwijden’, wat vooral plaatsvindt binnen het gezin. Kleuters (4 t/m 6 jaar): Inwijden De ontdekking van deze kleine doe-het-zelvers dat ze kunnen lezen, biedt geweldige kansen om ze kennis te laten maken met de bijbelse verhalen. Maar ook het aanspreken van hun fantasie door deze verhalen creëert identificatie met bijbelse personen. Ook hier is het kernbegrip ‘inwijden’ van toepassing. Kinderen (7 t/m 9 jaar): Rituelen De ontdekkingstocht gaat door en de wereld wordt groter. In het kader van catechese zou dit een geschikt moment kunnen zijn om kinderen zich thuis te laten voelen in de kerk. Een vorm van ‘projectcatechese’, waarbij liturgie en sacramenten in een aantal weken worden uitgelegd, kan kennis bieden over en beleving bieden bij de ‘rituelen’ in het huisgezin van God. Tweens (10 t/m 12 jaar): Kennis Deze ‘tweenagers’, tussen kind en tiener in, verwerven veel informatie en kennis. Wat betreft catechese is dit een goede fase waarin de rode draad door de Bijbel behandeld kan worden. Het vermogen om kennis te verwerven en te onthouden geeft kansen wat betreft tijd en plaats van de bijbelse geschiedenis. Tieners (13 t/m 15 jaar): Identiteit De zoektocht naar identiteit geldt ook voor geloofsidentiteit. Het geloof van de opvoeders wordt kritisch gevolgd en bevraagd. In veilige gespreksgroepen kunnen de jongeren zich spiegelen aan de geloofspraktijk van leeftijdsgenoten en vooral die van de catecheet. Jongeren (16 t/m 19 jaar): Apologetiek Nadat een zekere identiteit is gegroeid kan er weer naar ‘buiten’ gekeken worden. En daarmee ontstaat ook de behoefte om de eigen geloofsidentiteit te vergelijken en toe te lichten in de ontmoeting met anderen. Het leren om verantwoording af te leggen van je geloof door middel van kennis en vaardigheden past daarom bij deze fase. Jongvolwassenen (20 t/m 23 jaar): Participatie Deze leeftijdsfase wordt vooral gekenmerkt door verantwoordelijkheid en zelfstandigheid. De eigen geloofsontwikkeling en groei kan verdiept worden door te participeren in de gemeente. |