LEVEN UIT DE WET?

1974-02-01
  • Jaargang 18
  • nummer 5
In de discussie over een akkoord van kerkelijk samenleven kwam soms de gedachte naar voren, dat we elkaar en onszelf niet behoren te binden, waar de Schrift ons niet bindt. Doen wij dat toch, zo werd betoogd, dan is onze regeling niet in te passen in het geheel van de lichte last en het zachte juk van Christus. Zij zou haar eigen hardheid met zich meebrengen en ons ongemerkt leiden naar een nieuwe versie van een leven-uit-de-wet.
Leven uit de wet - dat is wel een heel ernstige typering. Ze combineert verschillende elementen.
Allereerst komt een "slavenjuk" in ons gezichtsveld. Maar daar komt nog bij, dat men uit die slaafse gehoorzaamheid zijn heil en welvaart verwacht.
Men kan niet beweren, dat het gesignaleerde gevaar denkbeeldig is en dat de broeders, die zo denken, tegen windmolens vechten.
Het is niet tegen te spreken, dat leven naar het akkoord in de praktijk vaak verworden is tot een vorm van leven uit de wet.
Het is in procedures wel voorgekomen, dat de primaire vraag naar het geloof in Christus en naar het leven uit dat geloof zorgvuldig werd vermeden en vervangen (omgevormd, zo u wilt) tot de vraag naar de gehoorzaamheid aan de regels van het akkoord.
Dan bracht blijkbaar dat akkoord zijn eigen, zelfstandig "strafgerecht" met zich mee. En het is juist die "verzelfstandiging", die de regeling gaat omvormen tot een nieuwe wet, een hard juk en een zware last, vervreemd van Christus.
Toch is het niet onvermijdelijk, dat "regels" leiden tot een leven uit de wet. Dat is mijns inziens door ds G. van Keulen op de vergadering van 8 september jl. helder aangetoond. Ik kan hier maar heel kort iets noemen.
In 1 Cor. 16: 1 spoort Paulus de Corinthische christenen aan om elke eerste dag der week naar vermogen iets weg te leggen met het oog op zijn inzameling voor de behoeftige heiligen te Jeruzalem. Een kleinigheid, zult u zeggen.
Ja, maar leerzaam. Hier wordt een ordenend element ingedragen in het leven van de liefde tot de heiligen, opdat zo die liefde aan daad werkelijkheid en effect zal mogen winnen! En al lezen we die regeling in een brief van Paulus, ze is toch doodgewoon menselijk, geen Goddelijke inzetting! Blijkbaar, vreest Paulus van deze voorgestelde "zelf-binding" geen bederf voor de zuiverheid van de liefde.
Het zal goed gaan, zolang die Corinthische christen zijn leven-en naar-de-regel verantwoordt door een directe verwijzing naar het gebod van Christus tot betrachting van de broederlijke liefde.
Natuurlijk zal het ook hier mis gaan, zodra die Corinthiërs Christus en de heiligen uit het oog verliest.
Hij zal de regel dan mogelijk wel handhaven, maar ze wordt dan een ding-op-zich. Een zelfstandigheid!
Daar heb je dan als het ware een gesloten circuit. De regel om de regel. Een vicieuze cirkel. In dit klimaat treedt de christen af en komt de farizeeër op!
Hoe moeten we nu vermijden, dat een akkoord tot een nieuwe wet wordt? En hoe moeten we bereiken dat het dienstig blijft om de onderlinge liefde aan daadwerkelijkheid en effect te laten winnen?
Een akkoord moet christelijk, geestelijk, gehanteerd worden.
Dat is het juiste antwoord. Maar vanuit het Corintische voorbeeld is een zekere concretisering wel mogelijk. Waarbij dan tevens het gesignaleerde kerkelijk falen lering en vermaan verstrekt.
Laat ons de verantwoording van ons ordelijk handelen nooit halen uit het blote bestaan van een akkoord en uit de inhoud-op-zich.
Laat nooit de neiging toe de primaire vragen "ordelijkheidshalve" te vermijden. Want dàn wordt het akkoord een zelfstandigheid, een nieuwe wet.
Wij moeten in staat en bereid zijn ons ordelijk handelen te verantwoorden door een directe verwijzing naar het liefdegebod van Christus. Dan zal het akkoord zijn bescheiden functie behouden: een "kanaal" voor de liefdedienst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief