"Staatsman en Profeet"
1974-02-08
- Jaargang 18
- nummer 6
•een wonder
Uit de stroom van boeken die langs je heenglijdt en waarvan je zo veel mogelijk op de hoogte probeert te blijven duikt er zo af en toe één op dat je hevig pakt omdat dat én goed én bizonder aktueel is.
Zo'n boek werd mij dezer dagen door de firma Wever in Franeker toegezonden. Het is van een mij volkomen onbekende auteur, Mr. H. W. J. Mulder, en het heeft tot titel Groen van Prinsterer staatsman en profeet. De schrijver is zeer diep ingedrongen in het levenswerk van Groen en heeft het in het verstaan van wat deze grote bezielde en bewoog zeer ver gebracht. En dáárom - wáárom zal uit het vervolg wel blijken - is het bizonder, ik mag wel zeggen: benauwend, aktueel.
Ik zeg het maar dadelijk: het zou een zegen zijn als allen die op wat voor manier ook, leiding moeten geven aan de christenen in ons vaderland dit boek lazen.
Of liever, dat bestudeerden tot ze het zich geheel eigen hebben gemaakt.
Ik wil daarom alle aandacht vragen voor dit boek van Mr. Mulder.
En dat wel in de eerste plaats door aan de hand daarvan er iets van te vertellen hoe Groen van Prinsterer, de jonge geniale aristocraat die voluit een exponent was van de conservatief-liberale "geest zijner eeuw", de Groen van Prinsterer werd die de essentie van zijn geloof en levensarbeid samenvatte in de woorden: "Tegen de Revolutie het Evangelie". Of, nog wat duidelijker geformuleerd: "Tegen het ongeloof van de Revolutie, het Evangelie van de reformatie."
Algra heeft een boek geschreven; een bizonder boeiend boek, dat tot titel heeft: Het Wonder van de negentiende eeuw. Hij beschrijft daarin het verbazingwekkende gebeuren dat het Evangelie, zoals de reformatoren dat predikten, en waarvan in het begin van die eeuw werd voorspe1d dat het na één, hoogstens twéé, generaties radikaal uit het volksleven zou zijn verdwenen, in de loop van die eeuw, toch weer tot een "macht" is geworden in ons land.
Ik geloof ook dat dit een wonder was, een wonder van Gods genade.
Maar "achter" dit woncer ligt een ander! Dit, dat één van de meest briljante geesten uit de negentiende eeuw, een aristocraat krachtens geboorte, geest en karakter, daarbij schatrijk, een man die zich als gelijke, neen, als een éérste, in de hoogste kringen van ons volk bewoog, door Gods genade werd overwonnen, een ootmoedig christen werd en zich met alles wat hij was, kon, bezat, zonder enige reserve, overgaf in de dienst van zijn Verlosser en Heer Jezus Christus.
En dat niet alleen. Het wonder is vooral dat God deze man aan zijn volk gaf als een "Profeet" die met indringende kracht aanwees hoedat in de situatie waarin het zich bevond de HEERE moest dienen, die het met bijna bovenmenselijke toewijding, en onder een vloedgolf van smaad, hoon en laster, hielp bij het beproeven der geesten. En die het in de door het geloof in God en zijn Woord gevorderde activiteit vóórging en het zo ook tot een "Richter"
werd!
• een briljante geest
Groen van Prinsterer was een kind van een van de meest aanzienlijke families uit het Nederland van het begin der vorige eeuw. Zijn vader was een van de bekendste artsen. Zelfs was hij hofarts van koning Ledewijk Napoleon en Willem 1. Later wijdde hij zich geheel aan het geneeskundig staatstoezicht. Zes en twintig jaar was hij lid van de Haagse gemeenteraad en een even lange tijd van de provinciale staten.
Groen's moeder, Adriana Hendrica Caan was de erfdochter van een van de rijkste koopmansfamilies uit Rotterdam.
De buitengewoon begaafde zoon van deze Groen van Prinsterer kreeg de beste opleiding die destijds in Nederland te verkrijgen was. Als zestienjarige jongen kwam hij als een knappe latinist en graecus op de Leidse Academie.
Een groot aantal prijzen had hij reeds voor dien gewonnen als beloning voor zijn buitengewone prestaties bij de studie. Met grote energie wierp hij zich in Leiden zowel op de studie van de rechten als van de letteren! Maar tegelijk stond hij midden in het volle leven.
Prof. Gerretson schreef van Groen als student: "de meest typische eigenschap van de jonge Groen is zijn diepe, onophoudelijke belangstelling in, en liefde voor zijn omgeving; zijn honger naar het leven; en zijn behoefte om zijn levenskring - de kring zijner ervaring - harmonisch uit te breiden." 1) Als Groen ruim twee en twintig jaar is promoveert hij op één dag zowel in de rechten als in de letteren!
En beide promoties geschiedden "summa cum laude": met de hoogste lof.
Een hoogleraar schreef daarover in een destijds zeer bekend tijdschrift: De 17de dezer (dec. 1823) verdedigde de Heer Groen van Prinsterer het ene uur zijn Rechtsgeleerde, en het volgende uur zijn Letterkundige verhandeling.
Professoren, Doctoren en Studenten uit onderscheidene vakken, schenen te wedijveren om hun bondige tegenwerpingen in het midden te brengen; maar zal iemand zich beledigd rekenen, als wij openlijk betuigen, dat wij sedert Borger zulk een voorbeeld niet zagen van vlugge gevatheid in het verdedigen, van grote gemakkelijkheid in het zich uitdrukken, van weergaloze bedrevenheid in het spreken van zuiver latijn, en hetgeen meer is dan dat alles, van beminnelijke zedigheid?
Het was een hulde, die niet alleen aan zijn verdiensten maar ook aan zijn onbesproken karakter werd toegebracht, dat bijna niemand der professoren noch studenten afwezig was." 1) Dit alles gold een jonge man van 22 jaar, die reeds vóór zijn promotie serieus als hoogleraar in de geschiedenis en vlak daarna als hoogleraar in de rechten werd
voorgedragen! 3)
• kind van zijn tijd
Toen Groen van Prinsterer promoveerde was hij in religieus opzicht nog voluit een kind van zijn tijd.
De familie Groen was wat het godsdienstige en kerkelijke leven betreft geheel gesneden naar het dominerend patroon van de nanapoleontische tijd. Men was alleszins godsdienstig, uitermate christelijk, braaf in eigen oog, en, naar men in naïeve zelfverblinding meende, bizonder verlicht en verdraagzaam.
De jonge Groen ontving godsdienstig onderwijs van ds Dermout.
Een predikant - hij was van 1816-1845 secretaris van de Algemene Synode van het Ned. Herv. Kerkgenootschap - bij wie het ging om het handhaven van "de reine prediking en onderwijzing der heilige leer, welke wij naar het Evangelie van Christus geloven", en van "kennis, deugd en goede zeden onder de Bedienaars en Belijders van onze godsdienst,"
4) Dermout was een vooraanstaand vertegenwoordiger van de z.g. supra-naturalistische richting in de Ned. Herv. Kerk van die dagen. Deze richting werd gekenmerkt door een theologie die "anticonfessioneel, antiphilosophisch en anticalvinistisch" was.
Ze propageerde een dogmatiek "die deïstisch was in de theologie, pelagiaans in de anthropologie, moralistisch in de Christologie, collegialistisch in de ecclesiologie en eudaemonistisch in de eschatologie."
5) Ze zocht, ook in godsdienst en kerk, vóór alles rust, redelijkheid, braafheid, bezadigdheid, bedaardheid en koesterde een afkeer van alle "extremen".
Dermout was zo ingenomen met de in werkelijkheid meest geesteloze periode uit onze geschiedenis, dat hij verzekert dat de vaderen, als ze uit hun graven verrezen, hun kinderen zouden geluk wensen met al de weldaden die hun nakomelingschap waren ten deel gevallen.
In dit kerkelijk en theologisch klimaat voelde Groen zich in zijn jeugd volkomen thuis. Dat betekent: hij "kende" de levende God en Gods genade in Christus en eigen zonde nog niet!
• door Gods genade overwonnen
Maar God greep in in het leven van Groen van Prinsterer.
Allereerst door middel van zijn vrouw.
Groen trouwde met Elisabeth (Betsy) Maria Magdalena van der Hoop, een karaktervolle vrouw, een vrome christin. Bijna vijftig jaar is hij met haar verbonden geweest in een zeldzaam harmonisch huwelijk. Het is niet te berekenen hoeveel deze vrouw voor Groen van Prinsterer heeft betekend. Speciaal bij diens komen tot het levende geloof in Jezus Christus. In zijn prachtige Oudere Tijdgenoten schreef Allard Pierson naar waarheid: "Groen is gekomen, waar hij is gekomen, aan een vrouwelijke hand. Wat uit zulk een hand wordt aangenomen, blijft zijn brevet van oorsprong vertonen, en de man getekend, die voor hetgeen deze oorsprong heeft ontvankelijkheid bezit." 6) Voorts leerde Groen als kabinetssecretaris van Koning Willem I tijdens de belgische opstand. Groen woonde toen in Brussel in alle verschrikkelijkheid de vruchten van de revolutie kennen.
Die ervaring gaf hem een schok, die zijn leven voor goed stempelde.
Van 1829 tot 1831, zo schreef hij later, "heb ik, onder het gieren van de omwentelingsstorm, uit de boeken en uit de ervaring geleerd dat het liberalisme met ihet radicalisme in onafscheidelijk verband is; dat de wortel in de stelselmatige verloochening der oppermacht Gods ligt; dat elk staatsgebouw waggelt, zo het niet rust op christelijk-historische grondslag; dat aan de rechtmatige eisen van vrijheid en vooruitgang bij uitnemendheid door het constitutionele staatsrecht kan worden voldaan, doch enkel wanneer, ook op politiek gebied, de vreze des Heren het beginsel der wetenschap is. - Dit was en bleef - zo schreef Groen in 1866 - mijne overtuiging tot op de huidige dag.7) Van grote invloed op Groen's bekering is ook geweest zijn omgang met Merle d'Aubigné, de bekende kerkhistoricus, die vóór 1830 hofprediker in Brussel was, én met Willem de Clercq en andere mannen van het Reveil.
Diep trof Groen ook het sterven van zijn moeder en een ziekte, die hem aan de rand van het graf bracht.
Al deze mensen en gebeurtenissen gebruikte God om Groen uit de duisternis te leiden tot zijn wonderbaar licht. Al meer breekt dat bij hem door. Uit brieven van zijn vrouwen van hemzelf aan zijn vrienden ziet men hoe Groens hart .al meer opengaat voor het heil in Christus.
Ik wil een paar fragmenten uit deze aangrijpende documenten citeren.
Op 22 febr. 1832 schrijft Mevr. Groen aan Willem de Clercq o.a.: "Gij zult nog veel beter met Willem kunnen spreken dan vroeger; 't is heerlijk, zoals geheel zijn ziel al meer en meer wordt ingenomen met de liefde tot Christus.Hij heeft zo veel meer Iiefde, vooral ook voor hen, die met hem in die beste ingenomenheid delen.
Ik vind geen woorden om uit te drukken de dank, die mij niet - zoals 't nog jammerlijk genoeg is - bij ogenblikken 't hart wat verwarmen, maar die mij geheel moest bezielen en doordringen.8) En als tijdens Groen's ernstige ziekte Mevr. Groen bij haar man waakt, schrijft ze aan dezelfde vriend: "Daar is dan onuitspreeklijk veel genade in die stille, dankbare gemoedsgesteldheid, waarin Willem voortdurend wezen mag. Geen enkele zorg voor aardse dingen, geen leed over hetgeen hij misschien spoedig achterlaten zal, schijnt hij te gevoelen.
Alles is geloven en danken. Na dat vreselijk acces van hoesten waarin hij gisteren scheen te zullen stikken, zei hij tegen mij: "Klaag toch niet, Gods weldaden zijn zo menigvuldig over mij. 9)
Zo werd Groen overwonnen door Gods genade.
• een nieuw leven
Ten gevolge van Groen's bekering trad in zijn leven een grote verandering op.
Als student en kort na zijn huwelijk neemt hij volop deel aan het mondaine leven van de vaderlandse élite. Groen bezocht sociëteien, is een geziene gast op vele partijen, danst graag en is verzot op toneel, vooral op opera's. Hij gaat om die te zien zelfs wel naar Parijs! Intens geniet hij van de beroemde Haagse kermis.
Na zijn bekering breken Groen en zijn vrouw volledig met dit alles.
Aan de ontvangsten te hove kunnen zij niet ontkomen. Maar zij hebben er een hekel aan. Aan het sociëteitsleven, de toneeluitvoeringen, partijen en banketten nemen Groen en zijn vrouw niet meer deel. Als Groen in 1856 genoemd wordt als toekomstig minister van buitenlandse zaken - hij is een van de beste kenners van de internationale verhoudingen - is een van zijn bezwaren, dat hij en zijn vrouw niet bereid zijn de gebruikelijke diplomatieke diners te geven.
Wel wordt Groen in 1840 ouderling van de Waalse gemeente!
Daarvan is predikant, de Reveilman Sécretan, weldra een boezemvriend van Groen en zijn vrouw. De kerkdiensten nemen een grote plaats in in beider leven.
Herhaaldelijk schrijven zij erover in hun brieven. Als Groen en zijn vrouw 's zomers in hun buitenverblijf in Wassenaar wonen - ze hebben daar een landhuis met honderd hectaren vol prachtig opgaand beuken- en eikenhout gaan ze, meestal tweemaal, op de zondag naar de dorpskerk.
En om hun personeel op die dag zoveel mogelijk rust te geven eten ze tussen de kerkdiensten hun brood in het catechisatielokaal.
10) Groen had zijn leven aan de dienst van zijn hemelse Vader gewijd.
En daaraan maakte hij alles ondergeschikt. Dat bracht hem tot een geheel nieuw leven.
1) Groen's aanleg, in: De Beweging, llde jaargang, 1915,deel 2, p. 5.
2) Dr C. Tazelaar, De jeugd van Groen, 148.
3) De benoeming tot hoogleraar in de geschideenis werd tegengehouden door Groen's vader die zijn zoon te jong vond voor deze funktie. Die was toen 19 jaar! De benoeming tot hoogleraar in de juridische fakulteit werd verhinderd door de autocratische minister Van Maanen, die Groen van Bilderdijkianisme verdacht.
In zijn ogen zo ongeveer het ergste kwaad.
4) Dr G. J. Vos Az. Groen van Prinsterer en zijn tijd, I, 29/30.
5) Dr H. Bavinck, Gerefonneerde Dogmatiek.! I, § 58.
6) Oudere tijdgenoten 3, met een Woord Vooraf van J. C. Rullmann, Amsterdam, 1922.
7) Aan de kiezers XIX, 2.
8) Green van Prinsterer, Schriftelijke Nalatenschap, uitgegeven door Dr C. Gerretson en dr A. Goslinga, 11, Briefwisseling I, 's-Gravenhage 1925,542.
9) Idem, 649.
10) Mr H. W. J. Mulder, Groen van Prinsterer, Staatsman en profeet, 59, 70.