De brief van Jakobus

1974-02-08
  • Jaargang 18
  • nummer 6


In de gemeente géén aanneming des persoons
(2: 1-13)

Het eerste vers van hfdst. 2 sluit helemaal aan op het laatste van hfdst. 1. Onze hoofdstukkenindeling is zeer betrekkelijk van waarde, soms is ze eer schadelijk, dan nuttig. Jakobus wekte in 1 : 27 op tot het zich onbesmet bewaren van de wereld. In 2 : 1 e.v. geeft hij een voorbeeld van wereldse stijl, en dat zal hij niet uit zijn duim gezogen hebben. Zulke situaties kwamen voor in de kring der gelovigen aan wie hij schrijft.
Dichter bij de grondtekst blijft de volgende vertaling van vers 1: "Mijn broeders, verbindt het geloof in onze Heer Jezus Christus der heerlijkheid niet met het aanzien van personen" (Keulers).
Het één sluit het ander uit. Wie Christus' heerlijkheid gelooft en belijdt, laat zich niet meer imponeren door aardse heerlijkheidjes!
Christus' heerlijkheid maakt ons immuun, voor gouden ringen en prachtige kleding (vers 2).
Het verhaal van vers 2 en 3 spreekt verder. voor zichzelf. De Willebrordvertaling geeft als volgt de konklusie van vers 4 weer: " ... maakt ge u dan niet schuldig aan een kwaadaardig soort diskriminatie?"
Voor de "aanneming des persoons"
verg. Deut. 10 : 17; 1 Sam. 16 : 7; Luk. 20 : 21; Hand. 10 : 34; Rom. 2: 11; Ef. 6: 9; Kol. 3: 25; Gal. 2 : 6; 1 Petr. 1 : 17.
Rechters hebben te oordelen zonder de persoon aan te zien, d.w.z.
zonder te letten op de positie of de rijkdom of de armoe van de aangeklaagde. Steekpenningen, 'n omkoopsom, moeten van de hand worden gewezen. Het recht van de arme behoort in een onbevooroordeelde rechtspraak evenzeer gewaarborgd te zijn als dat van de rijke en aanzienlijke. Geen klassenjustitie! en geen rassendiskriminatie! Is Jakobus de apostel van de revolutie, zoals Maria in haar lofzang de revolutie zou bezongen hebben, zoals men tegenwoordig zegt? We,lienen sekuur te lezen wat er staat. Jakobus stelt hier tegenover elkaar het oordeel van de wereld en het oordeel in Gods koninkrijk, over mensen die het niet breed hebben, maar die God liefhebben. Naar het oordeel der wereld: arm. Naar de maatstaf van Gods Koninkrijk: rijk. Want: erfgenamen van het Koninkrijk!
In de gemeente behoren we "armen naar de wereld" niet als zódanig te behandelen, maar als "rijken in Gods Koninkrijk". Dus: met onderscheiding en liefde. God heeft hen uitverkoren. Niet om, maar ondanks hun armoede. Ja, om Christus' wil, die om onzentwille arm geworden is, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijken zouden worden, door Zijn armoede. (2 Kor. 8 : 9) Hier worden onze maatschappelijke maatstaven en verhoudingen volkomen gerelativeerd. Wat wij rijk en arm noemen wordt door Christus' komst in de wereld ineens zeer betrekkelijk gemaakt.
In de gemeente: als het goed is allen rijk gemaakt door de armoe van Christus. Waar maken we ons nog druk over? Wat voor zin heeft het om "rijk te zijn in de tegenwoordige wereld" (1 Tim. 6 : 17)? Geeft het voordeel? Het was voor de rijke jongeling een onoverkomelijke handicap (Luk. 18 : 18-27). Geeft dan het armzijn een wit voetje bij God? Waarom zou Agur dan bidden: geef mij armoe noch rijkdom? Spr. 30: 8.
Neen, bij God is geen aanzien des persoons.
Omdat Christus voor rijken en armen zijn rijkdom heeft opgegeven om voor ons arm te worden, mogen armen hun armoe inwisselen en mogen rijken hun rijkdom inruilen voor Christus' rijkdom: een schat in de hemel (Matth. 6 : 20, Luk. 18 : 22).
Zij aan wie Jakobus schrijft hebben hoofdzakelijk wel tot de armen behoord, die door hun rijke volksgenoten (misschien zelfs geloofsgenoten?) kwalijk behandeld werden (vers 6). (Er is geen reden om bij de processen aan geloofsvervolging te denken; het speelt zich af op maatschappelijk niveau.) Maar zo wordt de goede Naam, die bij de doop is beleden en aangeroepen gelasterd. Eén Naam is ons áller hope, en elke vorm van diskriminatie in de gemeente verduistert deze Naam, (Vers 27 doet toch wel sterk vermoeden, dat bedoelde rijken ook tot de gemeente behoorden.) Laat ons de koninklijke wet vervullen: uw naaste liefhebben als uzelf. Dit gebod des HEREN, staat als liefdegebod boven ons áller leven, van rijk en arm, zoals een koning staat boven al zijn onderdanen, rijk of arm, en ze regeert zonder aanzien des persoons (vers 8).
Handelen we toch met aanzien des persoons, dan krijgen we deze wet tegen ons (vers 9), en dan helpt het ons niet of we al enig onderdeel der wet gehouden hebben, maar dit grote gebod des naastenliefde niet, want staat toch die hele koninklijke wet tegenover ons (vers 10, 11).
God is één, zijn wet is één, ons leven behoort één te zijn, van mensen uit één stuk. Geen gespleten figuren, en geen opgesplitste gemeenten, door welke vorm van diskriminatie ook. Bedenk, dat we geoordeeld zullen worden door de wet der vrijheid (vers 12), d.w.z. de wet, die in haar opschrift de vrijheid als het grote Godsgeschenk proklameert; die in de vrijheid brengt en allen in de gemeente noopt elkaar in vrijheid te laten en de ander in zijn waarde te laten, een waarde' die bepaald wordt naar de dure prijs van het kostbare bloed, waarmee we allen vrijgekocht zijn (1 Petr. 1 : 17-19).
Het oordeel zal onbarmhartig opkomen tegen hen die onbarmhartig geweest zijn, maar het oordeel gaat op zij voor betoonde barmhartigheid (vers 13). (Hier is dus geen goddelijke, maar menselijke barmhartigheid bedoeld.)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief