PSALM 129
1974-02-22
Variante lezingen - Jaargang 18
- nummer 8
Nee, met Psalm 128 is het laatste woordt nog niet gezegd, zelfs al was dat laatste woord: vrede over Israël, Vrede is een veelzijdige zaak en kent veel facetten. Eén van die facetten is de bezonnenheid die het resultaat is van bezinning.
Die bezinning is kenmerkend voor Psalm 129.
Wat doet de dichter anders dan in grote lijnen Israëls historie schetsen? De waardering van deze schets loopt nogal uiteen.
De een ziet in het begin van de psalm een vorm van nationaal zelfbeklag, zoiets als: ze moeten mij (Israël) ook altijd hebben. Een ander stelt: als Israël op zijn geschiedenis terugziet, ziet het niet anders dan lijden. Wat heeft dat ongelukkige volk al niet moeten doormaken van het begin af aan!
Wij echter, voegt hij er aan toe, begrijpen dat nu wel: wij weten dat het Kanaäns eigenaardige geografische ligging was, die Israël al deze ellende bezorgde, En een derde maakt de maat vol, door bij vs. 2 b (maar zij hebben mij niet overmocht) aan te tekenen: zo laat de dichter in blijde nationale zelfverheffing zijn volk zingen.
Nationaal zelfbeklag en nationale zelfverheffing - wie zó kerkgeschiedenis wil beschrijven, moet toch wel heel wat factoren uitschakelen.
Dit konden opmerkingen zijn uit een neutraal geschiedenisboekje over "ongewijde" geschiedenis (stel dat die bestaat).
En als Israëls geestelijk inzicht en dat van zijn priester-dichters niet verder zou reiken, zou het - zeker na de ballingschap - toch een groot schandaal zijn.
Een lijdensweg
Nu wordt in deze psalm inderdaad (opnieuw, Ps. 120: 1) gesproken over Israëls benauwdheid.
Altijd zaten ze in het nauw. Een schrijnend beeld onderstreept dat nog eens: ploegers ploegden op mijn rug - zij trokken hun voren lang. 't Is alsof Israël zich vereenzelvigt met zijn land, zijn akker.
De pijn is bijna lijfelijk. Daarbij is het zo weerloos en machteloos als de akker, die door de ploeg genadeloos wordt opengescheurd.
Ja - en zo is 't Israël vergaan "van zijn jeugd af aan". Israëls jeugd - als volk - lag in Egypte: daaruit is het als kind weggetrokken.
Maar op Egypte volgde Amalek, Edom, Moab, Ammon, Filistea, Phcenicië, Aram, Assur, Babel - ieder op zijn beurt stond maar al te graag klaar.
Een gezegend volk is nu eenmaal een gehaat volk. Waar God zijn voetsporen zet, daar spruit trouw voort uit de aarde; waarheid en trouw ontmoeten elkander, gerechtigheid en vrede kussen elkaar (Ps. 85 : 11, 12). Maar 't lijkt wel of Satan in Gods voetsporen gaat om het onkruid van haat en afgunst te zaaien tussen de tarwe van Gods liefde. God en de duivel zijn vaak vlak bij elkaar te vinden.
Wie zijn toch die belagers van Israël, wie drijven het volk in het nauw? De dichter noemt ze niet bij name. Maar hij be-noemt ze wel: "goddelozen". Dat zijn in de bijbel vrijwel altijd mensen die met God te maken kregen èn haat tegen Hem gingen koesteren. Ze waren niet van Hem gediend. Van Zijn volk ook niet. Hun tweede naam is hier dan ook: haters van Sion. Sion - Gods uitverkoren stad, waar Gods uitverkoren volk woont. Ook na de ballingschap zal Israël zulke mensen ontmoeten.
Mensen die Israël de herbouw van Sion, van stad en tempel niet gunnen.
Niet dat 't hun gelukt "het goede van Jeruzalem" tep'en te houden (Ps. 128: 5; Ps. 1: 4-6). Laat de historie opnieuw spreken: de HERE, die rechtvaardig is (!), heeft doorgehouwen de touwen der goddelozen. 't Beeld verspringt maar is niet minder veelzeggend.
Van de geploegde akker dwalen de gedachten af naar de afgetobde ploeg-os. Nee, wat zij ondernemen gelukt hun niet: zij hebben mij niet overmocht, zij hebben het karwei van de vernietiging niet kunnen afmaken.
Integendeel - beschaamd deinzen zij terug. De blik van de dichter gaat naar de platte daken van aangestampte aarde. Er groeit wat gras op - maar voor je er aan toe komt 't uit te trekken is 't al verdord. Laat staan dat een maaier met de halmen de boezemplooi van zijn kleed kan vullen, nog niet zijn hand. Een oogstgroet, als op Boaz' akker, is er dan ook niet bij. De zegen ontgaan hun.
De feiten spreken
De psalm overziende kunnen we constateren, dat de dichter niet anders doen dan enkele feiten vaststellen met behulp van enkele markante beelden. Die feiten zijn: altijd weer zit Israël in het nauw; de HERE schenkt verlossing; de tegenstanders keren onverrichter zake terug.
Nu zijn wij geneigd, daar direct enkele vraagtekens bij te zetten.
Waarom zit Israël zo vaak in het nauw? Is dat niet vaak eigen schuld? Bereikt Israël zo niet het stadium van gearriveerde triomfantelijkheid?
Verloste God zijn volk niet om zijn eigen Naam te heiligen?
Klinken de woorden over het débacle der goddelozen niet erg wraakzuchtig? En resulteert dat alles tenslotte toch niet in nationaal zelfbeklag en nationale zelfverheffing?
We geven grif toe: die lied heeft de schijn tegen. Althans als we het losmaken uit de bijbelse context in het algemeen en uit het bundeltje "liederen van de tocht" in het bijzonder. Om bij dat laatste te blijven: uit Ps. 130 blijkt, dat Israël wel degelijk bepaald wordt bij de oorzaak van zoveel ellende, zijn ongerechtigheden. En Ps. 131 rekent af met de mogelijkheid van een vermeend superioriteitsgevoel: mijn hart is niet hovaardig. .. mijn ogen zijn niet trots.
Heus, de dichter weet wel wat hij zegt, zelfs als hij dicht. Hij doet niet uit de hoogte, als hij Israël hoort roepen uit de diepten. Maar waarom mag hij niet ook eens die andere kant van de medaille laten zien. Misschien ligt het ons niet zo erg, dat een zondaar in een bepaalde situatie zijn onschuld betuigt tegenover God (Ps. 7 : 4 v.v.).
Misschien zijn wij wel eens te negatief ingesteld als wij denken over Gods genade. Wij behoeven ons zelf toch niet uit te vlakken - juist niet omdat God ons niet uitvlakt! Dat is toch glorieus?
Nooit meer alleen
In de psalmen 120-128 komen nogal wat détails naar voren. Maar in Ps. 129 is de tijd gekomen om eens (ver) terug te zien. Er komt een zekere distantie t.a.v. het jongste verleden: die gaat passen in een totaalbeeld. Dat totaalbeeld lijkt ongenuanceerd, gesimplificeerd, rechtlijnig. Daarmee is de zwerver in Mesech (Ps. 120) of het half-afgebouwde huis, het kinderloze gezin en de puinhoop van Jeruzalem niet vergeten of als onbelangrijk afgeschreven. Juist in dat totaalbeeld is Israël, het hele Israël vanaf Ex. 1, verdicht tot één persoon. Zo kun je óók heilsgeschiedenis schrijven. Zo lijd en huil je nooit alléén - is niet heel Israëls geschiedenis een lijdensweg.
Zo kun je ook de beker der verlossing opheffen en één zijn met de blijden. Niet: ik mag van geluk spreken (of: ze hebben de pik op mij) - Israël mag van geluk spreken. Met deze zienswijze blijken er onvermoede samenhangen, wordt althans een deel van de contact-armoede opgeheven.
Zo immers gaan de Schriften weer op een heel eigen en wéér nieuwe wijze spreken. Misschien kunnen we toch nog wel iets leren van die joden die zichzelf (zij het nu ten onrechte) identificeren met de lijdende Knecht des HEREN.
Er is een gerechtvaardigde identificatie, een zich één weten met heel Gods volk. Daarbinnen blijft alle ruimte voor persoonlijke ervaringen.
Maar het totaalbeeld verandert niet. Een lijdensgeschiedenis?
Maar de HERE heeft de touwen der goddelozen doorgehouwen - wij mogen van geluk spreken, met Israël!