Inschikkelijk zijn: in ondergeschikte zaken.
1974-03-01
- Jaargang 18
- nummer 9
Mattheüs 17 : 24-27
Toen de belastingontvangers in Kapernaum zich bij Petrus vervoegden met de vraag: 'Zeg, betaalt je meester de tempelbelasting niet?' - heeft de Heer het eerst Petrus duidelijk gevan zijn Vader naar goddelijk recht maakt, dat Hij als Zoon in het Huis niet verplicht was de tempelbelasting te betalen.
Maar de Heer betoont zich inschikkelijk.
Hij betaalt, om kwesties te voorkomen en om te laten zien, dat Hij zich nederig stelt onder de door God gewilde ordening van de joodse samenleving.
Hij zegt tot Petrus: 'Om de belastingontvangers geen ergernis te geven: ga naar het meer en werp een vislijn uit.
Pak de eerste vis die je vangt en als je zijn bek openmaakt, zul je een zilverstuk vinden. Geef ze dat, het is genoeg voor ons beiden.' Datzelfde recht, om van een bepaald stuk van zijn christelijke vrijheid geen gebruik te maken ter wille van veel grotere belangen; diezelfde wijsheid om in ondergeschikte zaken een bepaald recht niet op de spits te drijven; dat bereid zijn, zelfs om onrecht te dragen (al mogen we dat onrecht wél aan de Here klagen) - treft ons ook meermalen bij de apostel Paulus en bij mannen als Calvijn.
Zulks alles ons tot lering en waarschuwing.
Onze vriendelijkheid (en dat betekent ook onze inschikkelijkheid) moet bij alle mensen bekend zijn. Phil. 4: 5.