Aktueel belijden
1974-03-08
- Jaargang 18
- nummer 10
Er is nog één moment in de levensarbeid van Groen van Prinsterer waarop ik wil wijzen.
En wel op zijn belijden van het Evangelie.
Ook wat hij in dat opzicht zei en deed is Groen weer hoogst aktueel.
De omschrijving van wat hij onder het belijden van het Evangelie verstond en de daad daarvan treedt op bizonder duidelijke wijze aan het licht in Groen's optreden ten opzichte van het Nederlandsche Zendelinggenootschap.
We zullen daarom daarvan nu iets zeggen.
Het Nederlandsche Zendelinggenootschap werd in 1797 opgericht.
Het werd in het leven geroepen om allen te verenigen, die begeerden te arbeiden "tot de uitbreiding van het ware christendom, zoals dat gelegen is in het geloof des harten in de Here Jezus Christus als de Goddelijke Verlosser Die voor ons en in onze plaats onze zonden gedragen heeft in Zijn Lichaam op het hout."
Dienovereenkomstig had het tot devies: "Vrede door het bloed des kruises."
In de loop der jaren kwamen vrijzinnige" lieden in het bestuur, o.a. de bekende leider van de "Groninger School", prof. Hofdstede de Groot. De "Groningers" loochenden o.a. dat Jezus Christus de Zoon van God is. Zij ontkenden dat de Heilige Geest waarachtig God is. En ze verfoeiden de prediking van het schulduitdelgend offer van Jezus Christus aan het kruis. Die prediking diskwalificeerden zij als "bloedtheologie". Het lijden en sterven van de Heiland was voor hen niet meer dan het betoon van zijn liefde voor de mensen.
Deze invasie van vrijzinnige bestuursleden deed ook haar - funeste - invloed gelden in de opleiding van de zendelingen. Reeds in 1842 waarschuwde Groen van Prinsterer tegen dit gevaar, maar zonder resultaat. Ten slotte schreef Groen een brochure waarin hij de situatie in dit Genootschap scherp kritiseerde. Uit deze ongelofelijk geladen brochure zal ik het een en ander citeren.
Zijn kritiek op het Zendelinggenootschap is voor Groen een gewetenszaak Er zijn namelijk situaties "waarin men door zwijgen beaamt, door lijdelijkheid ondersteunt, door niet bestraffen van een verderfelijke leer, den leugen-prediker gelijk wordt; waarin men wat de belijdenis van de Heer op de lippen, de Heer verloochent, omdat men aan zijn vijanden de hand reikt." 1) Naar Groen's overtuiging moet steeds kritiek worden geleverd op wat strijdt met het Woord van God, met de waarheid van het Evangelie. En dat zonder aanzien des persoons. Groen is "geen vijand van ernst en nadruk in de kritiek." Ik begeer niet, zo schreef hij, "dat aan de eigenliefde der Auteurs de waarheid worde ten offer gebracht, ik betwist niet dat de oordeelkunde somtijds tot het toebrengen ener wonde verplicht is, mits niet het kwetsen, maar het genezen worde bedoeld; mits de oordeelkunde onder het kwetsen heelkunde zij; mits de scherpheid van het mes, onder leiding van de heelmeester, aan het bederf weren, niet aan een onbarmhartig grieven en kerven worde gewijd." 2) Speciaal in de situatie van volk en kerk in zijn dagen achtte Groen deze kr itiek noodzakelijk. "Wel verre van overdreven omzichtigheid en verschonend stilzwijgen te verlangen", zo schreef hij, "acht ik veeleer dat, bepaaldelijk in ons Vaderland, meer wrijving en botsing der denkbeelden wenselijk is.
Zonder vrijmoedige toetsing der wederzijdse gevoelens is er geen wezenlijke vooruitgang." 3)
Nu waren er mannen die Groen van harte als gelovigen en dus als broeders beschouwde die er geen bezwaar tegen hadden samen te werken in een organisatie als het Zendingsgenootschap met lieden die de Godheid van de Here Jezus, de schuldbetalende kracht van zijn kruisdood en de werking van de Heilige Geest loochenden. Zij achtten zich "in genen dele geroepen om de vereniging met de vootstandersen bestrijders der waarheid ter Ohristelijke samenwerking, tegen te gaan. Zij achtten het voldoende als men de naam van Christus als leus ophief!
Een verwijzing naar het "wat dunkt u van de Christus?"
beschouwden zij als een "onvoorzichtigheid".
En elk bezwaar tegen het gezamenlijk werken "naar strijdige beginselen" stelden zij op rekening van "hoogmoed en liefdeloosheid".
Als men dan zulke broeders de vraag stelde hoe het Zendelinggenootschap stond ten opzichte van de genoemde vraag klaagden zij over de "klein-geestigheid"
waarmee men "in een Christelijke instelling den echt-
Christelijken zin van ootmoed en verdraagzaamheid miskende." 4) Met deze stand van zaken voor ogen vraagt Groen nu aan de christenen die met hem aan de aangenomen leer der Christelijke Kerk gehecht zijn: "Zijn er geen waarheden waaromtrent, onder het bestuur van de onfeilbare Leidsman door alle tijden heen, overeenstemming der gelovigen geweest is; zijn ze u onbekend, acht gij ze onverschillig, meent gij aan liefde zonder leer genoeg te kunnen hebben, of, laat ik beter zeggen, meent gij dat liefde zonder geloof, zonder aanneming der leer van Gods liefde jegens zondaren aan het kruis geopenbaard, mogelijk is; kunt gij de waarheden
voor; uw eigen rust en voor de behoefte van het geweten van zondaren missen; hebt gij voor de prediking van het Evangelie onder de heidenen geen Bijbel nodig die het Woord van God is, geen Zaligmaker die zich, omdat het hem toekwam, Gode even gelijk heeft gemaakt; geen barmhartige Hogepriester die' zich zelf voor ons heeft overgegeven, die voor ons voldaan en onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout; geen Heilige Geest door wie het hart geopend en de Gemeente in alle waarheid geleid wordt; zijt gij waarlijk te vrede met het klatergoud dat men ons, als de uitgevonden steen der wijzen, in de hand speelt?" 5) Als het zo met u staat, zo vervolgt Groen "hebt dan de moed om het juk der Evangelie-leer te verbreken; om ze openlijk te verwerpen; om althans, zonder omwegen, te erkennen, dat gij de verloochening van geen enkele waarheid der Openbaring als een genoegzame grond van onverenigbaarheid van inzichten en bedoelingen beschouwt. Doch, is het tegendeel waar, ligt er ook in uw hart nog een vonk van het vuur dat de profeet bedoeld heeft in de woorden: "de ijver van uw Huis heeft mij verteerd"; en mocht het u blijken dat gij, onder de naam van liefde, vrede, en verdraagzaamheid, aan het veld winnen van antichristelijke wanbegrippen bevorderlijk zijt, legt dan een flauwhartigheid af die verderfelijk is, en waardoor ook het Nederlandsche Zendingsgenootschap onder de invloed van het ongeloof gebracht wordt." 6)
In wat Groen met zoveel droefheid en zorg in het Zendelinggenootschap signaleert ontdekt hij de grote zonde, tegelijk ook de grote verzoeking van de gelovigen, van de kerk van zijn dagen.
Het is namelijk zo dat in iedere periode van de geschiedenis der kerk het Evangelie op een bepaald punt wordt bestreden. Of, anders gezegd, dat een bepaald aspect van de waarheid Gods wordt geloochend en daarom de geloofsstrijd der kerk zich op dat punt concentreert, althans zich concentreren moet. Dat was in vroeger eeuw b.v, het goddelijk Zoonschap van Jezus Christus, de radicaliteit van de verdorvenheid van de mens, de soevereiniteit en exclusiviteit van Gods genade, de rechtvaardigheid des geloofs.
In Groen's dagen was dat naar zijn vaste overtuiging de valse verdraagzaamheid ten gevolge waarvan men in de Kerk en in andere gemeenschappen hen die de waarheid van het Evangelie in enigerlei opzicht loochenden als gelijkberechtigden accepteerde en met hen samenwerkte. 0 zeker, er waren er nog velen die waarheid van het Evangelie, alle waarheden die de Kerk aller eeuw van harte aanvaardden en predikten. Maar, zo schreef Groen, "die handhaving zelf wordt ongenoegzaam en bijkans overtollig, indien men niet vooraf een dwaling te keer gaat, welke thans veld wint, welke thans heerschappij voert, waarin thans voor alle dwalingen een steunsel gezocht wordt". Het is deze dodelijke dwaling "dat de Kerk generlei overeenstemming behoeft in het geloof; dat de eenheid der Gemeente op de menigvuldigheid der individuele meningen berust; dat elke mening, ook die de heiligheid der Schrift en het aanzijn van den Christus wegredeneert, in de Christelijke Kerk gelijk rechtheeft. Belijdenis van het uitsluitende recht der Christelijke waarheid in de Gemeente; belijdenis der onverenigbaarheid van deze waarheid met hetgeen gij, medegelovigen! voor antichristelijk houdt, dit is het wat ons, indien wij getuigen en, enigermate althans, naar de eis dezer tijden, martelaars der waarheid verlangen te zijn, in de tegenwoordige toestand van de Kerk betaamt."
"Let op", zo bezweert Groen zijn broeders, "wat men u verbiedt en wat u vergund wordt. Gij moogt de ganse Kerkleer bekend maken en aanprijzen, tot in de fijnste uitpluizingen der meest geprezene dogmatiek. Gij moogt de predestinatie met den aankleve van dien.
betogen van de kansel en in geschrift.
Niets hebt gij te duchten, zolang gij aan anderen de bevoegdheid niet betwist om aan de Gemeente de leugen voor te dragen die hun waar, en het kwaad dat hun goed dunkt."
0, neen, men wil de waarheid niet verbannen - "mits de goede verstandhouding met de leugen worde bewaard. Het blijven bij de kudde, 0 ja! staat de herders vrij - mits aan de wolf verdraagzaamheid worde betoond. Men ontzegt u niet het prediken van de Christus die gij voor de Enige Waarachtige houdt - mits gij aan het prediken van een andere Christus, van de verheven hemeling, van de Wijsgeer, van de niet meer zondeloze, van de niet meer historische Christus geen ergernis noemt." 7)
De situatie van de christenen van zijn dagen vertoont, volgens Groen, in dit opzicht veel gelijkenis met die van de eerste christenen.
Ook aan die werd de verering van de Christus toegestaan op conditie dat zij ook de Keizer hun hulde betoonden. Een dergelijke verering van de Christus gunden de Keizer aan de jonge christenen graag. Ook de Keizers "wilden Christus wel tot een voorwerp van verering stellen; op één voorwaarde evenwel, namelijk dat Hij niet in de plaats, maar in de rij van de afgoden zou staan, en de Christenen zijn verbrand en in de schouwspelen verscheurd, alleen omdat zij, voor die verdraagzaamheid, te bekrompen en uitsluitend zijn geweest."
In de negentiende eeuw wordt nu in Nederland, door de openbare mening, "dezelfde ruimte van beschouwing ten aanzien van de godsdienstbegrippen verlangd."
Men kent de voorwaarde voor de algemene vrede, een voorwaarde die men ook in de Kerk laat gelden.
Geloof en belijd de Christus als de Zoon van God in zijn lijden en sterven als schulddelgend offer voor de zonde der wereld . maar sta tegelijk toe dat in de Kerk anderen dat ontkennen en Jezus eren op allerlei manier, alleen niet als de Zoon van God die de zonde der wereld droeg en verzoende. Ais men aan deze voorwaarde voldoet "is het wel: onttrek u er aan, en, zo men tegen uw machteloosheid geen strenge maatregelen van terechtwijzing of uitbanning behoeft, spoedig zult gij, al is het slechts door minachting en hoon, ondervinden dat gij, in de schatting der toongevers, een liefdeloos en onverdraaglijk mens zijt."
Maar, en Groen legt daar alle nadruk op, "dat wat men in dit opzicht van de christenen, van de leden der Kerk, vraagt, is hun niet toegestaan! "Verdraagzaamheid moogt ge niet bewijzen aan hetgeen in uw oog Godslasterlijk is. Ge moogt niet vergeten dat vereniging van water en vuur, alleen wanneer het vuur uitgedoofd is, mogelijk wordt." 8)
Het punt waar, de wijze waarop het geloof der Kerk wordt aangevallen en geloochend bepaalt nu de concrete inhoud, de spits van het belijden. En dat is in Groen's dagen de valse verdraagzaamheid, de onverschilligheid waarmee gelovigen, ambtsdragers het aanzien, het toelaten dat in de Kerk en in allerlei vereniging de loochenaars van het Evangelie naast hen en in samenwerking met hen hun verwoestend werk verrichten.
Het is voor Groen een trieste en verontrustende zaak dat vele van zijn geloofsgenoten, zijn broeders wel "hun geloof verkondigen", maar in de zaak waar het vóór alles op aan komt op fatale wijze te kort schieten. Zij laten namelijk "als leden van Kerk of Genootschap, anderen in de verkondiging van hun wangeloof ongemoeid."
En zij zijn bij hun falen in hun allereerste roeping "op de volkomenheid hunner trouwbeloning gerust; zien althans de uitgestrektheid niet van hun vergrijp.
Evenwel zij verzaken de Heer, juist in het éne waarin belijden van de Heer te pas komt."
Deze mensen zijn gelijk aan de bewakers van een stad "die overal bij de hand is, behalve waar de vijand zich bevindt." Zal men de "onversaagdheid" van deze wachter roemen? En zou men een "hoge dunk" moeten hebben "van de oprechtheid en ijver van hen die in elk gevaar der Kerk met de meeste vrijmoedigheid uitkomen voor alle waarheden, met uitzondering der éne welke bedreigd wordt"?
Groen vat zijn bewogen uiteenzetting van het ware, het actuele belijden, dat tegelijk een indringend appèl is, in deze woorden samen: "Het belijden, waarin de kracht van het Christelijk geloof zich openbaart, ligt niet altijd in het getrouwelijk opzeggen van al de Artikelen der geloofs; niet altijd in onvoorwaardelijk onderschrijven van de Symbolische Schrift; zelfs niet in een prediking waarin geen enkel woord aangetroffen wordt dat de meest rechtzinnige leermeester ergeren zou." Neen, "het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging bezwaar heeft, waar het belijden met lijden vergezeld is." .
Zoals "de aanval het kritieke punt wijst, zo volgt, uit de aard der verloochening, de aard der belijdenis welke, naar de verschillende omstandigheden, in ieder tijdsgewricht der gelovigen voegt. Door zodanig belijden is het alleen dat de Kerk wordt behouden en dat de waarheid, in de strijd zelve telkens ontwikkeld en bevestigd, over de dwaling in de veelsoortigheid van haar vijandige vormen triumfeert. Altijd één waarheid is er, wier belijdenis, terwijl men de ganse waarheid vas1Jh.oudt, speciaal belang heeft; tegen Arius de Godheid van de Heer; tegen Pelagius de vrije genade; tegen de Roomse Kerk de rechtvaardiging door het geloof alleen; tegen de Remonstranten de Souvereiniteit Gods." 9) En nu is die éne dwaling, zoals boven reeds werd gezegd, "de dwaling dat de Kerk generlei overeenstemming behoeft in het geloof; dat de eenheid der Gemeente op de menigvuldigheid der individuele . meningen berust, dat elke mening, ook die de heiligheid der Schrift en het aanzijn van de Christus wegredeneert, in de Christelijke Kerk gelijk recht heeft."
Ten aanzien van die éne waarheid was in Groen's dagen - en is niet minder in de onze! - "plichtsbetrachting en moedbetoon aan de orde van de dag." 10)
1) Het Nederlandsche Zendingsgenootschap, 's-Gravenhage, 1848, 62. 2) Idem, 64. 3) Idem, 65. 4) Idem, 74. 5) Idem, 7617. 6) Idem, 77. 1) Idem, 140/1. 8) Idem, 141/2. 9) Idem, 139/40. 10) Idem. 140/1.