De brief van Jakobus
1974-03-08
Laat niet zovelen uwer rechters zijn - Jaargang 18
- nummer 10
(4 : 11, 12)
Dit is een opschrift naar analogie van 3 : 1: laat niet zovelen uwer leraars zijn. Zoals het anderen willen "beleren" ons in het bloed zit, zo ook het anderen willen be- en veroordelen. Het rechtertje spelen.
We weten het zo goed voor een ander, we zien zo scherp de splinter in zijn oog, maar de balk in eigen oog ... Matth. 7 : 1-6.
Dit kwaad spreken en "lichtelijk en onverhoord oordelen" is 66k een zonde van de tong, waar Jakobus telkens weer op terug komt, 1 : 19, 26; 3 : 1-12. Het geeft ook aanleiding tot het onderling "strijden en vechten". (4 : 1) Tot 3 x toe noemt Jakobus hier de "broeder". Dat kan nooit samengaan: broeder-zijn en kwaad-spreken.
We leven als broeders onder de "koninklijke wet der liefde" (2 : 8). Wie dan samen met zijn broeder onder de boog van deze wet levende toch van zijn broeder kwaadspreekt en hem oordeelt, spreekt kwaad van en oordeelt de wet. (Verg. voor een dergelijke manier van spreken 1 Joh. 1 : 10: als we zeggen, dat we niet gezondigd hebben, maken we God tot een leugenaar.) En wie de wet oordeelt, stelt zich als rechter tegenover de wet op.
Maar dat past ons niet. Ons betaamt slechts de positie van "dáder der wet" (1 : 22).
Jakobus volgt hier een kettingredenering:wie zijn broeder kwaadspreekt oordeelt hem; wie zijn broeder oordeelt - oordeelt de wet; wie de wet oordeelt - is een rechter der wet.
Hij wil kennelijk met deze opeenstapeling van conclusies de ogen openen voor dit grote kwaad, dat de broederschap. uiteenscheurt.
Eén is aller Wetgever en Rechter!
Hij alleen heeft de macht om te oordelen, te verderven èn te behouden.
Ja, het éérste staat in vers 12 zelfs voorop, en daarmee wil Jakobus vragen: als jullie zo gauw klaar staan met je oordeel over een ander, is dat uit begeerte ook te behouden? of ... te verderven?
Wie zijt gij ZELF, 0 mens, dat ge uw naaste oordeelt?
Vreest ge zélf dan de Rechter niet?
Met de verwijzing naar God als Rechter zijn we weer bij ps. 75 en zien we het verband met het voorafgaande: "God is Rechter, Hij vernedert deze en verhoogt gene", Ps. 75 : 8 en Jak. 4 : 6 en 10.
Maar er is nog méér verband met het voorafgaande: het kwaadspreken van elkaar is bepaald geen symptoon van de wijsheid die van boven komt (3 : 15), maar het is "aards, ongeestelijk, duivels" ("eigen werken des duivels", antw. 112 van de Catechismus). Tegenover de hemelse wijsheid staat de aards-domheid (geen intellektueel tekort, maar zondige ondeugd) die altijd verkeerd reageert; lachen als men huilen moet (4: 9),zwijgen als men spreken moet, babbelen als men zwijgen moet (3: 1; 4: 11) enz. "Wijsheid-zonder liefde", die genadeloos lacht, onmenselijk zwijgt, liefdeloos oordeelt. (Smelik).
Wacht u voor ijdele planning
(4: 13-17)
D.V. Dat is de gebruikelijke inkorting van 4 : 15. Deo volente = als God wil. Maar vers 15 omvat wel wat meer: "Indien de Heer wil, zullen we leven en dit of dat doen". We zijn met ons D.V. nogal kwistig. Ménen we het ook? En némen we het ook, als de Heer niet wil, dat we leven en dit of dat doen?
Er is een prachtige spreuk van Salomo (3 : 6): "Ken de HERE in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken".
D.w.z. betrek Hem in al uw plannen, overleg alles met Hem in uw gebed, - dan zal Hij uw paden recht maken. Hoe het ook gaat, Hij zal altijd een pad banen, waarlangs uw voet kan gaan.
Planning hoort bii het wezen van de verantwoordelijke mens. Planning verbindt het heden met de toekomst. Het plan lokt, bezielt, geeft veerkracht en uitzicht. Ondanks de marge van onberekenbaar risiko blijft de mens plannen maken. En dat is goed. Besef van verantwoordelijkheid moet echter samengaan met besef van afhankelijkheid.
Afhankelijk je weten van Gods planning verstoort onze planning niet, maar wèl onze zelfverzekerdheid, grootspraak en ijdel roemen. Als we ons van God emanciperen en autonoom gaan opstellen, vallen onze plannen niet binnen de planning van Gods Koninkrijk.
(Smelik) Hangt het 17e vers er niet wat los bij? "Als iemand dan weet goed te doen en het niet doet is het hem tot zonde".
Toch is er wel degelijk verband.
Jakobus' waarschuwing tegen ijdele planning is n.l. tweeledig. IJdele planning kan zijn: onnadenkend zeggen: we gaan morgen hierheen en overmorgen daarheen, zonder te weten of we er morgen nog wel zijn. Maar het kan ook zijn: tot morgen uitstellen wat we vandaag van de Heer moeten doen... we weten immers niet, of we er morgen nog wel zijn en het nog kunnen doen?
Dat zijn de twee kanten van ijdele planning.
Wie een geweldig plannenmaker is in eigen belang is vaak niet in beweging te krijgen om te doen, wat God van hem vraagt vandáág te doen.
Onze stoutmoedige plannen strekken zich soms uit ver buiten ons vermogen, terwijl we niet doen het goede wat binnen ons bereik ligt.
Waar ligt ons grootste risiko? Niet onderweg, maar thuis. Als je aan je stoel vastgeklonken zit, terwijl de Heer je roept het goede te doen. Het risiko van het wel te weten, maar niet te doen. (zie hier weer de grote lijn door Jakobus' brief).
Tegen die risiko kun je je zelfs bij God niet dekken. Omdat het zónde is. En daar kun je je alleen van bekéren.
Doe het goede en stel niet uit tot morgen, wat de Heer je wijst dat je doen moet, - dan zal Hij onderweg uw uitgang en uw ingang bewaren, van NU aan, vandaag, tot in eeuwigheid. (Ps. 121 : 8) Z6 te leven is wederom een bewijs van "wijsheid-die-van-boven-is" (3 : 15).
Jakobus waarschuwt tegen een levenshouding, die niet konkreet rekening houdt met Hem, Die ons leven en ons sterven in Zijn hand houdt.
"Het verdringen van ons weten van de dood is on-wijs en inhumaan.
Het is toegeven aan de drang tot eeuwige prolongatie van ons bestaan, onze bestaanswijze, onze omstandigheden. Het is leven alsof men het leven genómen heeft in plaats dat men het ontvàngen heeft." (De Graaf)