De kerkelijke examens (II)

1974-03-08
  • Jaargang 18
  • nummer 10
• Invloed van de hogeschool

Wanneer de kerken zelf lieverlee de band aan de belijdenis verliezen, kan het niet uitblijven dat de examens door kerkelijke vergaderingen afgenomen, meer en meer tot een ijdele vertoning worden.
Het moet helaas geconstateerd worden, dat de afwijking van het belijden dikwijls bij de universiteiten begon. Kwamen de dwalingen van Arminius niet vooral in het licht aan de universiteit te Leiden? En zijn allerlei dwalingen in de (syn.) gereformeerde kerken niet ter wereld gebracht in de kring van de theologische faculteit van de V.U.?
Daar is de grote kraamkliniek voor allerlei vreemde opvattingen.
Daarom is het nodig, dat er op de kerkelijke vergaderingen toegezien wordt. Bij examens moeten ongereformeerde candidaten worden afgewezen.
Maar er moet ook gesproken en gehandeld worden met predikanten en docenten, die een verkeerde leer brengen. Anders zou men alleen de candidaten treffen, en zouden predikanten en hoogleraren vrijuit gaan.
De kerkeraden hebben diligent te zijn. Vooral de kerkeraden in universiteitssteden.
De taak van het toezicht op de leer van predikanten en hoogleraren mogen de kerkeraden en andere kerkelijke vergaderingen zich niet laten ontnemen. Men probeert het nog wel eens voor te stenen, alsof het dikwijls over theologische kwesties gaat, waar een gewoon gemeentelid, ook de "ongeschoolde, eenvoudige" ouderling niet voldoende over kan oordelen. Het gaat dan echter juist over dwalingen, over een lijnrecht tegenspreken van de bijbel, dat ieder onderlegd gemeentelid als zodanig kan onderkennen, en zeker elke ouderling, die volgens het bevestigingsformulier Gods Woord naarstig heeft te onderzoeken.
In een overschatting van de theologie als wetenschap gaat men de dwaling echter verwijzen naar een Raad voor Kerk en Theologie zoals dat in de hervormde kerk gebeurt. Ook de (syn.) gereformeerde Prof.
J. v. d. Berg pleitte voor een dergelijk lichaam in zijn kerken.
Maar men gaat dan een verkeerde weg. In plaats van eenvoudig uit de H. Schrift de dwaalleer te bestrijden gaat men deze "wetenschappelijk" met allerlei ingewikkelde redeneringen goedpraten. Daarbij komt dat men hen, die de dwaling willen bestrijden verwijt, dat ze hun tijd niet verstaan. Een wel zeer onwetenschappelijk argument.
Men bedoelt dus, dat je in de theologische wereld alleen meetelt, als je met de heersende mode mee gaat.
Zoals we al zeiden, het kan ook goed zijn in bepaalde omstandigheden ook gevestigde predikanten opnieuw te examineren.
Ds Joh. Jansen heeft in zijn Korte Verklaring van de kerkenorde er op gewezen, dat als hier en daar ketterij is ingeslopen, ook predikanten opnieuw kunnen worden onderzocht. Zulk een examen moet dan gaan, over de punten die op dat ogenblik in het geding zijn.
Zo zal men in de tegenwoordige tijd vooral moeten vragen over het bijbelgezag. Ook bij de examinatie van studenten. Velen van hen, die zich voorbereiden op het predikambt in onze kerken studeren aan de V.U. of in Utrecht. En we weten hoe er in Amsterdam over het Schriftgezag wordt gedacht en onderwezen. De cahiers van Baarda, Kuitert, D. C. Mulder e.a. zijn duidelijk genoeg. En aan de Utrechtse universiteit zijn ook barthiaanse invloeden. Er zal op de examens gevraagd moeten worden, hoe men denkt over de antithese. Over de algemene verzoening. Verwerpt men dit denkbeeld duidelijk? Of komt men met vage en ontwijkende antwoorden? Daar mag geen genoegen mee worden genomen.
Veel punten zijn in het geding. Daarom is het in veel gevallen niet voldoende, dat er maar een half uur over de geloofsleer wordt gesproken.

De synode van Middelburg (1581) zeide dat de examens niet licht noch onachtzaam maar ernstig gedaan moesten worden in de bijzonderste hoofdstukken van de christelijke religie en in die hoofdstukken welke door verscheiden ketters allermeest bestreden worden. (vetgedrukte van mij, A.).
De kerken zelf zullen examineren.
Mede omdat de hogescholen zo vaak de bakermat waren en zijn van allerlei dwaalleer, is het niet gewenst dat zulk een hogeschool het examen afneemt. En het examen heeft een niet-wetenschappelijk karakter, hoort dus niet op de academie. Joh. Jansen vertelt, dat de kerken vroeger het praeparatoir examen wel aan de universiteit overheten, maar zij hebben het juist met het oog op de arminiaanse dwalingen aan zich zelf getrokken. Dat was terecht. Daarom is het ook niet helemaal juist dat in de christian reformed churches in de V.S.
en Canada dit praeparatoir examen nog in Grand Rapids aan het Calvin College wordt afgenomen. In Kampen nam de hogeschool dit examen ook eerst af, maar de synode van Middelburg (1896) besloot, dat dit daarna zou geschieden door de classis, binnen welks ressort de candidaat woonde.

• Geen formaliteit

Het is wel jammer, dat juist in deze tijd nu de examinatie van candidaten zo broodnodig is, ze in veel gevallen niet aan het doel beantwoorden.
De examens worden wel afgenomen, tot op zekere hoogte gebeurt dit ook zorgvuldig, maar het examen beantwoordde niet aan zijn doel. Mijn ervaringen in de gereformeerde kerken (syn.) zijn dan ook dat een candidaat die duidelijk schriftcritische ideeën had, zonder bezwaar door de kerkelijke vergaderingen wordt toegelaten. Ook de aanwezigheid van deputaten van de particuliere synode ter classis gaf geen baat. In sommige gevallen waren deze deputaten zelf bijbelcritisch.
Uiteraard was de ene classis getrouwer in het vervullen van haar taak dan de andere. Het is wel gebeurd dat een candidaat werd toegelaten, die ontkende dat er een paradijs en een eerste mensenpaar geweest is.
Er werd echter de bepaling bij gemaakt, dat deze candidaat, eenmaal in het ambt deze opvatting niet mocht propageren in zijn preken of op zijn catechisatie. Dit gebeurde echter toch, en men stond machteloos.
En later neemt de candidaat een beroep aan naar een andere gemeente en daar maakt men in het geheel geen bezwaar.
Ook gebeurt het wel, dat de examinatoren van het onderzoek een soort debat willen maken. Men gaat een interessant gesprek aan, dat echter geheel vrijblijvend is. Maar dat is de bedoeling niet. Het gaat er om, dat de kerken gereformeerd blijven.

• Het gaat om onze zaak

Nostra res agitur. Onze zaak is in het geding. Wij hoeven niet te denken dat wij op een eiland leven. We hoeven niet in de waan te leven, dat de geest van dwaling die de hervormde kerk en ook de syn. gereformeerde kerken teistert ons voorbij gaat. De moderne ideeën probeert men ons op allerlei wijze aan te praten, Trouw aan het belijden, eenvoudige gehoorzaamheid aan Gods Woord is voor vele voorgangers en gemeenteleden geen eenvoudige vanzelfsprekende zaak.
Daarom is het goed, dat ook onze kerken heel duidelijke regels stellen voor de toelating tot het ambt van predikant, en voor het verlenen van preekconsent.
Een kerk kan zo maar niet een broeder uitnodigen om voor te gaan in de dienst, als die niet tevoren in de regio onderzocht is'. En artikel 17 van de concept kerkenorde onzer kerken stelt o.m. ook terecht: "Ook zij, die door een regionale vergadering beroepbaar zijn gesteld, of het recht hebben verkregen een opbouwend woord te spreken, zullen door ondertekening van de Drie Formulieren in die vergadering hun instemming met de leer der kerk betuigen".
Men heeft wel bezwaar gemaakt tegen zulk een schriftelijke instemming met de belijdenis, en men hoort die bezwaren nog wel. Moet vooral in de kerk - ons ja niet ja zijn, en ons neen neen? Moet men niet met een mondelinge verklaring genoegen nemen?
Maar men moet zich ook hier door de harde feiten laten leren. Hoe vaak heeft men instemming betuigd met de belijdenis, door bv. aan het begin van een vergadering' daartoe op te staan, terwijl later bleek dat men tegen dit belijden inging?
Een schriftelijke instemming, met de nodige bepalingen hoe men handelen moet bij twijfel ten aanzien van bepàalde punten uit de belijdenis, geeft veel meer houvast en is zeker gewenst. Dit waren maar enkele opmerkingen. Uiteraard willen we niet ontkennen, dat er veel goede examens zijn, die met vreugde worden afgenomen, waarbij een grote liefde voor Gods Woord en het belijden van de kerk blijkt.
Maar het is goed, dat we ten allen tijde, voor zover het in onze macht ligt, er voor waken dat we betrouwbare voorgangers hebben, opdat de gemeente zij een huis Gods, een pijler en fundament der waarheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief