Boekbespreking

1974-03-08
  • Jaargang 18
  • nummer 10
Dr G. C. van Niftrik, De Liefde'"
Uitg. van G. F. Callenbach B.V.
Nijkerk; gebonden; prijs f 14,50.

Dit boekje bevat de tekst van voordrachten die Prof. Van Niftrik voorjaar 1970 voor de NCRVmicrofoon heeft gehouden. De uitgave geschiedt mede ter nagedachtenis van de inmiddels overleden hoogleraar.
Prof. Van Niftrik heeft de liefde naar haar verschillende facetten en vanuit diverse gezichtspunten wilen belichten: Liefde als mysterie, verlangen en heimwee, dronkenschap, droom, bevrij ding, kunst, ontgreneing, verheerlijking, onmogelijkheid, verzoeking, offer.
Wie de auteur enigszins kent zal geen slap sentimenteel betoog verwachten. Ook dit boek wordt gekenmerkt door vaart en kracht.
We maken snelle reizen op het terrein van geschiedenis en literatuur.
We vernemen beschouwingen van Plato, Marcion, Dante, Goethe, Sartre, Françoise Sagan, Harvey Cox. De tegenstelling tussen de Griekse "goden"
Apollo en Dionysos (orde en roes), de wanhopig diepe liefde van Tristan en Isolde, Dante's verheerlijking van Beatrice. de verhouding van Faust en Gretchen uit Goethe's grootse werk, .,. het wordt ons alles in dit betrekkelijk kleine boekje voor ogen gesteld.
Zelfs de stier van Potter komt bij ons binnenwandelen, liever gezegd: -stormenl We vinden in dit boekje tal van mooie en diepe gedachten.
Raak tekent de auteur (22 e.v.), hoe wij gevangen zitten in een puriteinse erfenis: de meer of minder bewuste veroordeling van alwat het redelijk-nuttige te boven gaat, waardoor het "huppelen van zielevreugd" uit het leven is verdwenen en wij zakelijk mèt Judas de uitbundigheid in de zalving van de Here Jezus door de zondares als verkwisting veroordelen.
Hoe vaak is op deze wijze als minderwaardig, zelfs als zondig, bestempeld wat tot het eigene van de liefde behoort!
Scherp wordt de schrijver, wanneer hij een lijn trekt van de ketter Marcion naar de vrome grootvader, die zijn kleindochter niet aan het Avondmaal wil, zolang ze op gezette tijden in het donker staat te vrijen (35 e.v.). De auteur protesteert: "Want de mens is lichaam en ziel, ziel van een bezield lichaam" (40).
Het is ook zeer te waarderen, dat de auteur (64) aanwijst hoe de liefde van God stuur en richting behoort te geven aan de "gewone"
menselijke liefde: "Als het waar is dat de liefde tussen man en vrouw een weerspiegeling is van de liefde tot God en vàn God, ... dan kan men niet van minnares verwisselen, zoals een mens van jurk of jas wisselt."
En hoe raak en diep tekent de auteur onze tijd, als hij de tegenwoordige sex-explosie bespreekt onder de titel: Liefde als ... onmogelijkheid (65 e.v.)!
Dit zijn maar enkele tamelijk losse citaten. Maar zo is het met dit boek: Wat ons bijblijft, dat zijn de sprankelende détails, niet het verband of het systeem!
Men kan ook bezwaren aanvoeren.
Als men de liefde met een zekere voorkeur als dronkenschap, roes, waanzin typeert (22 e.v.) - woorden dus die op zedelijk en logisch terrein ondingen aanduiden!dan blijft men niet staan bij een afwijzing van het puritanisme.
De liefde gaat zich dan "revancheren" en ziet, nu háár beurt gekomen is, als een tamelijk soevereine vorstin neer op zaken als regel, orde, wet. Hieraan is de auteur niet geheel ontkomen men zie blz. 34.
Als wij zouden opmerken, dat de liefde van Tristan tot de (getrouwde) Isolde toch echt zonde is, dan beaamt de auteur dat stellig.
Toch stellen zijn beschouwingen (31 e.v.) ons ook voor een "keerzijde": Deze zonde is toch echte liefde. Ook hier weer de vorstin! Het zondige neemt de waarde van deze liefdesgeschiedenis als "leermodel" in het betoog niet weg!
Is de zonde hier niet te zeer een "oppervlakteverschijnsel"?
Waarom met een zekere bewondering gezegd, dat Tristan en Isolde hun leven geven voor hun liefde? Is het niet zo, dat ze met hun liefde gekomen zijn onder de macht van een Moloch, die mensenoffers vraagt?
De auteur noemt Eva niet. Maar is het niet zinvol te denken aan de Eva, "die ook haar man gaf en hij at" (Gen. 3 : 6)? Daar zien we de liefde als verlangen (naar de ander, de gemeenschap, de "solidariteit"), maar evenzeer als tegenbeeld van de èchte liefde, die immers "de ander geen kwaad doet" (Rom. 13: 10). De vernietigende "omkerende" macht van de zonde komt te weinig in het boek naar voren.
Hoe kan de auteur stellen, dat de liefde van Tristan en Isolde gelden mag als "zondige weerspiegeling" van de liefde van Christus (32-; verwante gedachte op 81/82 ten aanzien van de wellustige romeinse keizerin Messalina)? Kan men dan de zonde van de liefde "aftrekken", zoals je de laatste wagon van een trein afhaakt?
Blijft er werkelijk "na zonde-aftrek" een weerspiegeling over?
Door deze gedachtengang vervlakt het behoog toch min of meer tot een formeel relaas over de liefde-als-verschijnsel-de-eeuwen-door.
Dat er ook andere (en betere) gedachtenlijnen aanwezig zijn hoop ik met het "positieve" gedeelte te hebben aangetoond.
Wat een geweldige bewogenheid - harmonie, disharmonie! - treft ons, als we de liefde beschouwen.
Van deze bewogenheid geeft dit boek goede illustraties. Maar het is er ook zelf een illustratie van!
Aan het slot wordt I Cor. 13 geciteerd.
Een prachtig slot! Na de woelige en roerige zee van het betoog belandt men in de werkelijke haven. En het is niet de geringste verdienste van dit werk van Prof. Van Niftrik, dat we de geborgenheid in deze haven weer scherper gaan verstaan!
Of dit nu het boek is waarop we allemaal juist zaten te wachten ... ? Ik geloof het niet. Het zal wel - om in de lijn van het onderwerp te blijven - een boek blijken voor de liefhebbers!



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief