De vrees voor heerschappijvoering (II)

1974-03-15
  • Jaargang 18
  • nummer 11
We willen nog eens het bekende klassieke artikel van de Kerkenordening citeren: "Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij voeren".
De Here heeft de kerken en evenzo de ambtsdragers naast elkaar gezet. En nu mag dat "naast" niet door "boven-onder" vervangen worden. Geen van de zusterkerken mag worden tot "de gebiedster, op wier hand de ogen van de dienstmaagden zijn geslagen"; geen van de ambtsbroeders mag zich opwerken tot de positie van "de heer, op wiens hand de ogen der knechten zijn". Deze aanhaling uit psalm 123 is zinvol, omdat de heerschappijvoering hierdoor tegelijk als vervanging van God naar voren komt.
De onderlinge verhouding van kerken is een andere dan de onderlinge verhouding van ambtsdragers binnen een kerkeraad.
Toch is er geen bezwaar tegen, dat die beide verhoudingen in één adem worden aangeduid. Heerschappijvoering staat immers nergens voor. Zij kan aarden in de bodem van vergaderingen, die onderling verschillen van karakter.

Laten we ons nu eens even bezighouden met één van die genoemde verhoudingen. Ik denk hier aan de ouderlingen en hun ambt.
Wanneer er in een gemeente twaalf ouderlingen zijn, dan zal wel niemand beweren, dat ieder van hen een twaalfde deel van het volle ouderlingschap bedient.
Neen, ieder van de ouderlingen heeft het volle ambt. Zouden er opeens elf vertrekken, dan zou de twaalfde het natuurlijk wel akelig druk hebben, maar zijn ambt zèlf zou er niet" voller" van worden.
Ook is het niet juist te zeggen, dat ieder van de ouderlingen over een twaalfde deel van de gemeente gesteld is. Hoewel er voor huisbezoeken een werkverdeling mag wonden gemaakt, is toch een ieder van hen geroepen en bevestigd om "de kudde Gods" ter plaatse te leiden en te verzorgen.
Anders zou - konsekwent gedacht - ieder ouderling "zijn eigen kerk" moeten krijgen!
We moeten dus wel konkluderen, dat het "ambtsbereik" van de één op een eigenaardige manier met dat van de ander samenvalt.
En dat iedere ouderling zijn ambtelijke verantwoordelijkheid pas ten volle tot gelding kan brengen wanneer hij dat doet in vereniging en verbondenheid met zijn ambtsbroeders.
Dat deze stand van zaken "oorspronkelijk" is kan men eenvoudig afleiden uit de combinatie van het meervoud "oudsten" en het enkelvoud van de plaats of gemeente - Hand. 14: 23, 16: 2; enz.
Ik zei dus: ".... in vereniging en verbondenheid met zijn ambtsbroeders."
Dat betekent dus bespreking en overleg, het toetsen van de overtuigingen. Dat betekent gehoor vragen en gehoor verlenen. Dat betekent ook, dat men bij verschil van mening streeft naar de vereniging der gevoelens (Hand. 15: 7 e.v.). Dat zal ook telkens betekenen de inschikkelijkheid, waarin men in "middelmatige" zaken van toegeven weet.
En nu geeft de bijbel nergens voet aan de gedachte, dat het "dus" wel komen moet tot heerschappijvoering tot onrechtmatige "ambtsvergroting" bij de één (die dan "de heer" wordt), tot onrechtmatige "ambtsinperking" bij de anderen (die dan "de knechten"
worden). Men moet ook in de samenleving van ambtsdragers het goede najagen en doen. Men moet het kwade vermijden en bestrijden.
Maar men kan niet uit die samenleving wegvluchten!

Blijkbaar is ook hier de angst een slechte raadgeefster. Angst leidt tot resignatie. Dat deftige woord duidt aan, dat men de zone waar het gevaar dreigt maar helemaal verlaat. Het duidelijkste voorbeeld daarvan leveren de discipelen in Matth. 19. De Here heeft hun gezegd hoe God het huwelijk en de huwelijksband bedoeld heeft. En wat is hun antwoord?
"Indien voor een man de zaak met zijn vrouw zo staat, is het niet raadzaam te trouwen!"
Wèg wezen! Weg uit het gevaarlijke gebied!
Zo zou men zich een ouderling kunnen voorstellen. die uit angst voor heerschappij voering zijn ambt maar in alle eenzaamheid "recht voor zich uit" gaat bedienen.
Wanneer hij dat konsekwent doet - ook waar de kerkelijke tucht binnen het gezichtsveld komt -, dan zal de angst voor heerschappij voering hem alleen maar kunnen leiden tot ... heerschappij voering ! Hij zou immers zijn medebroeders verhinderen hun verantwoordelijkheid voor "zijn" schapen tot gelding te brengen.
Angst - het kleine kind is zo benauwd voor de hond, dat het zich halsoverkop onder een auto werkt!

Ook Paulus heeft in ander maar verwànt verband de resignatie afgewezen.
Hij besefte, dat het verkeerd zou zijn Titus te besnijden.
Daarmee zou hij de Judaïsten terwille zijn. Maar hii zou daarmee Christus van zijn plaats verdringen.
Daarom zou deze "inschikkelijkheid" onchristelijke slaafsheid zijn (Gal. 2 : 3-5). Maar toen diezelfde Paulus bemerkte, dat Timotheüs vanwege zijn -Griekse vader maar moeilijk ingang zou kunnen vinden bij de J oden van de omtrek, nam hij hem tot zich en besneed hem (Hand. 16 : 3). Hier besefte Paulus, dat hij de Joden een Jood mocht zijn. En dat deze besnijdenis zou berusten niet op onchristelijke slaafsheid maar op christelijke inschikkelijkheid.
Menselijk bekeken zou het voor de hand gelegen hebben dat Paulus had gezegd: "Besnijdenis? Enkel maar ellende van gezien! Wèg wezen van dat gevaren-gebied!"
Dan zou er veel vernield zijn!

De bijbel leert ons te onderscheiden.
Gehoor vragen - het is goed, zolang men daarin doorgang verleent aan het woord van Christus; het is slecht, zodra men daarin Christus gaat vervangen!
Inschikkelijkheid - het is goed, zolang men daarin om Christus' wil tegemoetkomt aan de wens van de ander; het is slecht, zodra men Christus zèlf laat wijken voor de wil van een mens!
De Here wil ons door zijn Geest en Woord leren onderscheiden.
Hebben we - om dat voorbeeld even aan te halen - nu met Timotheüs' of met Titus' besnijdenis te doen? Om dat onderscheidingsvermogen hebben we te vragen in ons gebed. We moeten niet vragen van de noodzaak van het onderscheiden verlost te worden!

Nu zet ik enkele dingen even op een rijtje: Onderling overleg, het streven om bij verschil van mening tot éénheid van gevoelen te komen, het gehoor vragen en het gehoor verlenen, de inschikkelijkheid in "middelmatige" zaken - ziedaar een greep uit het normale leven van- en samenleven binnen de kerkeraad. "Normaal" betekent dus, dat de heerschappijvoerende "ambtsvergroting" ("heer") en de "ambtsinperking" ("knecht")er niet per definitie in zit! Die kan er alleen komen door de misvorming van het normale! Dàn wordt het doorgang verlenen aan het woord van Christus tot een vervanging van Christus; dan wordt de christelijke inschikkelijkheid tot een onchristelijke slaafsheid.

Er is en blijft verschil tussen de samenleving van ambtsdragers in de kerkeraad en het samenleven van kerken naar een aangenomen akkoord. Het eerste is om zo te zeggen "oorspronkelijk" en "authentiek"; het tweede komt neer op een vrij-gekozen vormgeving aan de geboden onderlinge liefdebetrachting.
Toch moet men het verschil niet gaan maken tot een tegenstelling!
Het ligt op zijn minst voor de hand, dat kerken aan het gebod tot blijvende liefdetrouw de begeerte ontlenen elkander ook blijvende en konkrete beloften te doen! Uit die begeerte wordt een akkoord geboren.
En zit er niet een element van zwakheid in, als men enerzijds wel de durende gelding van het liefdegebod erkent, maar er anderzijds voor waakt, dat de konkrete gestalte van de liefdebetrachting van incidenteel karakter blijft?

Ik geloof, dat hier enkele vragen te stellen zijn. Ze bewegen zich op dat gebied van angst en resignatie.
In de kerkeraad beschouwen we wat ik straks noemde - van gehoor vragen tot en met de inschikkelijkheid - als de normale gang van zaken.
Waarom zouden we diezelfde "normaliteiten" onverwijld tot abnormaliteiten verklaren, als het om de samenleving der kerken gaat? Waarom dan zonder meer de heerschappij voering geconstateerd?
Waarom zouden we de misvorming van het normalewaarover we ten aanzien van de kerkeraad spraken - als de onvermijdelijke gang van zaken gaan beschouwen in kerkverbandelijke omgeving.
Waarom moet de "Timotheüs" in kerkeraadsverband de "Titus" zijn in het kerkelijk samenleven?

De waarschuwing tegen het gevaar heeft alle recht. Maar hebben we ook het recht de nuancering en de verfijning en het diepgaande onderscheid, waarmee we ten aanzien van de kerkeraad wel moeten werken, simpelweg te vergeten als het om het kerkelijk samenleven gaat?
Is dat niet voor een groot deel de angst? Is dat niet de resignatie"Wèg wezen van dit gevarengebied!"?
In het bekende evenzeer klassieke artikel 31 vinden we die beide bepalingen: "Voor vast en bondig houden wat door de meeste stemmen wordt goedgevonden"
èn "Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods ... ". Hebben we daar niet een bepaalde vorm van de belofte tot christelijke inschikkelijkheid?
Hebben we daar ook niet in een bepaalde vorm de grènsbepaling - Christelijke inschikkelijkheid wordt misvormd, zodra men Christus zèlf laat "inschikken"!?
Waarom zou men tussen het samenleven van kerken en het samenleven van ambtsdragers een tegenstelling forceren?
Of ik niet de vrees voor heerschappijvoering deel? Zeker wel! Maar laten we niet alleen de hond maar ook de auto vrezen! Niet alleen de waaghalzerij maar ook de resignatie!
Laten we de Here bidden om de gave van de goede onderscheiding!
Niet om het wegnemen van de noodzaak tot onderscheiden!
Angst is een slechte raadgeefster!
Angst kan ons brengen in de merkwaardige situatie, dat we simpelweg niet de kans meer hebben onze "zuster"
ergens uit tebannen, omdat we samen nergens meer inzitten. Jawel, maar dan zal een benauwende vraag ons ook meer en meer gaan kwellen: Hebben wij het begin van de uitbanning vermeden? Of hebben we het einde daarvan in alle geruisloosheid bereikt?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief