Gode het lofoffer brengen altijd!
1974-03-15
Hebreeën 13 : 15 - Jaargang 18
- nummer 11
In dagen van voorspoed en rust de Here belijden is niet zo moelijk. Hem loven en danken in onze kerkdiensten kan zeer verheffend zijn. Maar Gods naam belijden voor stadhouders en koningen, voor inquisiteurs en synodale kerkbesturen, voor tribunaal en volksgericht; voor Christus' eer en recht opkomen als het ons schade brengt, als we er vrienden door verliezen, als we heel de geachte en eerbiedwaardige en wetenschappelijke kerkwereld tegen ons krijgen, dat vraagt een sterk geloof, dat vraagt volharding. Dat kan niemand van zichzelf. Zulke lofoffers (en daar gaat het toch in onze tekst over: altijd!) kunnen we alleen opbrengen door Christus, dat is in het geloof steunend op Hem, op Zijn verdienste en hogepriesterlijke voorbede.
Dat lofoffer hebben de apostelen van de Heer gebracht voor het joodse Sanhedrin, toen ze om Jezus' naam gegeseld werden en heengingen, verblijd, omdat ze vervaardigd werden om die Naam smaadheid te dragen.
Dat lofoffer werd Gade opgedragen door Paulus en Silas, toen ze in de kerker te Philippi gevangen zaten en met de voeten in het blok Hem psalmen zongen.
Dat la/offer waren de geloofsgetuigenissen van de martelaren.
Dat is de belijdenis die Guido de Brès eertijds opstelde.
Tot die offeranden des lofs behoren de verantwoordingen van de Afgescheidenen voor de rechtbanken en allen die als ambtsdragers in kerkelijke vergaderingen geweigerd hebben het hoofd te buigen onder een ander juk, dan alleen het zachte juk van onze Heiland.
Welk een genade als we ook nu nog tot zulke lofoffers verwaardigd worden.
Ze zijn Gode aangenaam.