Verlos ons van de boze (ziekte en demonie)

1974-03-15
  • Jaargang 18
  • nummer 11
Meermalen ontmoette ik een Surinaams vrouwtje, wier man in hoge mate patiënt was. Het echtpaar was niet jong meer - al vele jaren met Westindisch pensioen. De man was blank en ziek. Zij was in zekere zin zwart en gezond. Samen hebben ze veel afgetobd, in de jaren dat ik ze kende. Ze woonden in een huisje aan de heiderand: zij en hij, zwart en blank, gezond en ziek, de een meest verticaal, de ander meest horizontaal.

Enkele malen bezocht ik hem, als zij dat vroeg. Je kon wel tegen hem spreken, maar zijn stembanden weigerden alle dienst. Hij kon knikken.
Hij kon ook met zijn ogen spreken. En verder sprak zijn zwarte vrouw voor hem: die verstond hem.

Wat hem eigenlijk scheelde? ... vroeg ik onvoorzichtig. Je kon beter vragen wat hem niet scheelde. Hij had letterlijk alles wat een mens niet hebben wil. Iets aan het hart, iets met de maag, met de lever, met de ingewanden, met de huid, met het bloed, met de hersenen en met een broos beenderstelsel. En hij kon niet spreken. Eigenlijk lag daar zo'n stukje onblusbare levenswil tussen de lakens, gehinderd door een rot corpus. En het vrouwtje zorgde met onuitsprekelijke ijver voor haar patiënt.

Toen de Heiland (u weet toch, dat Heiland heelmeester betekent?) zijn discipelen uitstuurde, kregen ze niet alleen opdracht om zieken te 'genezen maar ook om onreine geesten uit te drijven. En toen Jezus later de zeventig uitzond kregen ze niet alleen macht om te preken, maar ook om te genezen en ... boze geesten uit te werpen. Toen eens iemand een "maanzieke" zoon bij de Heer bracht (een jongen, die dikwijls in het vuur of in het water viel, en dat niet omdat hij zo onvast op zijn benen 'stond) bestrafte Jezus "de boze geest" - en de knaap was meteen genezen. Met één. Het een zat aan het ander vast.

Uit deze en dergelijke voorbeelden blijkt een zeker verband te bestaan tussen bepaalde ziektebeelden en de invloeden van demonen.
Niet elke ziekte is demonisch van aard natuurlijk - maar demonie blijkt wel dikwijls uit ziekten. Ook in de moderne psychiatrie onderscheid men terdege ziekten van het organische zenuwstelselen ziekten, tengevolge van bezetenheid.

Bezetenheid! Dat is een gevaarlijk terrein. Occult terrein. Jezus waarschuwde zijn leerlingen dan ook, dat ze als lammeren tussen wolven verkeerden. Daarom moesten ze argeloos als duiven zijn - maar voorzichtig als slangen. Ze streden tegen een "geslacht", een soort, dat alleen met bidden en vasten te verdrijven is.

In de Roomse kerk kent men theoretisch nog het ritueel van de uitbanning van demonen. In de Anglicaanse kerk wordt vrij dikwijls de ceremonie voor het exorcisme gebruikt. Ook Luther was er mee vertrouwd: hij gooide eens een inktpot naar een zichtbare demon, die het hem lastig maakte; de inktvlek moet nog op de muur te zien zijn.
Maar calvinisten weten slechts weinig af van dit gevaar. Misschien zitten we wat erg gevangen onder het rationalisme, dat alles ontkent wat niet meetbaar en weegbaar is. Maar dan staan we eigenlijk vrij ver van de Schrift af. En ver van de huidige tijd, die stikt in de demonie.
Een destijds bekend predikant in Amsterdam leidde een gebedskring, die regelmatig samenkwam om mensen van demonen te helpen bevrijden. Een der aanwezigen vertelde me, dat tijdens de gebedsuren meermalen dreunende slagen tegen de fundamenten van het huis werden gegeven, die deden vrezen dat het huis zou instorten.

En nu terug naar ons zwarte mevrouwtje en haar zieke man. Ze heeft me namelijk eens de achtergrond verteld van de steeds wisselende ziektebeelden van haar man. Die achtergronden moet u weten.
Ze was jong en mooi geweest en pas getrouwd. Op een feestje ontmoette ze een jeugdvriend, die met haar danste en haar naar bed wilde brengen. Dat weigerde ze: ze was niet vrij meer en wilde niet meedoen aan een losse en overspelige verhouding. De jonge man drong hartstochtelijk aan - zij weigerde. Hij gebruikte alle argumenten van geest en lichaam om haar te werven, maar ze stootte hem af.
Hij zwoer, dat hij haar zou bezitten en zij vluchtte naar huis. De jongeman was redeloos, bedronk zich, maakte ruzie met de andere gasten, raakte aan het vechten en werd diezelfde nacht doodgestoken. Het was een triest einde van een dans tussen twee zwarte jonge mensen ...

Was het maar het einde! Maar korte tijd later werd het duidelijk, dat het zwarte mevrouwtje niet van hem af was. Met kloppen, verplaatsen van voorwerpen, een fluisterstem in een kamerhoek en andere manieren bleef hij haar lastig vallen. Later kwelde hij ook haar man, aan wie ze het gebeurde had verteld.

Hij kondigde haar aan, dat haar man ziek zou worden - en hij werd ziek. Telkens veranderde zijn voorspelling van het ziektebeeld, telkens kreeg de man andere ziekten. Vele jaren spookte deze demonische figuur (de doodgestoken jeugdvriend? een andersoortige demon?) als een dienaar van Satan door het gezin. Toen ze het mij vertelde dempte ze haar stem en greep onwillekeurig mijn arm vast. "Stel u voor", zei ze me, "ik dacht de laatste tijd dat we van hem af waren - en meteen zegt hij: ik ben er wel hoor, kijk maar naar het fornuis!" Ze had naar het fornuis gekeken en met ontzetting gezien dat een biefstukje, dat in de open pan lag, door onzichtbare handen omhoog werd geheven en zo teruggesmakt, dat de hete boter door de keuken was gespat.
Zo'n gesprek is niet leuk. En je voelt je machteloos: want wat doe je in zo'n ellendig geval, waarop je niet voorbereid bent? Ik heb haar gezegd dat ze veel moest bidden met haar man. Ook om concreet te vragen: verlos ons van de Boze. Ook om psalmen te zingen en samen de Bijbel veel te lezen. En voorts zei ik, slechts practisch improviserend: "spreekt u de demon maar vrijmoedig aan, hij heeft tenslotte niets in uw huis te maken. Beveel hem in de naam van Jezus Christus om uw huis te verlaten en nooit terug te komen".

Ze luisterde met de houding van een ervaren patiënt, die het diepzinnig relaas van een medisch student aanhoort.

Ik nam haar wel eens in de auto mee, als ze op de bus moest wachten.
Toen ze me het meeste verteld had biechtte ze eens op, dat de demon haar gedreigd had: dat haar man geen 69 jaar zou worden. Ze nam dat serieus en was erg angstig. Ik probeerde haar te troosten: dat onze tijden in Gods hand zijn en dat geen schepsel hierin iets te zeggen heeft. Toch probeerde ik terloops er achter te komen, hoe oud haar man was. Over drie maanden zou hij 69 moeten worden. En ze vreesde, dat hij die dag niet zou beleven. Ik zei haar, niets tegen haar man te zeggen. Voorts gaf ik haar de raad: vertrouw op Gods almacht, wees lief voor uw man en hard voor zijn rivaal. En zet verder die dreiging uit uw hoofd - u zult er later om lachen.

Ze heeft er later niét om gelachen. De week na zijn verjaardag kwam ze op mijn kantoor met een behuild gezicht. Ik schrok. Zou haar man ... ?" Nee, snikte ze, niet dood, maar zó ziek!" Daarna kwam het nieuwe verhaal.
Ze was de hele verjaardag in spanning geweest. Hij voelde zich goed, was op geweest, had niets geweten van enige dreiging. Toen de dag voorbij was zou hij naar bed gaan. Rij kleedde zich uit en zij liep naar de keuken. Toen hoorde ze een schreeuwen een bons, rende naar de slaapkamer en zag haar man op de grond voor het bed liggen. Rad zijn heupbeen gebroken. Naar zijn zeggen was het matje onder hem weggetrokken, toen hij in bed wilde stappen.
De man heeft nog enkele maanden geleefd. En het vrouwtje is er eindelijk van overtuigd, dat de Boze niet alle macht heeft om zijn woord te houden.

Toch - het voorval is hier verteld om u duidelijk te maken, dat aan de Satan veel macht is gegeven. Zij het voor korte tijd. Roe meer de ontknoping nadert des te meer zijn de tijden geladen. Wie er niet op verdacht is loopt met gesloten ogen langs afgronden. Wie er wel op verdacht is vraagt bijstand van de hemelse legioenen. Die weet dat onze Vader mild geeft en niet verwijt. Er is hulp genoeg voorhanden.
Wie het met God houdt springt over muren, zei David. De rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw, zei Salomo.

Als de Bijbel over "duivelen" of onreine geesten spreekt, noemt het nieuwe testament zowel diabolos als daimon, zowel baas als knecht.
Roewel we niet alles daarvan begrijpen moeten we altijd vasthouden: dat we met schepselen te maken hebben, met geschapen wezens. En aangezien we God onmogelijk voor schepper van het kwade kunnen aanzien, (zijn schepping is zeer goed, volkomen heerlijk) moet tussen toen en nu een zondeval staan; zowel de zondeval in de engelenwereld als de zondeval van mensen in het paradijs.

De demonen, waarvan de Bijbel spreekt 1) en die ook in onze tijd optreden, zijn dus gevallen engelen (en alzo dienaren van het rijk der duisternis) - ofwel gestorven zondaars, die hun ellendig leven in dienst van de Boze voortzetten. Een orthodox theoloog zal zijn opmerkingen maken en misschien wel gelijk hebben ten aanzien van de identificatie. Maar met identificeren alleen zijn we er nog niet. Dit geslacht moet uitgedreven worden. Met bidden en vasten. Met zelfontlediging, afkoppelen van alles wat ons vervult. En met krachtig gebed: nauw en sterkend contact met onze hemelse Vader.

In Amerika speelt een schokkende film over exorcisme. Mensen lopen de zaal uit, letterlijk misselijk van angst. Toch gaan ze er weer heen.
Uit nieuwsgierigheid. Gebonden door de zuiging van Satan.

Gevaarlijk spel. We moeten deze dingen nooit aanhalen. Maar krijgen we er mee te maken - dan weten we, wie we voor hebben. Rondom Jerusalem zijn bergen - zo is de Reere rondom hen, die Hem vrezen.
Komen we buiten die bergen, dan zitten we fout. Goed fout, zeggen ze op de Veluwe. Maar komt de Tegenstander binnen Jerusalem, dringen zijn dienaren onder ons door ... dan moeten we ze snel identificeren en terugsturen; zo niet gevangen nemen. En het is nog als in Eliza's tijd: zij die bij ons zijn, zijn meer, dan die daar buiten.
Krachtige helden, tot dienst van hen die op weg naar de zaligheid zijn. Gods legioenen. Ze behoeden ons op onze wegen - mits die wegen voor de Heere open liggen. Ze dragen ons op de handen - mits we onszelf aan de Heere opdragen. We zullen onze voet aan geen steen stoten - mits we op het fundament van apostelen en profeten blijven.
Waakt en bidt dat u niet in verzoeking komt.

1) Efeze 6 : 12.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief