PSALM 132 (SLOT)
1974-03-22
Koninklijke minister - Jaargang 18
- nummer 12
De keizer van Ethiopië, Haile Selassie, heeft een moeilijke tijd achter de rug. Muiterij in het leger (al ging het om niet meer dan meer soldij) en onrust onder de bevolking. De vakbonden lieten de oude leeuw van Juda hun tanden zien. Hij bond in en gaf toe. De rust schijnt weergekeerd. Maar 't blijft een open vraag of t.z.t. een jonge leeuw van Juda nog ooit zijn opvolger zal worden. De wereld kent weinig koningen meer, laat staan keizers. 't Is alsof de mensen denken: een koning is ook niet alles... Ze geven de voorkeur aan een gekozen president.
Dat laat je de illusie, dat je zelf ook nog iets te zeggen hebt èn dat je hem kunt afzetten als je hem zat bent. In de praktijk vaak inderdaad niet meer dan een illusie.
Israël heeft een tijd gekend waarin een koning alles voor hen was, dat dachten ze tenminste (1 Sam. 8). 't Was God, die toen dacht: een koning is ook niet alles ... Vooral omdat hij weet wat er achter Israëls vraag steekt: ... Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. Dus kregen ze waar ze om vroegen.
Perspectief komt er pas, als de koning weet, dat hij niet meer dan minister - dienaar - is, Gods dienaar. Mijn Knecht, noemt God David. Zolang een David, een Salomo of wie dan ook, dat erkent, is er toekomst voor volk en koning.
't Is betreurenswaardig, dat het begrip theocratie, Gods-regering steeds meer op de achtergrond raakt. 't Is de sleutel voor het verstaan van Israëls koningsgeschiedenis.
Een dure eed
In Ps. 132 is dat begrip in elk geval doorgebroken. Ook bij Israël zelf. 't Gebed voor de gezalfde (Zerubbabel) wordt niet gedragen door de behoefte aan een koning gelijk de andere volken hebben.
De ervaring in de ballingschap zou hen voorlopig wel bij blijven.
Eén Nebukadnezar was meer dan genoeg ...
Niet voor niets begint de psalm met een herinnering aan Davids moeite om de ark, Góds troon, naar Jeruzalem te brengen. Beter nog: naar Sion, de woonplaats van Gods keuze. Zo woont de koning in de schaduw van de Almachtige - dat is veilig voor iedereen.
Daarbij sluit zich aan het beroep op Gods eed aan David. Dat geeft blijk van inzicht: Davids dynastie staat of valt met de HERE. Een betere garantie is er niet. Koningen en andere staatslieden beloven veel, maar komen weinig na.
De HERE heeft David een dure eed gezworen waarop Hij niet terugkomt!
De eed behelst: een van uw lijfelijke zonen zal Ik op uw (!) troon zetten. Zo is Israëls geschiedenis begonnen - Gods belofte aan Abraham: uw lijfelijke zoon zal uw erfgenaam zijn (Gen. 15: 4); zo wordt Davids dynastie gegrond.
Maar wat voor Abrahams nakomelingen geldt, geldt ook voor Davids zonen: als uw zonen mijn verbond houden, dan zullen ook uw zonen voor immer op uw troon zitten. Hoe serieus deze woorden gemeend zijn, heeft Jojachim (Ohonja) ervaren. Jeremia heeft 't moeten optekenen: schrijf deze man in als kinderloos, een man die in zijn dagen geen geluk heeft, want het zal aan geen van zijn nakomelingen gelukken om te zitten op de troon van David en weer over Juda te regeren (Jer. 22: 30).
Neem het risico gerust!
Was het niet riskant, om niet te zeggen dom van Israël aan deze eed te herinneren in zijn gebed voor de gezalfde? Welke garantie kan een zoon van David zetten tegenover die van God? Toch schroomde Israël niet om uitgebreid in te gaan op het probleem: waar blijft des HEREN trouw aan David? Met deze vraag omschrijft de Nieuwe Vertaling terecht de inhoud van Ps. 89.
't Stond Israël goed voor ogen, wat de HERE gezworen had en wat het van Davids huis had te wachten. Israël kènt zijn bijbel blijkbaar. 't Weet wat in de profetieën van Jesaja (55: 3) en Jeremia (33 : 21 v.) staat, zo goed als in 2 Sam. 7 : 12.
't Moet na de ballingschap hèt onderwerp van gesprek - en van gebed - zijn geweest. En men weet waar men over spreekt: indien zijn zonen mijn wet verlaten dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken - maar mijn trouw zal ik niet verloochenen, mijn verbond niet ontwijden (Ps.89: 31-35).
Gods eed was een fascinerende zaak - 't was immers het enige lichtpuntje in het duister van Israëls bestaan? Daarom laten zij God niet los, al kennen ze de risico's.
God legt niet voor niets zo'n eed af - daar steekt Zijn vastbesloten wil achter Israël bij de gratie van een messias in vrede te doen leven. Je kunt ook zeggen: daar gaat de belofte van dè Messias in schuil. Blijkens allerlei profetieën heeft Israël van die heerser (Micha), die herder (Jeremia, Ezechiël) alle goeds te wachten.
Brood naast de deur
Als in 't eerste deel van deze psalm komt Israël hardnekkig terug op Sion. Dát is de plaats waar God wil wonen - en waar Israël woont. Hij heeft zelf gekozen.
Zegt Levi: sta op, HERE, naar uw rustplaats (vs 8), God zegt: dit is mijn rustplaats voor immer (vs 14).
Komt Israël daar op terug, dan kun je dat eigenbelang noemen.
Maar 't is terecht eigenbelang, van levensbelang, als iemand God 'houdt aan Zijn Woord. 't Is de énige zekerheid: Hij komt zijn woorden ten minste na!
Zouden de ogen niet oplichten bij de herinnering aan Gods goede woorden? Hoor maar:
haar voedsel zal Ik rijkelijk zegenen,
haar armen zal Ik met brood verzadigen,
haar priesters zal Ik met heil bekleden,
haar vromen zullen vrolijk juichen.
Na een drie maal herhaald "Ik zal" van de HERE past inderdaad een "hoera" van de vromen.
De afstand van het paleis van de gezalfde des HEREN naar de troon des HEREN is letterlijk heel kort. De gezalfde kan voor zijn volk vlak bij terecht - voedsel, brood en heil zijn "om de hoek" - hij hoeft 't maar te halen.
Niet "brood en spelen" van de keizer, maar brood en heil van Israëls grote Koning. De gezalfde is bijna boodschappenjongen maar is het vernederend zó knecht des HEREN te zijn? Zo kun je blijde gezichten maken wat wil een zoon van David nog meer?
Speelbal of schakelfiguur?
't Volk wil het wel zo - dat blijkt uit dit gebed. Een koning die bij God naast de deur woont, in zijn schaduw. Zerubbabel, de gezalfde, mag er zich mee troosten. Schijnbaar heeft hij niet veel in te brengen.
Hij telt amper mee in het politieke spel - veel meer dan een speelbal is hij niet. Maar in Gods plannen heeft hij een eigen plaats, zo goed als heel Davids dynastie - tot aan de Leeuw uit de stam van Juda (Op. 4: 5). Hij deelt op voorhand in diens glorie.
De hoorn - symbool van kracht - is niet dood, valt niet af. De lamp blijft branden in Davids huis (zie: G. v. Atten, De lamp in Zacharia 4, Opbouw, 16e jrg., nr. 26; met verwijzing naar 2 Sam. 21 : 17; 1 Kon. 11 : 36; 1 Kon. 15 : 4; 2 Kon. 8 : 19). Zijn soldaten behoeven niet te muiten: zijn vijanden zal ik met schaamte bekleden.
Zijn troon zal niet wankelen: op hem zal zijn kroon blinken.
Geen vakbond kan daar tegen op.
De mensen denken vaak: een koning is ook niet alles... Als het gaat om "koningen gelijk de andere volken hebben", kon 't gelijk wel eens aan hun kant zijn.
Maar betreft het Gods gezalfde, de Messias, dan hebben ze ongelijk.
Tenslotte gaat er niets boven echte theocratie. Daarin gaat gebed boven geweld: wend het aangezicht niet af van uw Gezalfde ... Een verhoord gebed.