VERANTWOORDING
1974-03-22
Anderhalf jaar geleden vroeg de Theologische Faculteit van Utrecht en onlangs vroeg de Katholieke Theologische Hogeschool van Amsterdam mij of ik in het kader van een college-reeks 'Kerkenkunde' iets wilde zeggen over de vrijgemaakt gereformeerde kerken. Ik heb dit aangegrepen als een gelegenheid om ook voor mezelf tot wat meer duidelijkheid te komen. Misschien kan het resultaat van mijn nadenken ook anderen van dienst zijn, vandaar de publicatie ervan.- Jaargang 18
- nummer 12
U vraagt van mij, die tot een kleine kerkengemeenschap behoorde vrijgemaakt gereformeerde kerken buiten (synodaal) verband - dat ik mijn visie op de kerk zal geven. Misschien is uw gedachtengang daarbij wel geweest, dat iemand die tot een kleine kerk behoort, wel een duidelijke overtuiging en motivatie zal bezitten, waar lekker tegenaan gepraat kan worden. In het algemeen is dat ook wel zo. Vaak zijn kleine kerken eenzijdige kerken, die een bepaald punt op de voorgrond stellen en zelfs drijven. En eenzijdigheid betekent kracht, in het geestelijke.
Maar het is dan wel vaak domme kracht.
Er zou iets gewonnen zijn, als ik u vanmiddag de indruk kon bijbrengen dat ook in een kleine en - vanuit uw gezichtspuntstreng orthodoxe kerk een problematiek doorleden kan worden, die van een algemeen belang is.
Zeker, wanneer u straks hoort over schorsen en geschorst worden als uitvloeisel van leertuchtprocedures, versta ik uw neiging wel om in lachen uit te barsten, vooral wanneer u er achter komt, om wat voor splinterigheden het daarbij wel niet gaat. Toch, heeft u wel eens overdacht, dat een kerk zonder leertucht even belachelijk is? Men zou het lachen wat eerlijker moeten verdelen en het niet alleen moeten bewaren voor de minderheden.
Mijn visie op de kerk wil ik vanmiddag niet rechtstreeks geven, in een theoretisch ontwerp. Ik geef de voorkeur aan de indirecte manier, door met u over mijn eigen kerk te praten, die nog maar zo kort geleden ontstaan is, want wij zijn pas zes à zeven jaar oud.
Voordeel daarvan is, dat we zo voor het mooie verhaal gespaard blijven, omdat elk mooi verhaal over de kerk een leugen is. Een nadeel kan zijn dat ik u binnenvoer in een wereld. die toch te onbekend is. Maar misschien dat dit laatste bezwaar verholpen kan worden door de navraag.
Rest mij vooraf nog te zeggen, dat ik, buitenverbands vrijgemaakt zijnde, mij toch ook nog wel binnenverbands voel - zeker tegenover een groep als de uwe. Ten overstaan van u ben ik dus vrijgemaakt tout court, of artikel éénendertiger, als u dat meer zegt, en zal ik van binnenuit beide kerken proberen te spreken en te laten zien, hoe ik het conflict in de boezem van deze kerkengroep, die zelf niet ouder is dan dertig jaar, heb beleefd.
Wij vrijgemaakten dan, zijn mensen - zou ik met een variant op een woord uit Klaagliederen willen zeggen - die ellende gezien hebben; kerkelijke ellende. Dit houd ik voor het meest in het oog lopende, zij het niet het meest kenmerkende van de kerkengroep waartoe ik mag behoren. Helmut Thielicke heeft een boek geschreven "Leiden an der Kirche" welnu, onder ons is geleden aan de kerk. Onder ons lopen predikanten rond, die tijdens dit korte leven tweemaal in hun dienst zijn geschorst en afgezet. Als je nu bedenkt, dat iemand als dr .Buskes tot in zijn emeritaat toe publiek gejankt heeft van de pijn om een schorsing, die hem in zijn jeugd alleen maar bedreigd, niet eens getroffen heeft, dan kun je nagaan, hoe er onder ons geleden en vroeg gestorven wordt - aan beide zijden trouwens van de onlangs opnieuw getrokken scheur, want te schorsen en geschorst te worden is allebei even moeilijk, voor mensen met een geweten.
Maar niet, natuurlijk, opdat wij ons zouden verheffen, is ons deze doorn in het vlees gestoken en het is evenmin zo, dat wij ons eigenwillig of -behaagziek in de kerkelijke ellende gespecialiseerd hebben.
Het ligt anders.
Het is misschien wel goed, als ik iets over de geschiedenis van onze kerken vertel, niet om feiten en data te vermelden, maar om een .geestelijke achtergrond te schetsen. Alles zal daardoor niet duidelijk worden, maar misschien toch wel een beetje.
Het eerste, dat gezegd moet worden is, dat aan de vrijmaking in de veertiger jaren een nieuw Schriftverstaan ten grondslag heeft gelegen. Met dit nieuwe Schriftverstaan bedoel ik de bewuste poging van verschillende theologen in de gereformeerde kerken van de dertiger jaren, om de Schrift niet-scholastisch te lezen.
Om met de namen van twee van de meest begaafden onder hen te volstaan: ds B. Holwerda van Amersfoort, later hoogleraar in Kampen in de O.T.-ische vakken en ds S. G. de Graaf, predikant bij de Gereformeerde Kerk van Amsterdam, twee geleerden, die grondige theologie hebben bedreven, hoofdzakelijk met het oog op hun preekarbeid, en die daardoor tot een prediking kwamen, die hoog uitrees boven die van hun tijd- en ambtgenoten en niet zelden het visionaire naderde. Het gereformeerde volk is door hun kanselarbeid in de dertiger jaren en in de oorlogstijd geweldig toegerust geworden, terwijl de laatste door zijn optreden zondag aan zondag in Amsterdam, meer gedaan heeft aan de vorming van de theologische studenten aan de V.U. dan verscheidene hoogleraren.
Doordat ook de uitzonderlijke figuur van prof. K. Schilder tot deze groep behoorde, was hij er de oorzaak van, dat de beweging geassocieerd werd met de vele andere zijden van zijn fascinerend talent. Behalve de gereformeerde theoloog was hij immers ook de artistiek begaafde journalist-polemist en de eerste maanden van de duitse bezetting de moedige verzetsstrijder, die met zijn pen het nationaal-socialisme principieel en geestelijk bestreed.
Toen in de veertiger jaren het kerkelijk conflict voornamelijk rondom de persoon van Schilder losbarstte, kon het haast niet anders, of er vormde zich een breed geschakeerde aanhang, die hem in de vrijmaking volgde. Het was werkelijk een bont gezelschap.
Daartussen evenwel liepen ook de mensen, die, nauwelijks door hem beïnvloed, hun daad van vrijmaking stelden, om zo te blijven bij wat ze zagen als de winst van de dertiger jaren: een niet-scholastieke theologie met als pendant een niet-moralistische prediking, een bijbelgebruik. dat recht deed aan de levendigheid en de rijke genuanceerdheid van de Heilige Schrift als bron en norm voor het leven als christen.
Deze stroming is echter al spoedig in de vrijgemaakte kerken haast tot een onderstroming geworden.
Soms denk je wel, dat van het werk van een Holwerda of van een Janse meer buiten dan binnen onze kerken is geprofiteerd.
Niet allen trouwens waren met de vrijmaking meegegaan, ook S. G. de Graaf niet.
Groter aandacht werd in de vrijgemaakte kerken opgeëist voor de controvers tussen degenen, die zich opwierpen als de rechtmatige erfgenamen van Schilder, welke controvers al vóór zijn dood (1952) inzette. De grote meerderheid in de vrijgemaakte kerken gebruikte Schilder's erfenis voor haar strenge kerkisme en confessionalisme en maakte de geweldige dynamiek die van zijn persoon en werk uitging, dienstbaar aan wat de "doorgaande reformatie" heette, maar in feite meer een restauratie van het verleden was (exclusief eigen organisaties in staat en maatschappij, bv. het G.P.V.). Je hoorde van die kant steeds duidelijker zeggen: wij zijn (door de vrijmaking) gebleven die we waren" - een eigenaardig gezegde voor mensen, die geloven een reformatie meegemaakt te hebben.
Stel je dit gezegde eens in Luther's mond voor! Van de kant van de meer intellectuele minderheid beriep men zich op Schilder's onbekrompen ruimheid van geest, die van een oecumenische allure was. Inderdaad maakte het veelzijdige in Schilder (met als gevolg daarvan de charme van de inconsequentie) het mogelijk, zich zo tegengesteld op hem te beroepen.
Zelfs voor het strengste kerkisme kan men bij hem terecht. Dit titanen-gevecht om Schilder's erfenis (om twee tegenvoeters te noemen, prof. J. Kamphuis en dr G. Puchinger) is tenslotte, na lange, vermoeiende jaren van polemiek beslecht geworden door het scherpe wapen van de kerkelijke tucht van de zijde van de meerderheid.
Bepaalde dingen moeten deze meerderheid zeer hoog gezeten hebben, dat zij naar dit wapen greep, waarvan 'zij de scherpte zelf aan den lijve had ondervonden.
Het was nog maar zo onbegrijpelijk kort geleden, dat men zelf minderheid was!
Merkwaardig genoeg echter zijn door deze tuchtmaatregelen niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats diegenen .getroffen, die voor groter ruimte pleitten en een meer oecumenische houding voorstonden.
Dezen zijn namelijk in de loop der tijd in meerderheid uit eigen beweging teruggekeerd naar de synodaal gereformeerde kerken.
Veel meer zijn diegenen getroffen.
die het dilemma, waarvoor ze gesteld werden, niet aanvaardden, weigerden ingedeeld te worden, het gebruik van de tucht in deze situatie afwezen, waarschuwden tegen de formalisering van het kerkelijk leven en tegen de confessionalistische afsnoering van het Schriftgetuigenis en die er daarom (misschien ook uit reaktie?) ook niet te zwaar aan tilden als iemand eens een confessionele schuiver maakte (ds Telder met zijn boek: Sterven en dan). Deze getroffenen hebben in meerderheid de zgn. Open Brief (waarin een aantal ambtsdragers stoom afblies tegen de huns inziens verregaande kerkistische en confessionalistische koers binnen de vrijgemaakte kerken) niet eens ondertekend, maar zijn wel slachtoffers geworden van de kerkelijke tucht. die naar aanleiding van het verschijnen van deze brief systematisch op gang kwam. De Open Brief is dan ook beslist niet een stuk, dat de vrijgemaakte kerken buiten het verband als geheel kenmerkt. De belangrijkste opsteller ervan, ds B. J. F. Schoep, destijds te Amstelveen, is naar de synodaal gereformeerde kerken teruggegaan.
Zij echter, die naar het wapen van de tucht grepen, hebben gedacht dat die er door getroffen werden, en bloc zouden terugkeren naar de synodaal gereformeerde kerken, met uitzondering van enkelen. die een vrije gemeente zouden vormen. Deze verwachting is niet uitgekomen. Reden, waarom de kerken buiten het verband voor de binnenverbanders een probleem vormen. Ze zijn een misrekening.
Ik zeg dit zonder enige voldoening, want ook voor onszelf zijn wij nog een probleem. Want hoe nu verder? Moet het de richting uit van de vrije-gemeente-vorming, zoals sommigen willen?
Moeten wij een nieuw kerkverband opzetten en ons als nieuwe kerkengroep presenteren? Of moeten we in overleg treden met de Christelijke Gereformeerde Kerken en tot zolang heel het kerkelijk leven in de voorlopigheid laten?
Of heeft samenspreking met de synodaal gereformeerde kerken nog zin?
Wie zijn wij eigenlijk?
Toch zou ik ongeduldige buitenstaanders willen vragen, nog enig geduld te oefenen met het informeren naar onze identiteit. Als u ons nog niet ziet rondspringen tussen andere honden in de kennel, overweeg dan, dat we wel eens in een donker hoekje konden zitten om onze wonden te likken en om over onszelf na te denken.
Eén ding is vurig te hopen, dat onder ons de concentratie op de bijbelse boodschap een hernieuwde aanvang mag nemen. Als we aan beide zijden van de streep, nadat we van elkaar wat rust gekregen hebben, terug tasten naar deze wortel van de vrijmaking, doen we meer aan hereniging dan door moeizame samensprekingen.
Misschien zal het ons dan ook gegeven worden, iets voor de andere kerken te mogen betekenen, vanwege onze niet-scholastieke en niet-moraliserende traditie in theologie en prediking. Misschien wil de Here God ons zegenen in onze pogingen, deze onderstroom in het vrijgemaakte kerkelijke leven weer bovengronds te krijgen.
Aan beide zijden van de scheur wordt algemeen getwijfeld aan een spoedige heling van de breuk.
Opmerkelijk, dat beide partijen elkaar sneller losgelaten hebben -dan ten tijde van de vrijmaking.
Zoals wanneer je opgerold karton doorknipt en na het doorknippen de beide stukken van el kaar afspringen en in elkaar krullen.
Misschien zijn we van de eerlijke inspanning, elkaar zo lang mogelijk vast te houden, ook eerlijk een poosje erg moe. Maar vergis u niet: de scheur gaat wel diep. Zij van hun kant schilderen ons af als het allergevaarlijkste, dat er bestaat. Zelfs als we iets goeds zeggen of doen zijn we er nog des te gevaarlijker om. Zoals ik eens het verhaal hoorde van iemand van hen, die naar een buitenverbandse trouwdienst geweest was en wel toegaf een goede preek gehoord te hebben, maar de predikant er des te gevaarlijker om vond. Dan blijkt er. wel een heel diep wantrouwen te zitten.
Anderzijds vindt men in het buitenverband, dat de binnenverbanders toch eigenlijk wel erg ouderwets zijn en we kunnen nu begrijpen, dat de buitenwacht tegen ons aankeek en aankijkt als tegen iets zeer zwaars en doorgezakts: lange preken, verouderde rhetoriek, geen gezangen, geen nieuwe berijming, geen enkele liturgie-vernieuwing. Een aanhoudend tegen afval waarschuwende persarbeid van jaren en jaren heeft ook veel reacionaire krachten losgemaakt, waarvan het soms wel lijkt, alsof men die niet meer de baas is. De binnenverbandse kerken doen al hun best om opvangcentrum voor verontrusten te worden. Soms denk je wel, dat wij er daarom uit moesten. Maar de toeleg lukt nog niet al te best.
Het zal het kerkisme wel zijn, dat de verontrusten in de weg staat, het kerkisme dat zegt, dat de vrijgemaakt gereformeerde kerken de enige ware kerk zijn.
Ik constateer dit zonder leedvermaak, want de verontrusten, die zich bij ons aanmelden, vinden ons te weinig verontrust. We stemmen niet algemeen op Jongeling en lopen niet al te hard weg met de E.O. Dat is ook zo. In dit opzicht kunnen we nl. dr Buskes goed begrijpen, die de schaduwzijde van dit soort orthodoxie zo van nabij heeft meegemaakt. Veel verontrusten begrijpen dat niet.
Op dit punt bedreigt ons zèlf trouwens ook een reëel gevaar. Wij zijn, als buitenverbanders, met weinigen en de frustratie is groot.
Het gevaar is, dat we ons van narigheid op de stroom der huidige polarisatie laten meedrijven en dan natuurlijk rechts terechtkomen (want dat is het veiligst). Zo vinden we dan toch een identiteit, waar we niet zonder lijken te kunnen. Maar hier stel ik dan toch maar eens hardop de vraag, of wij nu daarom dit onthutsende verleden achter ons hebben, om nu zomaar met vele anderen mee verontrust te zijn. Ligt het niet veeleer op onze weg, te bemiddelen, althans om dat te trachten?
Soms denk ik, dat we bezig zijn, een sentimentele variant van het binnenverband te worden: dezelfde opvattingen, maar dan gevoelsmatiger naar voren gebracht. Wij moeten het voordeel van het nog niet rechtstreeks betrokken zijn bij de huidige polarisatie uitbuiten.
De Schriftmatige prediking is van huis uit onze kracht. Daar moeten wij ons dan ook op toeleggen. Misschien laat God daaruit een gemeentelijk leven ontstaan, dat de warmte kent van de liefde tot God en de naaste.
Paulus zegt bij de Colossenzen (1 : 24) dat hij in zijn vlees aanvult wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus. Zo mogen wij het lijden, dat ons kerkelijk is overkomen, toch ook zien.
Maar de apostel zegt dan, dat die aanvulling er is ten behoeve van Christus' lichaam, dat is de gemeente.
Zo moeten ook wij wat ons is wedervaren, ten goede laten komen aan de veel geplaagde, gedeelde en verstrooide gemeente in Christus in de wereld.
Christus heeft in Jeruzalem gezegd: breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen (Joh. 2: 19). Daarmee heeft Hij een woord van geweldige dynamiek in de kerkgeschiedenis gelegd. De Kerk van Christus heeft nl. altijd weer de neiging te vertempelen en te veruiterlijken.
Wij hebben dat zelf meegemaakt, dat de vrijgemaakte kerken, die in schuurtjes zijn begonnen, toch weer een soort hoogkerkelijkheid hebben opgebouwd. Christus zegt dat, omgekeerd, de tempel door het messiaanse lijden heen moet om gemeente te worden, want de afgebroken tempel zal Hij als gemeente doen herrijzen; Hij sprak immers van de tempel Zijns lichaams.
Zo zijn ook wij door een stuk lijden heengegaan met de bedoeling dat we des te meer tempel-af en een gemeente zouden worden, gemeente, die weinig uiterlijke gestalte meer over heeft, maar des te meer op het Woord geworpen is. Moge deze les door ons verstaan worden!
U zult gemerkt hebben, dat we bij alle verlegenheid toch niet elke pretentie verloren hebben. We leven als kerken in het besef, van God iets gekregen te hebben "tot welzijn van allen" (1 Cor. 12: 7).
Iets, dat ik al omschreven heb als een diep inzicht in de Schriften.
Niet, natuurlijk, dat wij dit charisma exclusief zouden bezitten.
Geen sprake van. Maar deze nodige bescheidenheid behoeft niet zo ver te gaan, dat de gave ontkend wordt. We hopen nu maar, dat deze gave door het kerkelijke lijden dat ons is overkomen, geheiligd is geworden of nog zal worden, zodat ze werkelijk als een rijpe vrucht het geheel van Christus' lichaam ten goede mag komen.