Geloofsverwachting en regelmaat (1)
1974-03-29
Wanneer we trachten na te gaan, hoe onze kerkleden de ontwikkeling van het eigen kerkelijk leven beoordelen, dan hebben we al gauw een bonte "lappendeken" van meningen voor ons! Terwijl de één erg blij is, dat zijn kerk mag voortgaan op de beproefde paden van de vaderen, klaagt de ander er juist over, dat de kerk haar oude sleurgang weer heeft hervat. Terwijl de één verontrust is over de vernieuwingsdrang (bij voorbeeld op liturgisch gebied), schijnt voor de ander het wèrkelijke leven van de kerk zich pas in die vernieuwing te openbaren. De opiniepeiler zal beslist niet kunnen besluiten tot een "onder ons gangbare" mening! Nu kunnen we natuurlijk opmerken, dat gangbare meningen over het algemeen geen begeleidend verschijnsel zijn van kerkelijke bloei. Maar dat zou niet meer dan een handigheidje zijn, waarmee we ons van de zaken afmaken.- Jaargang 18
- nummer 13
Laten we maar eerlijk bekennen, dat het wel wat teleurstellend is, dat de blijdschap niet algemeen is en dat tevredenheid en enthousiasme zo vaak als "keerzijden" onbehagen en verontrusting met zich meebrengen.
Nu zal wel niemand erin slagen een afdoend en kompleet overzicht te geven van de oorzaken van dit verschijnsel. Wel kan men - meer bescheiden - enkele zaken naar voren brengen, die ook een rol spelen.
In dit artikeltje wil ik iets zeggen over de zo moeilijk te vinden harmonie tussen geloofsverwachting en gewone regelmatige voortgang.
Ik geloof dat dit een zaak is, die op de achtergrond in menige discussie een rol speelt. Het moge me vergund zijn een tamelijk uitgebreid uitstapje te maken. Ik beloof daarbij, dat we weer op de begane grond van het eigen kerkelijk erf zullen belanden.
Jeremia 29 : 4-6 en 2 Thess. 3 : 10-12
In Jer. 29 vinden we de inhoud van de brief, die de profeet zond aan de ballingen in Babel. Die ballingen leefden in de gespannen verwachting van een zeer spoedige verlossing. Deze verwachting was door hun "profeten" gewekt.
En nu moet Jeremia die ballingen bevelen huizen te bouwen om die te bewonen, tuinen aan te leggen voor een geregelde voedselvoorziening, het leven van gezin en huwelijk normaal voort te zetten om zo de weg van de toekomst op te gaan.
Hoe moet dat bevel van de HERE overgekomen zijn! Deed het niet buitengewoon "ongeestelijk" aan?
Verbrak het niet het bezielde geestelijke leven in de blijde verwachting van Gods verlossingswerk?
Men leefde in een geestelijke "dolle-dinsdag-stemming".
De tijd was als het ware stilgezet!
De gewone dingen van het dagelijkse leven konden niemand meer echt boeien. De gespannen verwachting brak de gewone levensregelmaat!
Maar zal Jeremia's brief niet precies het omgekeerde doen? Zal die brief, wanneer men er naar luistert, niet de levensregelmaat herstellen ten koste van de geloofsverwachting?
De klok tikt weer, de dingen hernemen hun gewone gang. Zal nu het gelóóf niet sterven?
Misschien zegt iemand, dat Jeremia's brief ons niet rechtstreeks aangaat. Maar is dat zo? Lees dan eens die verzen uit 2 Thess. 3!
Paulus beveelt de gemeenteleden stevig aan het werk te gaan, hun eigen brood te verdienen en zich normaal te gedragen. Ook hier een woord, dat weinig "geestelijk" aandoet. Hoofdstuk 2 vertelt ons, dat men te Thessalonika in de gespannen verwachting van de spoedige wederkomst leefde. En dat zal zeker één van de oorzaken van die merkwaardige "luiheid"
geweest zijn. Weer werd - net als bij het oude Israël - de klok stilgezet. Men maakte geen geschiedenis meer. Sommigen gingen leven als "troebadoers van God". Eet maar waar, je wat krijgt! En verder ... het oog naar boven!
En dan wéér die merkwaardige domper op de bezieling. Het bevel van de Geest schijnt zo ongeestelijk.
Zal de regelmatige levensvoortgang niet hersteld worden ten kàste van de geloofsverwachting?
Is het niet het één of het ander?
Toch kan niemand ontkennen, dat we met het bevel van de HERE zèlf te doen hebben. Hij beveelt zijn volk kennelijk de geloofsverwachting te bewaren in de regelmaat van het levenspatroon, in de gewone dagelijkse orde. Gemakkelijk?
Zeker niet. Ik denk aan Augustinus' gebed: "Here, geef ons wat U beveelt... en vraag dán wat U wilt!" De kracht tot gehoorzaamheid is ook hier een genadegeschenk van God.
Mattheüs 24 : 37-42
Het is inderdaad niet gemakkelijk de geloofsverwachting te bewaren in de regelmatige voortgang van het leven. Dat blijkt duidelijk uit de verzen van Matth. 24, die handelen over Noach's tijdgenoten.
Zij waren doende met eten, drinken, huwen en ten huwelijk geven en zij bemerkten niets!
Hoe zouden ze ook iets bemerkt hebben! Ze waren gevangenen geworden van geneugten en van regelmaat, van plezier en van Ievensritme!
Noach's handelwijze "pakte" eenvoudig niet. Inderdaad, dat kan een mens worden!
Een gevangene van vitaliteit en levensritme, een gevangene van zijn arbeid, van zijn toekomstverzekering!
En dan ... dan bemerkt hij niets meer!
Zo waren Noach's tijdgenoten. Zo is de mens van de toekomst. Dat heeft de natuurlijke mens in zich.
Toch zullen er op die grote dag twee op het land zijn ... , twee bezig met de broodbereiding. Ook het ware kind van God is bezig met de regelmatige levensgang, met eten en drinken, met voorzieningen.
Weer treft het ons, als we de verzen 40 en 41 erbij nemen: Het is blijkbaar niet goed, als de geloofsverwachting de regelmaat gaat breken. Het is natuurlijk niet goed, als de kracht van de regelmaat de geloofsverwachting kapot maakt.
De HERE vraagt ook hier, dat we de geloofsverwachting zullen bewaren in het gewone... op het land, bij de molen!
Een christelijke kunst
Ik denk niet, dat het voor Israël erg moeilijk was de HERE geestdriftig te loven, toen het voor het eerst met het manna kennis maakte.
Het is ook helemaal niet moeilijk de geregelde levering van het gewone dagelijkse brood te beantwoorden met een sleur-dankgebed.
De HERE voor dat gewone regelmatig geleverde dagelijkse brood loven en prijzen met de eerbiedige verwondering, die Israël moet hebben gekend, toen het voor het éérst manna regende... dát is een christelijke kunst!
"Geef, ons wat U beveelt ... en vraag dán wat U wilt!"
Voor dit maal genoeg. Een volgende maal hoop ik mijn belofte waar te maken en na deze - naar ik dacht zinvolle - rondreis weer te landen op ons konkrete hedendaagse kerkelijke erf.