Na Carnaval 1)
1974-03-29
Volken hebben, losgeslagen - Jaargang 18
- nummer 13
van het burgerlijk fatsoen,
in extase uitgedragen
alle pijn, die maskers doen.
Schreeuw, die in het morgenlichten
klinkt, als werd er een gekeeld,
rukt de droom uit de gezichten
in het harde spiegelbeeld.
En twee ogen, zwart-omrande,
bij een masker en een glas,
in een hoofd, geschraagd door handen,
zoeken heul bij kruis en as.
Ed. Hoornik
Het Carnaval is weer achter de rug. Het gebeuren dat voor mensen boven de rivieren niet zo veel zegt, maar dat voor brabanders en limburgers een geweldige belevenis is.
Nog even flink feestvieren want met Aswoensdag begint de veertigdaagse Vasten.
Met Carnaval, zo las ik, kan een mens voor enkele dagen eens helemaal zichzelf zijn.
Het is deze uitdrukking, die in dit prachtige gedicht vlees en bloed wordt.
Jezelf zijn, dat kun je immers maar zelden. Meestal draagt een mens een masker. Hij moet dat wel, want dat eist de etikette. Een mens is op kantoor een ander als in de kerk. Onder vrienden een ander als op een moeilijke vergadering.
Voor zijn buren een ander als voor zijn kinderen. En vult U zelf maar verder in.
Wat moet je ook anders? Het mag dan pijn .doen, maar wat wil je?
Wat een mens wil? Gewoon eens al die maskers af. Nou dat kan.
Dat kan met Carnaval.
Dan doe je een masker voor waarvan iedereen weet dat het een masker is. Een mombakkes.
Een masker, waarvan je zeker weet dat niemand er doorheen kijkt. Ook niet doorheen wil kijken, want hij, of zij heeft er zelf ook één voor.
En dan pas kun je het masker van het burgerlijke fatsoen thuislaten.
Heerlijk.
Carnaval. Kijk ze eens hossen!
Hele volksstammen. Losgeslagen.
Ze begraven in geestvervoering, alle pijn die maskers doen.
Toe maar jongens! Eten, drinken - vooral drinken - en vrolijk zijn. Nu kan het.
Totdat de kater komt.
Als er op de morgen van Aswoensdag nog een schreeuw klinkt op straat, is alle leut eraf.
't Lijkt wel of er iemand gekeeld wordt.
De dood klinkt er doorheen.
En de, in wezen eenzaam gebleven, mens komt weer tot de werkelijkheid.
De droom is fini.
Als hij gaat zitten aan de tafel waarop hij zijn. masker heeft neergesmeten en waarop ook een, misschien nog halfvol glas staat, staren z'n hulpeloze ogen in de verte. Ze schreeuwen om hulp.
Waar kun je nu nog heen? Alleen nog maar naar de Kerk.
Daar staat de priester al klaar met de gewijde as. Kniel maar en je krijgt het teken van de redding, het teken van het Kruis, met as op je voorhoofd.
En de priester zegt: Stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren.
Dat is, in grote lijnen, wat het gedicht ons in drie zinnen zegt.
Althans, direkt zegt.
Want het maakt oneindig veel meer in je wakker.
Immers, is ieder mens op zijn manier niet een Carnaval vierder?
Willen we allemaal zo af en toe de pijn van het dagelijkse leven niet vergeten?
Met een f~estje, een gezellige maaltijd, een plezierig uitje. En dan een beetje doorslaan. Dat heeft en mens, zo zeggen we dan, af en toe nodig.
Totdat ook een feestje niet meer helpt. Of niet echt helpt. Dan zoeken onze vermoeide ogen het Kruis.
U moet het gedicht nog eens lezen en dan letten op het uitermate suggestieve woordgebruik.
"Losgeslagen", daar spreekt de bandeloosheid al uit. "Uitgedragen", dat is "ten grave dragen".
De droom wordt uit de gezichten "gerukt", dat is keihard. Het hoofd wordt "geschraagd", zo hopeloos moe is het. En de "zwartomrande" ogen smeken om "heul". In drie verzen, die, zoals ik al opmerkte, drie zinnen zijn, typeert de dichter Ed. Hoornik het leven.
Dat is echt "dichten".
1) Uit "Dichterlijke Diagnose"