Nog éénmaal zal Hij komen

1974-04-05
  • Jaargang 18
  • nummer 14
Een advertentie

In de "Kampioen" van dec. 1973 stond de volgende advertentie te lezen:

,,6000 jaar mensenregering op aarde eindigt: 4026 v.G.T. Adams Schepping (Genesis 2 : 7). 1974 G.T. Duizenjarige Messiaanse Regering (Openb.
20 : 1-5). Voor de helft van dit decennium (Daniël 12 : 6-7)."

Merkwaardig om de komst van Christus per advertentie aan te kondigen. De advertentie stond in de rubriek "diversen", wat verdwaald tussen aanbiedingen van auto's en postzegels in.
Als ik deze advertentie goed begrijp, zal het in 1974 6000 jaar geleden zijn, dat Adam geboren werd en zal in dit jaar Christus wederkeren om het duizendjarig rijk te brengen, waarvan sprake is in Openb. 20.
Deze mensen weten het wel heel precies.
Er zijn trouwens ook berekeningen, dat Adam 4004 jaar voor Christus' geboorte geschapen werd. Als dat juist zou zijn, zou het nog 22 jaar duren voordat Christus komt!
Het is echter een vergissing te menen, dat de Bijbel ons door haar geslachtsregisters gegevens verschaft om daarop een nauwkeurige bijbelse tijdrekening te baseren, waardoor we zouden kunnen zeggen hoeveel jaren nu precies tussen Adam en ons liggen.
Daarvoor zijn deze gegevens ook niet bedoeld.
Wanneer Christus wederkomt, weten wij niet.
Dat is alleen aan de Vader bekend, zo zegt Christus zelf.

Chiliasme

De advertentie zal ongetwijfeld afkomstig zijn van een chiliast, een aanhanger van de leer van het duizendjarig rijk.
Niet van allen geldt, dat zij menen de komst van Christus nauwkeurig te kunnen berekenen. Er zijn tussen hen veel verschillen.
Alle chiliasten menen echter wel, dat Christus tweemaal zal wederkomen.
De Ie maal voor de oprichting. van het duizendjarig rijk. Dan zullen de gestorven heilig en opstaan, Christus zal de anti-christelijke machten overwinnen, de satan binden, Israël tot bekering brengen en een hemels vrederijk op aarde stichten, dat in Palestina zijn middelpunt zal hebben.
Na 1000 jaar zal de satan weer losgelaten worden en dit rijk aanvallen.
Christus zal dan voor de 2e maal komen, zal satan en zijn aanhagers neerslaan, alle mensen uit de doden opwekken en over allen het eindvonnis vellen.
Dan treedt het eeuwig vrederijk op de vernieuwde aarde in.
Bij de chiliasten zien we een hartstochtelijk verlangen naar een nieuwe aarde nog in deze bedeling.
Een verwachting, die wij niet mogen verwarren met allerlei horizontalistisch verwachtingen naar een betere wereld, waarvan we tegenwoordig zoveel horen.

Israël ....

De nog al overspannen verwachting, die men tegenwoordig over Israël koestert, hebben aan het chiliasme een stevige impuls gegeven.
Trouwens het chilisme is ook van joodse en perzische afkomst.
In de apocrieven (Baruch en 4e boek van Ezra) komt de voorstelling voor, dat de heerlijkheid van het messiaanse rijk niet het laatste is.
In de Talmud staat te lezen, dat dit rijk na 1000 jaar zal plaats maken voor de hemelse zaligheid van het Godsrijk.
In de perzische religie werd de verschijning van de derde zoon van Zarathustra, Sosioh, verwacht, die een duizendjarig rijk zou inleiden en het verlossingswerk van zijn vader zou voltooien.
Deze opvattingen zijn ook de oud christelijke kerk ingedrongen.
Reeds Augustinus heeft zich tegen deze chilistische opvattingen fel verzet. Hij wees erop, dat de bedeling met Israël een door God tussengeschoven bedeling was, tijdelijk van aard en in symbool te zien gevend wat de christelijke kerk en het rijk der heerlijkheid zou zijn.
Toch hebben vele christenen de opvatting aangehangen, dat er voor de wederkomst van Christus een volksbekering van Israël zal plaats vinden. Het volk Israël zal naar Palestina terugkeren en vandaar uit onder Christus over de volken regeren.
Alle sympathie, die wij voor de staat Israël koesteren, mag ons echter niet tot de gedachte brengen, dat Israël thans nog het bijzondere volk van God is.
In feite zou dat betekenen, dat het verbond met de gemeenten uit de heidenen een intermezzo is, een zijweg, omdat Israël zijn messias verwierp. De eigenlijke voortzetting en vervulling van het Oude Testament zou dan eerst bij de tweede komst van Christus een aanvang nemen.
Maar het is juist andersom.
Niet het Nieuwe, maar het Oude Testament is een tussenbedrijf.
De beloften aan Adam en Noach hadden vanaf het begin een universalistische strekking.
Het verbond met Israël was tijdelijk, opdat het heil later in de volheid des tijds aan heel de wereld ten goede zou komen.
Het Nieuwe Testament was geen intermezzo, maar het lang tevoren beoogde doel, de waarachtige vervulling van het Oude Testament.
Het is ook weinig consequent om wat de Schrift zegt over de terugkeer van Israël letterlijk op te' vatten en dit niet te doen bij profetieën over het herstel van de tempel, de terugkeer van het priesterschap en de offerdienst.
De gedachten aan een Messiasrijk met Israël als centrum is in feite een kompromis tussen de verwachting van aardse en hemelse zaligheid.
Ten onrechte beroept men zich daarvoor op hetgeen de profeten onder het Oude Verbond voorzegd hebben. In het Oude Testament wordt in het Messiasrijk het voltooide Godsrijk getekend, dat zonder einde is en eeuwig duurt (Dan. 2 : 44).

De Christelijke Kerken

Ondanks het verzet van mensen als Augustinus, zijn er toch steeds aanhangers van het chiliasme gebleven, vooral in tijden' van geestelijk verval.
Ook in de tijd van de Reformatie werd het chiliasme als onbijbelse, leer gezien. Maar ook nadien vindt men aanhangers van het chiliasme in verscheidene kerken, hoewel geen enkele kerk deze leer in de belijdenis aanvaard heeft.
De Geref. kerken hebben zich ook altijd tegen het chiliasme opgesteld.
Hoewel onze belijdenis zich niet uitdrukkelijk tegen het chiliasme uitspreekt, is deze leer toch moeilijk te rijmen met hetgeen wij belijden over de wederkomst van Christus.
Onze belijdenis laat geen ruimte voor twee wederkomsten en twee opstandingen.
Daarmee wil ik niet zeggen, dat onder de chiliasten niet veel vrome christenen zijn, die naar de Schrift willen leven.
Helaas wijken zij op een bepaald punt af van hetgeen de Schrift ons leert. Dit betreft echter niet het geloof in het verzoenend lijden en sterven van onze Heer en Heiland.
Ik zou dan ook niet willen pleiten voor een weren van chiliasten uit de kerk. Terecht heeft men in het verleden chiliasten als ds J. van Andel, een begaafd predikant wiens geschriften veel predikanten bij hun preekarbeid heeft geholpen niet geweerd.

Afwijzing van het chiliasme

Op grond van de Schrift zal het chiliasme echter moeten worden afgewezen.
Een ernstig bezwaar tegen het chiliasme is, dat men Openb. 20 te veel isoleert van de rest van de Schrift.
Uit andere gedeelten van de Schrift blijkt, dat de antichrist pas op de jongste dag, bij de wederkomst van Christus, zal vernietigd worden.
Christus en Zijn apostelen spreken op duidelijke, niet voor tweeërlei uitleg vatbare wijze over de wederkomst van Christus (Joh. 5 : 28, Matth. 25 : 31, 1 Cor. 15 : 22 en 1 Thess. 4 : 16).
Wanneer Christus bv. in Matth. 24 en 25 spreekt over het einde van de wereld, wordt met geen woord gewag gemaakt van het duizendjarig rijk.
Ook van twee opstandingen lezen wij niet in de Schrift.
Het is gevaarlijk op grond van een onderdeel van de Schrift zoveel te beweren.
Ook de gedachte, dat de gemeente des Heren hier op aarde nog eens tot macht en heerschappij zal komen, vindt in de Schrift geen steun.
Nergens lezen we van een kerk hier op aarde zonder kruis en zonder strijd. Het hoogste, dat de kerk zich voorstelt is een stil en gerust leven te leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid.
Vergeten wordt verder, dat Openb. geen historisch, maar een profetisch, wil men apokalyptisch boek is.
Zelfs het getal 1000 wordt door de chiliasten letterlijk opgevat, terwijl de getallen in Openb.
steeds symbolisch van aard zijn.
1000 is 10 maal 10 maal 10, het getal der volle ontwikkeling.
Het gaat in Openb. 20 niet om een reportage van een toekomstig.
vrederijk in deze bedeling.
Zelfs echter, wanneer men Openb. 20 in letterlijke zin zou opvatten, staan de chiliasten niet sterk.
Men spreekt over een duizendjarig rijk, maar van een "rijk" lezen we niet.
Er wordt gesproken over de wederkomst van Christus, maar niet over een daarna heengaan en voor de tweede maal wederkomen van Christus.
Van een bekering der Joden en een terugkeer naar Palestina wordt in Openb. 20 met geen woord gerept.
De conclusie moet dan ook zijn, dat de Schrift voor de opvatting van het chiliasme, met name in Openb. 20, geen houvast geeft.

De binding van de satan

Sommige chiliasten menen precies te weten, wanneer het duizendjar ig rijk en de Ie wederkomst van Christus zullen plaats vinden.
Anderen weten dat niet zo precies.
Ook de tegenstanders van het chiliasme hebben moeite met de datering van de duizend jaar.
Sommigen zeggen, dat de binding van de satan begon op de dag van de kruisiging, of ook wel van de opstanding, of de hemelvaart of op pinksteren. Het einde wordt dan gesteld bij de wederkomst van Christus.
Anderen menen, dat het duizendjarig rijk begon na de laatste christenvervolging onder Diocletianus.
Over de einddatum is men dan weer onzeker. De een denkt aan de tijd van de Franse Revolutie, de ander aan een latere datum.
Op deze wijze ziet men in het spoor der chiliasten de duizend jaar als een tijdvak in de historie.
De vraag rijst dan meteen, hoe in dit geval de binding van de satan moet worden opgevat.
Die binding wordt dan meestal gerelativeerd.
Er staat wel, dat de satan de volken niet meer kan verleiden, maar er wordt niet gesproken over het niet meer kunnen verleiden van mensen, zo wordt opgemerkt.
De gebonden satan zou dus de mensen nog wel individueel kunnen verleiden, Zo erg gebonden zou de satan dus niet zijn.
Een chiliast wijst dan echter, en terecht, op het absolute karakter van die binding: gebonden, in de afgrond geworpen, afgesloten en verzegeld.
Erger kan het haast niet.
Bovendien moet erop gelet worden, dat ook in de Evangeliën gesproken wordt over binding in verband met de komst van het koninkrijk Gods. (Matth. 12: 29) Ook daar is sprake van een radikale binding.
Het zou toch ook een vreemde zaak zijn, als we de voortgang van hef Evangelie, de bloei van het Christendom zouden moeten toeschrijven aan het gebonden zijn van de satan.
In andere gedeelten van Openb. lezen we juist telkens van de kracht en de overwinning van Christus zonder binding van de Satan.
Satan voert juist alle eeuwen door strijd om het Christendom uit te roeien.

De Dag des Heren

Het komt me voor dat deze moeilijkheden geschapen worden door het feit, dat men Openb. 20 zo apart behandelt, terwijl het toch duidelijk een eenheid vormt met Openb. 19 vanaf vers 5.
Immers beide hoofdstukken handelen over de Dag des Heren, de jongste dag, die begint met de verschijning van Jezus Christus op de wolken.
Op deze dag is de wereldhistorie beëindigd.
Het is de tussenruimte of tussentijd tussen de tijd en de eeuwigheid.
Christus voleindigt op die dag Zijn heerschappij over de wereld en voltrekt Zijn oordeel over alle schepselen.
Ook de apostel Paulus schrijft hier al over, maar zeer in het kort. Openb. geeft ons hier een bredere beschrijving.
In Openb. 19 wordt ons geopenbaard, dat Christus afrekent met de antichrist, de valse profeet en alle goddelozen.
De eerste vijand, de zonde der wereld, is van zijn kracht beroofd.
Dan komt de boze macht, die achter de zonde der mensheid staat, de satan aan de beurt.
Daarvan lezen we in Openb. 20, de afrekening met de satan, terwijl aan het slot van dit hoofdstuk melding wordt gemaakt van de afrekening met de dood, de laatste vijand, die teniet gedaan wordt.
Bij die afrekening met de satan zien we drie momenten.
In de 1e plaats de verwijzing van de satan naar de gevangenis (1-3).
Christus toont dan Zijn macht over de satan door hem 1000 jaar lang gevangen te zetten.
1000 jaar. Dat is een zeer lange tijd, maar nog niet de eeuwigheid.
Het is nog een voorspel van het eeuwig oordeel, en het speelt zich af binnen de dag des Heren.
Vervolgens wordt ons in vers 4-6 vertelt over Christus. die met de Zijnen triumfeert.
Aan de martelarenkerk, de kerk, die leed onder de vervolging, ja aan de kerk van alle eeuwen
wordt getoond, dat zij tot heerlijkheid zal worden opgewekt om met Christus te regeren 1000 jaar lang.
Zij, die in den Here sterven zullen het eerst opstaan en met hun Heer als koningen heersen.
Daarna zullen de anderen, de vijanden van Christus en Zijn kerk opstaan.
Een bemoediging voor de kerk ten tijde van Johannes, een kerk, die vervolging en dood ten deel viel.
Een bemoediging voor allen, die in den Here sterven.
En dan tenslotte in vers 7-10 de definitieve afrekening met satan en de zijnen.
Het laatste treffen tussen Christus en de Zijnen en satan met alle goddelozen.
Maar de satan krijgt maar een korte tijd, en dan is het met hem gedaan. Definitief.
Wanneer die Dag zal zijn, is ons niet geopenbaard.
Wel weten we, dat eens die Dag zal komen, dat Christus wederkomt.
Eenmaal en voorgoed.
Als Rechter van het heelal.
Maar nog is die Dag verborgen.
En wij?
Wij verwachten, zoals de belijdenis zegt, die grote dag me een groot verlangen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief