Het evangelie van de afgewentelde steen

1974-04-12
  • Jaargang 18
  • nummer 15
Terwijl de discipelen nog verslagen teneer zitten, als gewonde dieren in een hoek gedreven, zijn de vrouwen al weer op pad. Zo zijn vrouwen. Ze kunnen niet stil zitten.
Ze moeten wat doen. Ook in het uur van de diepste rouw.
Maar aan de stéén hebben ze niet gedacht, die de mannen voor de opening van het graf van Jezus hebben gewenteld. Van verzegeling en soldatenwacht zullen ze niet eens geweten hebben. Alle maatregelen zijn genomen, dat er niemand uit of in kan. Niets is nagelaten om de opstanding te verhinderen. En Jezus te blokkeren.
Geen mens heeft Jezus een handje geholpen. Dit werk is door Gods alvermogen, door 's HEREN hand alleen geschied!
Wie zal ons de steen afwentelen?
Maar als de vrouwen het graf naderen, zien ze tot hun verbazing en ontsteltenis, dat de steen al afgewenteld is. Wie is haar v66r geweest?
Soldaten? Discipelen?
Neen, engelen hebben ruim baan gemaakt voor de verrezen Heer, opdat Hij zijn voet aan geen steen stoot. (Ps. 91 : 12) En de engel zet zich vrijmoedig op de afgewentelde steen. Hij zit daar op zijn dode gemak ... neen, op zijn levende gemak, alsof hij op een tuinstoel zit te genieten van het mooie paas-weer in die prachtige hof. Waar haalt hij de moed vandaan, om z6 op een grafsteen te gaan zitten? Die moed haalt hij uit het lege graf, want: Jezus leeft!
En Hij heeft niets meer van doen met die grafsteen, want Hij is de hoeksteen. Grafstenen betekenen het einde, maar de hoeksteen, die Jezus is, is het begin van een nieuwe Tempel.
Joodse tempelbouwers en bewakers hebben de steen, die Jezus heet, afgekeurd en opzij gelegd.
Ze hadden meer aandacht voor zijn grafsteen, dan voor Hem als hoeksteen. Die grafsteen mocht niet van zijn plaats, maar die hoeksteen gunden ze geen plaats in het fundament van de kerk.
Toen heeft God alles omgekeerd op Pasen: de grafsteen is verachtelijk zijn plaats voor Jezus' graf ontzegd en hij werd terzijde geschoven... maar de hoeksteen Christus kwam op zijn ereplaats!
Hij werd tot verbazing der aanschouwers door God ten hoofd des hoeks gelegd. (Ps. 118 : 22) Door God en niet door de mensen.
"Wie zal ons de steen afwentelen?"
Door mensen is de hoeksteen afgekeurd. Door mensen is Hij achter een grafsteen, verzegeld en bewaakt, opgeborgen.
Maar de grafsteen opzij en de hoeksteen "ten hoofd des hoeks gelegd", dit werk is door Gods alvermogen, door 's HEREN hand alleen geschied, het is een wonder in onze ogen, wij zien het, maar doorgronden 't niet.

Aanvaarden wij nu die afgewentelde steen en dat lege graf?
Hoeveel mensen zeggen vandaag niet: 't hoeft voor ons niet, voor ons hoefde Jezus echt niet op te staan, 't is ons net even te veel van het goede, Pasen maakt het evangelie net even te mooi om waar te zijn, 't ligt er net even te dik op om aanvaardbaar te zijn.
Goede Vrijdag is mooi, ontroerend, aanvaardbaar. Maar Pasen geeft er een te mooie draai aan.
We voelen ons eigenlijk bij de neus genomen.
't Moet eindigen met een gestorven held, die In zijn graf gelegd wordt, steen ervoor en gordijn zakken. Uit.
Als we allemaal denken: dit is het einde van het laatste bedrijf en we lopen al naar de vestiaire om onze jas te halen en naar huis te gaan, zie dan gaat ineens het gordijn weer omhoog en het stuk gaat weer door, ja, het gaat nu eigenlijk pas goed beginnen! Dan voelen we ons toch wel bij de neus genomen.
Nu gaat de hemelse Regisseur toch werkelijk over de schreef.
Maar dat is dan ook het evangelie van de afgewentelde steen en van het weer opgetrokken scherm: God gaat over de schreef van de dood.
Jezus gaat over de schreef en haalt ons er ook over!
"Geen graf hield Davids Zoon omkneld" en wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God!
Als soldaten van Pilatus de grenswacht, de dodenwacht betrekken bij het gesloten en verzegelde graf van Jezus, dan roept God: "Onward christian soldiers", voorwaarts christenstrijders, 6ver de schreef, 6ver de laatste grens, dwars over afgewentelde stenen en door lege graven en gesloten deuren, ... achter Christus aan, Die leeft en u v66rgaat, naar Galilea, naar de berg der hemelvaart, naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde!

Stel u voor dat we nu nog altijd tegen die grafsteen zaten aan te kijken! Het mocht dan honderd keer het graf van Jezus zijn, maar juist daarom zouden we de ellendigste van alle mensen zijn. De Emmausgangers waren er ellendiger aan toe dan Kajafas en Pilatus, want ze liepen tussen Jeruzalem en Emmaus het werkwoord "hopen" te vervoegen in de verleden tijd. "Wij hoopten, dat Hij Israël verlossen zou". Maar niets is zo erg, dan over de hoop te spreken in de verleden tijd. Hoop richt zich immers altijd op de toekomst.
Maar Petrus getuigt later, dat hij en zijn kornuiten juist bij die afwentelende steen en dat lege graf zijn "wedergeboren tot een levende hoop" (1 Petr. 1 : 3).
Er is weer hoop, ruimte, uitzicht, toekomst!
Wat zoekt ge de Levende bij de doden, tussen de graven, achter de stenen?
Hij is hier niet.
God heeft ons bij de neus genomen.
De vogel is gevlogen. Hij wiekt met brede wiekslag het zonlicht tegen. En zingt hoog in de lucht zijn jubelend paaslied, dat de hemelen openbreekt, voor Hem -en de zijden.
"Jezus leeft en wij met Hem!"
Als eenmaal ook ons graf met een steen wordt afgedekt, zal 't een bij voorbaat afgewentelde steen zijn. Gods adem blaast hem weg, als ik op 't bazuingeschal zalig straks ontwaken zal!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief