Op de grens van leven en dood

1974-04-12
  • Jaargang 18
  • nummer 15
Over het transplanteren van levende organen is u al veel bekend. De chirurgie, die van elke oorlog de grootste winsten plukt, is deze eeuw met sprongen vooruitgegaan. De orgaan-transplantatie is daar een der beste voorbeelden van. In het kort komt die operatie hier op neer: dat een stervende of ten dode opgeschreven persoon een belangrijk orgaan afstaat aan een ander, die dit orgaan behoeft om verder te kunnen leven. Daargelaten de transplantatie van bijvoorbeeld een der beide nieren - waarbij de donor op een overblijvende nier voortleeft - is over het algemeen gesproken het voortleven van de een afhankelijk van de dood van de ander.

Dat is een ernstige zaak, waarover u zich wel eens zult beraden.

Theoretisch geeft het geval waarschijnlijk weinig moeite. U kunt morgen een orgaan dringend nodig hebben en zult gelukkig zijn, een donor te vinden, die u een tweedehands-nier, een halfsleets hart of iets anders waardevols wil overdoen. Al komt ieder mens in de wereld om te sterven - het uitstel van die sterfdatum is voor ieder een groot ideaal.

We zijn al zo lang vertrouwd met bloedtransfusie, later met niertransplantatie, dat de overstap naar hartoverdracht al geen ernstig probleem meer geeft. Paulus getuigde van zijn vrienden, dat zij met genoegen hem hun ogen zouden hebben afgestaan, als ze hem daarmee hadden kunnen helpen. En niemand toont meer liefde, zei Johannes, dan die zijn leven afstaat voor zijn vrienden.

Van dat laatste afstaan is overigens meestal geen sprake, gelukkig.
Het gaat meestal om een enkel orgaan of enkele organen. Daarbij moet vaststaan, dat de donor door het afstaan niet zijn leven ontijdig verliest; maar dat zijn levenseinde het afstaan van een orgaan ten gevolge heeft.

En hier zit een maart je aan vast. Want wanneer is de donor werkelijk overleden? Op welk moment kan het benodigde orgaan operatief worden weggenomen - zonder de donor te schaden? Van een geboorte kunnen we het tijdstip op de seconde bepalen - maar kunnen we dat van het sterven ook?

Wanneer eenmaal de algemeen erkende uiterlijke tekenen van overlijden aanwezig zijn, kan het al te laat zijn voor transplantatie; dan ds ook het or/gaan wellicht dood en nabij de verdwijning. Zou echter het gewenste orgaan worden weggenomen in de meest ideale conditie - dan zou dat bij de nog levende patiënt moeten gebeuren; waardoor diens leven moedwillig, zij het met de beste bedoelingen, zou worden beëindigd. Is het ene tijdstip dus te laat uit chirurgische overwegingen - het andere is te vroeg, uit ethische overweging.

Toch moet de chirurg zijn transplantatie op het juiste moment uitvoeren: niet te vroeg, niet te laat. En nu komt de moeilijkheid: het juiste moment is gewoonlijk niet bekend. Er is zelfs geen sprake van een moment. Er is slechts sprake van een "periode", die niet nauwkeurig is begrensd; een periode, waarbij moeilijk met zekerheid kan worden gesteld, dat de operatie te vroeg of te laat geschiedt. Eerlijke chirurgen erkennen dan ook, dat ze balanceren op de grens tussen leven en dood.

De Engelse nier-transplanteur dr D. A. Bames uit Birmingham erkende dat met zoveel woorden voor een Engelse jury. Hij had een verkeersslachtoffer behandeld, die een schedelbasisfractuur had overleefd, Maar na drie dagen hield de ademhaling op - hoewel het hart nog wat doorklopte. Een uur lang werd kunstmatige ademhaling toegepast, maar de operatieploeg werd meteen opgeroepen. Toen de nieren verwijderd werden bewoog de "dode" zijn voeten, kuchte en begon weer spontaan adem te halen. Tot schrik van het team. De operatiezuster weigerde verder mee te doen. De chirurg maakte haastig de buikholte weer dicht. De patiënt gaf eerst 15 uur later definitief de geest en de operatie kon worden afgemaakt.

Vindt u dit een 'afschuwelijk verhaal? U hebt gelijk. Door het voor de rechter en in de openbaarheid brengen van deze zaak worden we geconfronteerd met een schaduwzijde van de voortschrijdende wetenschap.
Want wat is dood? Wat is leven? Wat is het verschil tussen die beide?
De wetenschap weet het niet. Hoeveel tijd ligt er tussen de ene toestand en de andere? Met andere woorden: hoeveel tijd kost het sterven?

En dan: hoeveel waarneming bestaat er tijdens bewusteloosheid of bij schijndood? "Wij balanceren voortdurend als koorddansers op dit grensgebied", zei dl' Barnes eerlijk. Uit ons artikel Grazige Weiden hebt u wellicht onthouden, dat volgens gezaghebbende onderzoekers in dit grensgebied van leven en dood zeer bizondere ervaringen kunnen worden opgedaan. Wie wel eens genarcotiseerd is geweest, zal wellicht gemerkt hebben dat de waarneming tijdens de bewusteloosheid niet stilstaat.

Een mens is geen machine, die boven de kelder gedemonteerd en na dato weer op gang kan worden gebracht. Tot het leven behoren: stoffen opnemen en afgeven, waarnemingen ervaren en uitingen doen.
Een deel van die levensverschijnselen kan uitvallen, zonder dat het leven uitvalt. Tijdelijk. Maar zo lang niet alle levensuitingen tot stilstand zijn gekomen, is het moeilijk spreken over de dood. De ademhaling bijvoorbeeld kan ophouden; maar later, soms na geruime tijd, terugkomen. Het hart kan stilstaan; maar later, spontaan of door massage of door een injectie, weer op gang komen en levenslang blijven kloppen. Een bioloog kan organen van dieren, in bepaalde conditie bewaard, eindeloos in "leven" houden: bewegend, stoffen opnemend en stoffen afgevend.

De oude methoden van een spiegeltje voor de adem en een lichtje voor de oogreflex bleken onvoldoende te zijn. De wetenschap stelde bij afspraak het begrip "klinisch dood" vast: waarbij door het encephalogram een nulpunt in de hersenactiviteit wordt vastgesteld. Dat nulpunt is belangrijk. Houden de hersencellen op te werken, dan gaan ze meteen onherstelbaar degenereren. Hier spreekt de ontbinding het sterkst. Maar toch - ook na "klinische dood" is terugkeer tot levensfuncties nog mogelijk; zij het kunstmatig, Wie herhaaldelijk grofwild heeft zien sterven, heeft dat vaak overdacht.

Want welk onderwerp in een mensenleven is belangrijker dan leven-en-dood? Een dodelijk getroffen hert vlucht met het roedel mee, aanvankelijk alsof er niets gebeurd is. Het blijft één met de vluchtige groep - tot de dood zich laat gelden, De ervaren jager merkt dat snel op: doordat het beschoten hert zijn plaats in het roedel gaat verliezen, langzamerhand naar achter in de groep verhuist. Loopt het eenmaal buiten de groep, al is het ook maar een meter achter ... dan stort het neer en ligt kikdood.

Een wild varken kan, met een volkomen vernietigd hart, nog tot honderd meter en meer wegkomen en dat in volle ren zonder enig uiterlijk teken. Valt het eenmaal, dan is het ook bewegingloos. De jager heeft het zelfs het liefst, dat zijn grofwild zich "doodloopt" - dat betekent een snelle afloop van seconden in plaats van een doodsstrijd.
Het geeft de jager de voldoening, dat het grensgebied zo snel en zo geforceerd mogelijk is bekort.

Maar intussen, ook bij dieren is schijndood zeer wel mogelijk. Bij grofwildjagers is het Krellschuss bekend: het schot, dat een doornuitsteeksel van de wervelkolom raakt en daardoor het zenuwstelsel acuut uitschakelt.
Het wild slaat neer als door de bliksem getroffen en geeft geen levensteken meer. Maar na seconden of minuten herstelt het zich en gaat er vandoor met niet meer dan een bloedige schram, een schampschot over de rug. Soms met achterlating van een "trofeefoto"; zoals in een beroemd geval is gebeurd.

Ook van de vos is bekend, dat hij meermalen als buit in de autokoffer is gelegd, maar thuis bij het openen van het deksel geruisloos tussen de benen van de jager doorgleed en voorgoed verdween ...

De bekende schrijver van Das Schwarzwild, Karl Snethlage, vertelt van een jong varken, dat al op de wild wagen lag. Een hond ontdekte, dat het dier schijndood was en begon aan het varken te trekken. Daardaar kwam het bij, zette een keel op en kreeg het vangschot.

Nu spreken we even over dieren. Maar een politieman vertelde me, dat hij in de politionele actie in Indonesië de executie van een mens meemaakte. De veroordeelde, wiens hart vernietigd was, zakte in elkaar, maar bleef leven. Het duurde lang en, het werd benauwend. Een van de Indonesiërs bukte zich over de terechtgestelde en fluisterde hem iets in. Terstond ontspande de man zich en het leven vloeide uit hem weg: hij had zich met zijn sterke wil tegen de dood verzet. Wàt is hem ingefluisterd? Vermoedelijk de belofte van wraak. In elk geval verdween de levenswil en daarmee trad de dood op slag in. De uitgestelde dood ...

Jawel. Want wel staat geschreven dat niemand, door bezorgd te zijn, een el tot zijn (levens-)lengte kan toedoen. Maar binnen het raam van deze wet laat God toch van alles toe: dat mensen voor hun tijd sterven - en dat mensen "na" hun tijd sterven. Niet zelden immers wacht een stervende eindeloos, tot een opgeroepen familielid aanwezig is.
U zult dat in uw omgeving ook wel hebben gehoord of meegemaakt.

Deze ervaring versterkt ons in de opvatting: dat sterven een proces is, dat tijd vraagt. Van een plotselinge, momentelijke dood is lang niet altijd sprake. Daarom worde in een sterfkamer niet of alleen fluisterend gesproken. Misschien hebt u het wel eens meegemaakt: hoe bizonder scherp een stervende kan waarnemen!

Ondanks wetenschappelijke afspraken over het begrip van een "klinische dood" moeten ervaren chirurgen toegeven, dat ze "als koorddansers balanceren op de grens van dood en leven". In ons land heeft de Gezondheidsraad onlangs door haar commissie voor orgaantransplantatie (voorzitter prof. dr A. Struyvenberg van Leiden) een rapport over dit onderwerp laten maken. Naar de kranten melden zijn de aanbevelingen van deze commissie compromissen tussen "te vroeg" en "te laat".

Onze vaderen deden wijs, te spreken over het "uur" van onze dood.
Waarmee ze aan de tijdsduur van het proces waarschijnlijk nog te kort deden. En wat wij uit deze dingen moeten leren dat is: eerbied voor de God van het leven. Dankbaarheid voor onze Heiland, die uit onze dood het leven bereidt. Die immers echt dood geweest is!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief