KERK-ZIJN

1974-04-12
  • Jaargang 18
  • nummer 15
In de loop van 1970 werden op enkele gemeentevergaderingen te Oegstgeest vragen besproken aangaande ons "Kerk-zijn", ons leven als christelijke gemeente. Het eerste gesprek werd ingeleid door Ph. van der Kooy, die daarin tot de konklusie kwam:

"Kerk-zijn in deze tijd is niet nieuwe regeltjes opstellen, niet naar nieuwe recepten zoeken, niet naar een vermeend houvast grijpen in wat kerkmensen willen zeggen of trachten op te leggen, niet nieuwe machtsposities opbouwen in kerk, staat en maatschappij om van daaruit christelijk te opereren. Maar in alle deemoed op de kleine steentjes lopend te werken aan de enige macht die christenen beloofd is, n.m. de macht ván het geloof in het geopenbaarde Woord. En vanuit die stormloop op het Woord als christen het enige te doen wat van hem gevraagd wordt: te getuigen van het blijde evangelie dat de God van het Leven niet de dood, maar de verlossing van dit leven en deze wereld en deze mensen wil door onze Here Jezus Christus."

Mij is gevraagd het verdere gesprek vanavond in te leiden en ik wil dit graag doen door een paar opmerkingen te maken over de wijze waarop wij in dat getuigen met vriend en vijand omgaan en ons verstaanbaar maken. Dat is meer dan elkaar met het verstand begrijpen; het is ook: elkaar aanvoelen, met elkaar rekening houden, op elkaar ingesteld raken.
Daarbij gaat het mij niet zozeer om zekere gedragsregels aan te wijzen, als wel om de fundamentele levenshouding die aan onze wijze van omgang in feite ten grondslag ligt, daarin doorstraalt en naar mijn gevoelen beslissend is voor de vraag of onze bedoelingen goed overkomen. Als dat zo is lokken wi] een passend antwoord uit en is er een stuk menselijke eenzaamheid doorbroken.

Deze menselijke eenzaamheid is de laatste tientallen jaren ook door niet-christelijke denkers onderkend als van centrale betekends voor onze levenshouding, voor ons gedrag en voor de conflictsituaties waarin wij als mensen vaak verkeren. Want niet elke conflictsituatie is meteen doorzichtig.
Er kan vijandschap aan ten grondslag liggen, een uitleven van haat tegenover God en de medemensen. Maar het kan ook een noodsignaal zijn van een mens of van een groep die zich bedreigd voelt en alleen op deze wijze nog in staat is te trachten een verbinding tot stand te brengen met zijn omgeving, die hij scherp als een buitenwereld ervaart. Ook kerkelijke conflicten mogen wij best eens vanuit dit gezichtspunt benaderen; wij oordelen vaak te haastig.

Menselijke eenzaamheid wil ik verder tevens zien als verlatenheid.
Er wordt tussen deze twee soms scherp onderscheiden, maar ik kan dat zo niet aanvoelen. Ook tekent de bijbel ons de mens niet als één die krachtens zijn oorsprong eenzaam is, maar als iemand die op gemeenschap is aangelegd, in die gemeenschap zichzelf is en de ander helpt eveneens zichzelf te zijn.
Immers zegt God dat het niet goed is, dat de mens alleen zij en Hij brengt hem dan ook van meetaf in de situatie van het samenzijn door hem zijn vrouw te schenken.
De bijbel tekent ons de mens als één die door eigen schuld tot een verlatene is geworden. Heel het lijden van de Zoon des Mensen loopt dan ook uit op een gruwelijke verlatenheid, die Hem besprongen heeft.
In de evangelieverhalen wordt men steeds opnieuw getroffen door het feit dat de mensen om Hem heen zich als het ware vanaf steeds nauwere cirkels van Hem afkeren: De volksleiders, met wie Hij als 12-jarige jongen zo'n goed gesprek kon opbouwen; het volk dat Hem na een aangrijpende preek in de afgrond wil storten; zijn broers met hun schampere opmerkingen; tenslotte de discipelen die Hem in de steek laten, nadat ze zojuist gezegd hebben met Hem te willen sterven.
Kort voor Zijn dood, in de paaszaal, zegt Hij: "Zie het uur komt en het is eigenlijk al aangebroken, dat jullie uit elkaar gejaagd worden en mij alleen zullen laten.
Dan ben ik nog niet alleen, want de Vader is met Mij".
Jezus zag er ontzettend uit, men keek liever niet meer naar Hem; "misvormd niet meer menselijk was zijn verschijning; veracht en door mensen verlaten was Hij".
Hij heeft al vaker gezegd, in situaties waarin haat en verachting Hem het leven haast verstikten, dat zijn Vader hem niet alleen zal laten.
In de paasnacht herhaalt Hij dat nog eens; maar slechts een paar uur later ervaart Hij, dat Hij hierop tevergeefs heeft vertrouwd.
Want God verlaat Hem wél en Jezus begrijpt dat ook niet; het bespringt Hem. De aangrijpende klacht: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?" is een concrete en vertwijfelde vraag en wij moeten maar nooit proberen die vraag weg te theologiseren.
Deze woorden van psalm 22 wijzen de grondsituatie aan waarin de mens sinds de zondeval in de wereld verkeert en deze situatie wordt in Jezus openbaar.
Het is afschuwelijk en vol nameloze angst. Vrijwel ieder die er over nadenkt vlucht zo snel mogelijk in een verklarende redenering.
Want hij wil er aan ontkomen, hij wil er vanaf.

Men kan deze situatie ook aanduiden met het woord "vervreemding", een bijbels woord: "Vervreemd van het burgerschap Gods". Die vervreemding strekt zich verder uit dan in de verhouding tot God. De mens is ook van zichzelf vervreemd, van zijn naaste, zijn medemens en van de gehele werkelijkheid om hem heen.
Hij is zijn identiteit kwijt: Hij weet niet meer wie hij is en wat zijn bestemming is. De schepping is hem vreemd en die vervreemding gaat gepaard met angst.
Geen angst voor iets of iemand maar angst voor het bestaan als zodanig. Hij weet dat hij ten diepste nergens geborgen is, al zal hij de geborgenheid altijd blijven zoeken.

Dat is geen ziekte van de geest, maar de grondsituatie, de religieuze toestand van de mens zoals de bijbel ons die openbaart. Het zoeken naar geborgenheid, naar gemeenschap met de wereld en de mensen, naar de zin en de grond van het bestaan, doorloopt een eeuwenlange geschiedenis. De mens heeft van alles geprobeerd om aan de angst voor het bestaan - in wezen de vrees voor de toorn van God - te ontkomen.
Hij is een rusteloze zwerver geworden, die in de afgeslotenheid naar boven toe van zijn bestaan, op alle mogelijke manieren binnen de geschapen werkelijkheid naar een hóuvast heeft gezocht, naar de samenhang, de eenheid en de oorsprong van alle dingen. Van die geschiedenis geeft de bijbel ons een momentopname, nl. van het stadium waarin de natuur in allerlei vormen religieuze verering ontvangt.

Ofschoon het ontstaan van de bijbel ruwweg een tijd van 15 eeuwen omspant is er toch wezenlijk in al die tijd weinig veranderd in de geestelijke achtergrond van de geschiedenis van het menselijk geslacht.
Alle afgodische verering die in het Oude en Nieuwe Testament wordt genoemd en uit de archelogie over dat tijdperk naar voren komt is te herleiden tot de één of andere vorm van natuurgodsdienst.
Men moet zich daar eens in verdiepen om iets van de huiver en angst aan te voelen die de mensen gedreven heeft om hun dierbaarste bezit te offeren om de toorn van de godheid te stillen en zijn gunst te winnen.
Dwars daar tegen in komt de verkondiging van God als Schepper, Onderhouder en Regeerder van alle dingen. Vierkant tegenover de angst en agressie van de natuurgebonden mens komt de prediking van de God der Liefde.
God gaat daarin zover dat Hij die liefde zichtbaar en tastbaar maakt in de komst van Zijn Zoon. In Jezus van Nazareth gaat God demonstreren wat zijn bedoeling is met de schepping. En dat niet alleen; want in de Zoon des Mensen onthult Hij ons wie wij zijn en laat het allemaal op Hem neerkomen.
Jezus' levensgang is voor de natuurlijke mens afschuwwekkend en alle eeuwen door hebben de mensen het verhaal van zijn lijden en sterven gesystematiseerd om aan de gruwelijkheid en grondeloosheid van hun eigen verlaten bestaan te ontkomen. En er is nog meer; want het evangelie is en blijft een blijde boodschap: In de opgestane Jezus is de nieuwe schepping lijfelijk. present. En de Geest maakt ons er op attent dat de werkelijkheid van elke dag alleen bestaanbaar is als een verwijzing naar Christus' koninkrijk.
Anders zou er geen zon meer schijnen, geen brood meer op tafel staan, geen liefde meer mogelijk zijn tussen man en vrouwen geen trein meer rijden.
Dat is Paasfeest, dat is de belofte van Zijn terugkeer. Dat is de werkelijkheid van ons bestaan zoals die oplicht onder het woord van God.

De westerse mens is aan de bijbel ontgroeid. Al die waarschuwingen tegen verafgoding van de natuur zeggen hem niets meer, want hij heeft zijn angst voor de natuur overwonnen omdat hij haar op wetenschappelijke wijze heeft leren doorzien. Aan de hand van doelgerichte waarnemingen en experimenten heeft hij de natuurwetten leren formuleren. Hij heeft geleerd die wetten te hanteren in de vormgeving van de dode stof tot technische produkten. Hij heeft de natuur ontgoddelijkt en in zichzelf de macht ontdekt de wereld te veranderen. De techniek geeft macht over de mensen en heeft in de afgelopen eeuwen de loop van de geschiedenis bepaald.
Maar de angst is gebleven, de menselijke eenzaamheid is niet doorbroken, de vervreemding is sterker geworden. Waardoor? Omdat de mens geloofd heeft en nog gelooft dat in deze beheersende macht de kern van zijn bestaan ligt. Omdat hij zijn hele positie en bestaan daaraan heeft opgehangen, zich daaraan religieus heeft vastgehecht. Omdat hij gelooft daarin eindelijk vrij en zichzelf te zijn. Omdat de afgod van de natuur is vervangen door de afgod van de beschaving, de cultuur.
Terwijl toch beiden behoren tot de geschapen dingen, die binnen de horizon van onze menselijke ervaring liggen. Terwijl er toch binnen die horizon nog zoveel meer kanten zijn aan ons bestaan: Rechtvaardigheid, schoonheid, harmonie en morele liefde enz., zaken die nauwelijks naar hun eigen aard aan bod komen omdat ze door macht worden verstikt.
Ook christenen doen hier aan mee, het loopt altijd weer uit op een strijd om de macht. En of dat nu gebeurt door elkaar met bijbelteksten om de oren te slaan, elkaar uit te rangeren uit invloedrijke posities of door elkaar te vuur en te zwaard te bestrijden: Ik geloof niet dat het in wezen zoveel uitmaakt. Het is toch allemaal in strijd met het bijbelwoord: "Niet door kracht noch door geweld maar door Mijn Geest zal het geschieden".
Christus heeft zichzelf beschikbaar gesteld voor deze wereld.
Hij heeft zich prijs gegeven en is er ogenschijnlijk aan ten onder gegaan. "Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Hij heeft Zichzelf ontledigd en in die weg alle macht ontvangen ook op deze aarde. Hij heeft de liefde tot God en de naaste gepredikt als het centrale gebod waar de hele schepping in rust en Hij heeft die liefde zichtbaar gemaakt en gestalte gegeven in Zijn eigen leven en sterven. Hij heeft de nieuwe schepping in al zijn strukturen getoond in Zijn opstanding uit de dood. Voor het geloof is elke nieuwe dag, elke nieuwe relatie tussen mensen, hetzij in het gezin, in de kerk of in het publieke leven, een bewijs van Christus' opstanding, want Hij is daarin present. Hij zegt dan ook niet dat Hij ons de weg naar de waarheid wijst, maar dat Hij de weg en de waarheid zelf is. Hij verkondigt niet alleen de opstanding en wijst niet alleen een toekomstig leven aan, maar Hij is de opstanding en het leven zelf. In Christus is de werkelijkheid van de schepping present en als wij belijden dat wij met Hem gestorven en opgestaan zijn is dat geen beeldspraak waarbij onze rechtspositie geregeld is, maar een geloofsuitspraak waarin wij de werkelijkheid naar al zijn zijden herkennen.
Wij waren erbij toen dat gebeurde en ook al heeft deze gebeurtenis 2000 jaar geleden plaats gehad dan is het toch de Geest die deze eeuwen overbrugt en ons deze werkelijke stand van zaken onthult heeft.
Nu is het niet zo dat wij een beginselprogram van Jezus moeten uitwerken. Het is veeleer zo dat ons leven getuigenis moet afleggen door ons te voegen naar de werkelijke stand van zaken in de schepping, zoals deze in Hem vastligt, eens en voor altijd, algeheel en volkomen. "Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen".
En dan gaat de bijbel verder met: "Maar die Hem aangenomen hebben heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden". "En de schepping wacht als in barensnood op de openbaring daarvan".
Die barensnood komt mede tot uitdrukking in het gevoel van verlorenheid en zinloosheid waarin de wereld terecht is gekomen door de sterk eenzijdige ontwikkeling van onze beschaving. Want de juichtonen over onze geweldige technische prestaties zijn aan het verstommen. Wij ontdekken dat wij ook daarin de mens niet vinden, dat alles altijd weer scheef groeit en dat de organisatie van onze samenleving nauwelijks ruimte laat voor een koerswijziging.
En als er enige ruimte gevonden wordt dan dreigt die meteen de weg in te slaan van een terugval in de natuur, tot een ongebonden instinctieve beleving van de menselijke natuur.
En toch? Toch zit ook hierin vaak een schreeuw om gemeenschap, om zichzelf te vinden in het met de ander zijn. Er zijn inderdaad jongerengroepen die op gewelddadige wijze willen ingrijpen in de bestaande samenlevingsstrukturen en naar mijn gevoelen winnen zij het tenslotte. Maar er zijn ook hele groepen van de jongerengeneratie die nog geen vlieg doodslaan, maar in allerlei experimenten met het menselijk lichaam tot een natuurlijke gemeenschap met elkaar en zichzelf trachten te komen. Het lijkt mij goed deze groepen te onderscheiden.
In dit alles past de kerk maar één houding dunkt me: Die van erbarmen, mededogen, medeleven, zichzelf beschikbaar stellen, zichzelf verliezen, de joden een jood en de grieken een griek zijn, zoals Paulus zegt. De kerk heeft naar mijn gevoelen veel te lang getracht ook een politieke macht te zijn waarmee rekening moest worden gehouden. Haar roeping is getuigen en daarbij mag zij niet schromen misstanden aan de kaak te stellen, ook en vooral door op de problemen van deze tijd in te gaan, niet zwevend of keihard, maar terzake kundig en vol mededogen met alles wat in de verdrukking komt. Dan vertoont zij de gestalte van Christus en zal zij het leven vinden omdat zij bereid is het te verliezen.
De vorige spreker, br. Van der Kooy, heeft gezegd, dat wij op de kleine steentjes moeten lopen. Ik kan het daar goed mee eens zijn.
Als wij onze verantwoordelijkheid tegenover de samenleving maar niet schuwen en daarvan naar ons vermogen getuigenis afleggen.
En tenslotte hebben wij allemaal onze relaties, tot kollega's, vrienden, tot man of vrouw, tot onze kinderen. Als wij niet bereid zijn daarin onze liefde tot Christus te laten doorstralen, dan moeten wij het ook in de kerk niet proberen.
Er zitten in al die relaties zulke geweldige mogelijkheden -- mits wij ons er voor openstellen -- tot het beleven van menselijk geluk, van een gemeenschappelijk beleven van ons geschapen-mens zijn.
Mits wij er Christus maar in toelaten en in die relaties rustig vertrouwen en liefde blijven schenken overeenkomstig die normatieve strukturen die God er voor gesteld heeft en die naar Christus verwijzen.
Er worden vandaag veel tradities aangetast en opgeruimd en dat is in veel gevallen toe te juichen, want de verstarde tradities staan de werkelijke levensontplooiing in de weg. Er staat echter tegenover dat wat er voor in de plaats komt vaak niet veel beter is, want bijna alles wordt tot een politiek probleem herleid en benaderd vanuit machtsposities. En dan is de bevrijding en de beoogde ontplooiing toch maar schijn.
Een voorbeeld: Men schopt vandaag tegen de strukturen van huwelijk en gezin, men ziet ze als autoritaire instituten, waarin de man over de vrouwen de ouders over de kinderen heersen. Nu kunnen wij niet ontkennen dat een man zijn vrouw vaak ziet als zijn eigendom, of de ouders hun kinderen als hun bezit.
Geestelijk groeit men dan uiteen en soms geeft dit zelfs aanleiding tot bepaalde wrede verhoudingen.
Ook worstelt men dan onophoudelijk met gezagsproblemen. En als christenen zoiets doen hebben zij vaak een bijbelse smoes om zich te rechtvaardigen: Ze zeggen dan dat de man het hoofd van de vrouw is zoals Christus het hoofd van de gemeente, maar ze bedoelen: Dat de man de baas speelt over: de vrouw. Alsof Christus de baas speelt over de gemeente. Zij zeggen dan: Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in alles, want dat is de wil van de Heer en ze vergeten het vervolg: Vaders, prikkelt uw kinderen niet opdat zij niet moedeloos worden.
Want in deze relaties is niet het gezag maar de liefde de beslissende faktor; doodgewone aardse creatuurlijke liefde en in elk van deze relaties naar Zijn eigen aard.
Maar een liefde die slechts bestaanbaar is omdat ze boven zichzelf uitwijst naar de liefde van Christus. En Hij is in zijn menszijn niet te kort geschoten, Hij is in onze geschiedenis ingegaan, concreet en tastbaar, het woord is vlees geworden en het blijft dit ook. Maar als wij hem alleen maar zien als een historisch persoon, als iemand die geschiedenis heeft gemaakt, die de cultuur heeft vooruit gebracht, dan zijn wij Hem vandaag kwijt. Dan is Jezus van Nazareth een overwonnen standpunt, dan is God dood. Maar als wij Hem met het hart aanvaarden in het geloof, dan erkennen wij dat de schepping naar al haar zijden en niet alleen naar haar kultuuraspekt gered is en verankerd ligt in de liefde van God, zoals die in Jezus van Nazareth openbaar is geworden en in zijn opstandingslichaam present is.
En als wij soms twijfelen dan zegt Hij als tegen Thomas: "Kom hier met je hand en voel Mijn lichaam."
Want Zijn lichaam vertegenwoordigt de werkelijkheid van Gods schepping, naar al haar structuren.
En het is de Geest die ons dit leert, die God ons als pand heeft gegeven -- en die ons in het geloof Hem doet aangrijpen.
EN DAT GELOOF OVERWINT DE WERELD.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief