Op weg naar een christelijke literatuur

1974-04-19
  • Jaargang 18
  • nummer 16
Literatuur en beeldende kunst zijn binnen de protestants-christelijke maar vooral gereformeerde traditie eigenlijk altijd stiefmoederlijk bedeelde interessesferen geweest. Het zijn "Fremdkörper" in een cultuur die men uiterst kritisch, zo niet argwanend heeft benadert omdat de christenheid er niets van kon leren en niets van mócht leren. Integendeel: de cultuur moest gekerstend worden en daarom ook de literatuur en de kunst.

Terugkijkend in de historie vinden wij de beeldenstorm (1566) op onze weg als het teken bij uitstek van deze mentaliteit. Door beelden kan. en mag God niet gediend worden, want dat is atgoderij! Hoewel de grote reformatoren als Luther, Calvijn en Zwingli de beeldenstorm als actie hebben afgekeurd, waren zij het min of meer wel eens over de strekking ervan. Laat ik hier wat nader op, ingaan.

Als Calvijn in 1561 hoort van de beeldenstorm te Sauve spreekt hij van een gruwelijke dwaasheid maar dan omdat het gepeupel zich vergreep aan de wettige taak van de overheid om publiekelijk afgodsbeelden te vernietigen. Met andere woorden: de wijze waarop de beeldenstorm plaatsvond keurde Calvijn scherp af. Niet het feit dat schilderijen, beeldhouwwerken en houtsnijwerken werden vernietigd!
J. Dollmann drukt zich zeer goed uit als hij stelt dat Calvijn slechts de machtsurpatie van het volk t.o.v. de wereldse overheid afkeurde en niet de vernietiging van de "afgodsbeelden" als zodanig.
(Calvijn's Aesthetica, Studiënreeks no. 4, pag. 41) Bij Zwingli ligt de situatie nog veel eenvoudiger. Hij keerde zich fel tegen (afgods)beelden in de kerken, die hij per definitie uit de boze achtte en niet in staat om de gelovigen tot Christus te brengen. Hij achtte de beeldenstorm daarom geoorloofd.
Luther keert zich weliswaar tegen de beeldenstorm maar vooral vanwege het gruwelijke middel om op drastische wijze de boel kort en klein te slaan. Luther meende dat men op deze wijze ook de harten van de mensen die aan dergelijke kunstwerken gehecht waren meedogenloos vertrapte.
Toch is ook Luther van mening dat het beter zou zijn wanneer de beelden een afgedane zaak zouden zijn omdat men er een vals vertrouwen in stelde. In 1525 is hij het eens met een ordelijke verwijdering van beelden uit de kerken. Maar het vernietigen van beelden vond hij een uiterlijke en weinig effectieve aangelegenheid vergeleken bij de prediking die de harten van de mensen moest bereiken. Wanneer deze ware prediking van Gods Woord werkelijk plaats vindt zal volgens Luther het overige vanzelf in het reine komen. (Vgl. W. Schöne, J. Kolwitz en H. Fr. von Campenhausen in Das Gottesbild im Abendland, Witten/Berlin 1959, pag. 172) Uit deze voorbeelden zal duidelijk geworden zijn dat de Reformatoren de "kunst" bezwaarlijk konden inpassen in hun visie op het christelijk levenspatroon omdat de angst voor afgoderijdie hun vanuit de R.K. traditie nog scherp voor ogen stondallesoverheersend was.
Deze haast oudtestamentische angst voor afgoderij in het christelijke leven werd in de Nederlanden nog gevoed en versterkt door een beperkte visie en een burgerlijke betweterij van onze nuchtere en op dit punt nogal saaie voorvade cs.
Daarom is het jammer dat door deze "reactionaire" houding kunst en literatuur binnen het christelijk leven nooit werkelijk een legitieme plaats hebben gekregen, ookal erken ik het feit dat zich in de twintiger jaren een reformatorische literaire opleving voordeed.
De heftigste cultuurbestrijders treden op tegen het einde der 19e eeuw.
Max Nordau publiceert in 1890 zijn boek "Entartung" waarin hij het door dr Cesare Lombroso gedefiniëerde begrip ontaarding als psychopathologische ziekelijkheid toepaste op de literatuur en de beeldende kunst. Nordau's remedie was dat men deze geesteszieken die dermate in geestelijk verval verkeerden aan hun onverbiddelijk noodlot moest overlaten.
Zij waren reddeloos verloren.
Maar de leidende "ontaarden" moesten gebrandmerkt worden.
Vooral hun publiek moest gewaarschuwd worden voor de leugens van deze zwendelaars en wel door de pers omdat staatsgerechtelijk ingrijpen te weinig effect sorteerde.
Seerp Anema heeft in zijn boek "Moderne kunst en ontaarding"
(1926) in hoofdtrekken het voetspoor van Nordau gevolgd en de schilderkunst van het Impressionisme als een Baäls- en Astartedienst gedoodverfd, een sensueel subjectief egoïsme dat God vijandig gezind is. Anema's weerwoord werd vervat in een aesthetische geloofsbelijdenis waarin hij o.m. zei, dat het de roeping van de mens was om met zijn scheppende vermogens God te verheerlijken en op die wijze de schepping nader te brengen tot het komende Godsrijk. De schoonheid diende om de ziel te verheffen en iedere afgoderij die poogde om de schoonheid los te maken van haar Schepper moest veroordeeld worden.
Hij verfoeide alle praktijk, die het werk van' de kunstenaar los maakte van de waarheid en de zedelijkheid uit kracht der afspiegeling van die eenheid in de schepping. Fel veroordeelde hij alle verwording in de ziel van de kunstenaar die deze eenheid wezenlijk aantastte.
Maar ook vanuit andere richtingen werd de kunst verdacht gemaakt.
J. M. Prange maakt het in zijn boek "De God Hai-Hai en rabarber - met het kapmes door de jungle van de moderne kunst" (1958, 4e druk!) wel bijzonder bont. Over het "geval" Picasso schrijft hij: niet als kunst is het geval Picasso belangwekkend, maar alleen als het treffendste voorbeeld van een 20e eeuwse vervalsingszaak. Het beste voorbeeld van een geheel van bedrog en onnozelheid, geldelijke belangen en naïviteit, van warhoofderij en koelbloedige berekening, van snobisme en smaakmisleiding: een opgeblazen kikker, een allerkolossaalst opgeblazen Gargantua van een kikker, aan welks zelfkant duizenden en duizenden sous-Picasso's en kunstluizen zich vasthaken, omgeven door scharen gelovigen, die de toverformules devoot naprevelen. (pag. 74) Laten wij niet menen dat dergelijke oordelen tot het verleden behoren, want ook recentelijke voorbeelden tonen aan dat deze mentaliteit nog volop aanwezig is en doorwerkt. Zo heeft prof. dr G. A. Lindeboom een protestbrochure gepubliceerd n.a.v. de "ezelgod" van G. K. van het Reve.
Op een fantasieloze en erbarmelijk moralistische wijze zet hij ten behoeve van de geestelijke volksgezondheid uiteen dat de R.K. kerk zichzelf belachelijk heeft gemaakt door Van het Reve - elders kampioen-homosexueel genoemd! - in haar midden op te nemen. (Vgl. "God en ezel", Franeker 1967, pag. 21) Tenslotte heeft W. Meijer in "Nieuwe ommetjes" - een reeks verzamelde artikelen over kunst en cultuur in het "Nederlands Dagblad" - met de Bijbel in zijn hand willen aantonen dat dingen die wij lezen, horen of zien ons wel degelijk naar het verderf kunnen voeren en fulmineert hij tegen prof. dr H. Rookmaaker die deze angstvalligheid met waarachtige christelijke vrijheid tracht te verdedigen. ("Nieuwe ommetjes", Goes 1971, pag. 151) Ik ben mij bewust van het feit dat deze voorstelling van zaken eenzijdig is omdat er ook een andere lijn in de geschiedenis van de literatuur en kunst is aan te wijzeri, waar het welhaast kuyperiaanse ferment" is doorgebroken en wel bij mensen als K. Heeroma, A. den Besten, H. M. van Randwijk, C. Rijnsdorp en R.
Houwink. Hier is een verademende openheid ten aanzien van de kunst te bespeuren die beslist niet kritiekloos is. Toch weet het overgrote deel van de christenheid eigenlijk geen raad met de kunst en de bovengenoemde citaten verduidelijken daarom zowel de chaos waar wij middenin zitten als de hulpeloosheid en het gebrek aan durf om er een eigen mening ,op na te houden. Het is toch niet zó lang geleden dat bioscoopbezoek en dansen werd verboden en het lezen van Erich Maria Remarque's werk "Im Westen Nichts Neues" ten strengste werd afgeraden als een immoreel boek! Ik wil maar zeggen: met verontrusting alléén is literatuur en beeldende kunst niet vruchtbaar en zinvol te benaderen.
Het is niet alleen dat de verontrusten te weinig kennis hebben genomen van wat er in de wereld van vandaag op het gebied van literatuur en beeldende kunst gaande is, of dat zij geen distantie zouden kunnen nemen van hun eigen overtuiging. Ook niet dat de verontrusten eensgezind zijn in de afwijzing, verdachtmaking, de onheilsprofetieën die zij over ons uitstorten en niet toekomen aan een door het geloof bezielde nieuwe visie. Maar ik geloof vooral dat het de verontrusting zelf is die een nieuwe visie blokkeert en meer nog: dat sommige christenen zich met deze verontrusting pantseren als zij met nieuwe cultuuruitingen worden geconfronteerd.
Wanneer dat het geval is miskent men eenvoudig de pluriformiteit van onze huidige samenleving.
Men tart de eigenheid van ieder kunstwerk, men miskent de individualiteit van de kunstenaar als scheppend individu en tenslotte mist men de mogelijkheid om het kunstwerk, de kunstenaar en zijn publiek en de werkelijkheid om ons heen in een relatie te brengen.
Zijn alle genoemde uitingen dan afkeurenswaardig? Niet in die zin, dat men heeft getracht een algemeen geldige en voor de samenleving ais totaliteit opbouwende kritiek te geven. Maar een dergelijke behoefte kan ook voortkomen uit heerszucht en betweterij waarbij men vanuit een soort stellingenoorlog echte en vermeende vij anden in het diepst van hun wezen tracht te blesseren. Het is bepaald niet zo vroom om alleen maar zonden en gevaarlijke tendenzen bij anderen te signaleren en het is absurd om van iedere kustvorm te verlangen dat zij apologetisch is, van het geloof dient te getuigen. In die zin zijn de genoemde citaten bepaald wél afkeurenswaardig en dit gevaar heeft dr C. Rijnsdorp goed onder ogen gezien. (Vgl. "Christen en kunst" door dr G. Puchinger, Delft 1971, pag. 214/ 214). De dr G. van der Leeuw Stichting heeft zich tot taak gesteld om dit ontbreken van christelijke waardering voor kunst en literatuur te verhelpen. De brede cultuurtaak die als doelstelling wordt omschreven, wordt in praktijk echter beperkt tot psalmberijmingen, melodiëring van psalmen en het formuleren van regels voor bijbelvertalingen.
Weliswaar is het positief te waarderen dat men de eredienst primair beschouwt als een samenkomst om de Here te loven, met als gevolg dat men grote aandacht besteedt aan het zingen van fraai berijmde en melodieuze psalmen en gezangen. Toch blijft dit alles een binnenkerkelijk gebeuren.
Ondanks de experimentele vormen van liturgische vernieuwing, bouwt men eigenlijk aan een christelijk subcultuurtje en zet men de sluizen voor literatuur en beeldende kunst, zoals deze zich in de samenleving presenteren, niet echt open.
Wat m.i. te doen staat nu wij verkeren in een vacuüm-situatie omdat wij bij lange na niet in staat zijn geweest om een structureel hanteerbaar referentiekader te ontwikkelen voor literatuur en beeldende kunst - is het nagaan in verleden en heden of aanknopingspunten gevonden kunnen worden bij literatuurtheorieën of aesthetische principia van anderen. Dit is natuurlijk niet het enige middel, maar waarschijnlijk momenteel het meest praktische.
Een literatuurtheorie mag natuurlijk nooit terwille van zichzelf in stand worden gehouden.
Het doel ervan is evenmin om op wetenschappelijke basis in precies dezelfde fouten te vervallen als ik zoëven geschetst heb. Het gaat er immers niet om voor altijd geldende' absolute zwart-wit uitspraken te doen en zo het lot van de literatuur in de toekomst te voorspellen.
Een literatuurtheorie of aesthetica kan ons begrip, onze waardering en onze interpretatie van literatuur en beeldende kunst echter wel verhelderen door een bepaalde ordening aan te brengen.
Systematisch en methodisch analyseren, evalueren en interpreteren kan ons oordeel een breder horizon verschaffen, kan ons oordeel preciseren en consistent maken.
Een theoretische benadering beperkt zich niet tot een "Einzelstück", verliest zich m.a.w. niet in het detail, maar zoekt daar bovenuit naar structuren. Behalve de afzonderlijke delen van een literair werk of kunstwerk zoekt zij ook naar de totaliteit, de samenhang.
Tenslotte analyseert een theorie niet alleen de effecten, maar ook persoonlijke drijfveren van de kunstenaar, alsook de tijdgeest waarin een bepaald werk tot stand komt. Kortom: de theorie kan een nuttig instrument zijn om boven de gebruikelijke marginale opmerkingen uit te komen, die in onze kringen overigens met de beste en eerlijkste bedoelingen worden gemaakt maar toch vaak in het persoonlijke en/of levensbeschouwelijke blijven hangen.
Het gaat behalve een theorie tenslotte om een consensus.
Nu zal misschien menig christen die dit artikel tot hier toe gelezen heeft zijn wenkbrauwen fronsen en hoofdschuddend zich afvragen of de auteur niet vee! te hoge ogen heeft gegooid en de verscheidenheid èn de gebrokenheid van de christelijke kerk hier te lande niet al te argeloos over het hoofd ziet.
Inderdaad, ook ikzelf vraag mij af of een consensus wel een haalbare zaak is. Maar laat ik dan beginnen met te zeggen wat ik onder een consensus versta.
In de eerste plaats dit: overeenstemming over de zaken die werkelijk essentiëel zijn voor het heil, èn welke dat niet zijn. Daar bedoel ik dus vooral de geloofsbelijdenis mee en de geloofsband die wij als christenen met elkaar in concreto, naar onze mogelijkheden, te realiseren hebben. Consensus óók voor een groot gedeelte wat betreft onze taak en roeping in de wereld. Ik zou dit niet tot zending en evangelisatie in directe zin willen beperken, maar juist ook door middel van cultuurmiddelen indirect willen uitbreiden. Als dit als mogelijkheid wordt erkend, zijn we al een eind op weg om ook een positieve kijk op literatuur en kunst te krijgen, want zij worden dan potentiëel middelen om te laten zien dat Christus een reële betekenis heeft in het menselijk leven, zowel voor schrijvers en schilders zelf als voor hun publiek. Dat wil overigens niet zeggen dat ik uitoefening en kennisname van literatuur en kunst alleen gerechtvaardigd zie, wanneer zij apologetisch is, want dat impliceert dat literatuur qua literatuur en kunst qua kunst nog niet ontsloten gebieden zijn. Maar misschien is dit laatste iets te moeilijk om in korte tijd werkelijk te veranderen.
Het zou al een winstpunt zijn als in onze kringen literatuur en kunst weer de moeite waard zouden worden gevonden, als het werk van mensen waardoor men uiteraard niet zonder gevaren aan het denken wordt gezet, maar waardoor het geloof ook positief eens getest wordt, waar men kritisch en soms profetische dingen ziet en hoort over ons menszijn in onze samenleving die wij ons wellicht nooit zo indringend hadden gerealiseerd en waar wij nu met onze neus bovenop worden gedrukt.
Daar komt nog bij dat wij voor een confrontatie met literatuur en kunst niet eens zo ons best behoeven te doen, want zij dringen zich vanzelf wel op, mede door middel van de publiciteitsmedia!
En dit oprukken drukken wij niet door argwaan en verontrusting de kop in. Een consensus dus - om hierop nog even terug te komen - waaruit mag blijken dat voor een christen niet alléén de weg der antithese geoorloofd is maar dat hij ook de uitdaging van de synthese kàn aangaan, omdat het bij alle dingen die beoordeeld worden erom gaat dat het goede wordt behouden. Dat kàn betekenen dat een synthese een eindweegs wordt volgehouden!
Dan zitten we ook midden in dezelfde problematiek als waarin Augustinus verkeerde toen hij betoogde dat niet christelijke literatuur en kunst niet geheel van schoonheid en wijsheid verstoken waren en dat men zijn geest en ziel erdoor kon verruimen en dat alles zelfs potentiëel goed was mits men er een christelijk gebruik van maakte.
Maar zoals gezegd, in het volgende artikel wil ik een poging wagen theoretisch elders aan te knopen om elementen bij anderen te vinden voor een christelijke literatuur- en kunsttheorie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief