Niet speciale maar algemene kerk

1974-04-26
  • Jaargang 18
  • nummer 17
De gedachte, dat we ons bestaansrecht hebben te ontlenen aan een kerkelijke specialiteit, laat ons niet gemakkelijk los. We bemerken echter al gauw, dat we onze ontstaansgeschiedenis tégen hebben.
Daaruit is immers geen specialiteit te destilleren op leerstellig gebied. Evenmin een nieuwe en bizondere inzet op het terrein van het kerkrecht (zoals de verdeeldheid van de meningen hierover ons al heel gauw leren kan).
Over het gebied van de liturgie kunnen we zwijgen.
We kunnen trachten een specialiteit te "scheppen". Maar dan lijken we al gauw op de gekke tuinman, die met een knijptang de plantjes uit de grond probeerde te trekken. Ons handelen wordt dan al gauw onecht, geforceerd en dwangmatig. Met als resultaat mogelijk een "nieuwe wet", een bizonder keurslijf waar we ons "spontaan" inwringen. Die kant moet het niet uit. En dan dreigen we weer teleurgesteld te raken.
Misschien geven we het echte positieve volgen van de Goede Herder op om maar eens te zien waar we "ergens" zullen belanden. Zonder élan, zonder bezieling. We vertonen dan alle tekenen van teleurgestelde hoogmoed.

Laten we ophouden met treuren over het feit, dat we het goede antwoord op een verkeerde vraag niet kunnen vinden. Het moet de richting van de specialiteit niet uit. Het roer moet om! Het antwoord op de vraag naar ons bestaan en naar de zin ervan moet gezocht worden in wat de Schrift zegt over de heilige algemene christelijke kerk.

Het = teken?

Is onze kerk de heilige algemene christelijke kerk? Kun je tussen "onze kerk" en "heilige algemene christelijke kerk" een = teken zetten?
Dan zouden we in één klap met de bestaansvraag klaar zijn! Dan hadden we ons zelfvertrouwen dubbel en dwars hervonden!
We hebben de tijd achter ons, waarin we telkens weer werden geplaatst voor een bevestigend antwoord op de gestelde vraag: "Ja, onze (vrijgemaakte) kerk = de heilige algemene christelijke kerk!". Dat antwoord, hoe aanlokkelijk ook, kon toch eigenlijk niet overtuigen. Art. 27 NGB zegt immers, dat de kerk is "een heilige vergadering der ware christgelovigen ... ". En hoe moest je die ware christgelovigen, voorzover ze buiten onze kerkgemeenschap stonden, dan eigenlijk plaatsen? Daarop werden de wonderlijkste antwoorden gegeven.
Zo ging men bij de uitleg van de uitdrukking "ware christgelovigen" het lidmaatschap van onze kerk binnensmokkelen. Of men liet die eigen kerk functioneren in de uitleg van het woord "vergadering"!
Een merkwaardige cirkelredenering, een vreemde slingerdeslang!
Het woord "kerk" werd uitgelegd met "heilige vergadering ... ". Maar omgekeerd werd "heilige vergadering ... " pas duidelijk met behulp van “kerk". Daar stond geen gezonde uitlegger voor ons maar een scholastieke goochelaar!

Deze gedachte heeft tot kerk isme geleid. En daar voelen we nog de pijn van. Misschien zijn we uit reactie wel zo onder de indruk geraakt van de vraag naar onze specialiteit. Misschien vonden we dat een echt bescheiden alternatief!

Toch komen die beide gedachten, hoe zeer ze elkaars tegengestelde zijn, ook weer heel dichtbij elkaar.
De Duitsers spreken dan van "feindliche Brüder". Het gemeenschappelijke is, dat men verstandelijk klaar gekomen is met de verdeeldheid van Gods kinderen, met de gebrokenheid op kerkelijk gebied. Men heeft dat probleem met zijn intellekt overmeesterd!
Er is geen plaats meer voor echte en eerlijke verbijstering over het onmógelijke van het gescheiden optrekken van Gods ware kinderen. En men ziet dan ook telkens, dat de kracht voor een werkelijke arbeid tot veréniging van Gods kinderen ontbreekt!

De kwaliteit

Bij de "specialiteitsgedachte" is onze kerk zo ongeveer een "lichaamsdeel" van de heilige algemene christelijke kerk, bij de “= teken-gedachte" valt ze ermee samen. Is er nog een andere benadering mogelijk?
Inderdaad! Iemand kan zeggen: "Onze kerk is en moet zijn heilige algemene christelijke kerk!".
Daarmee zendt hij uit op een heel andere golflengte! Hij bedoelt: Wat ons als het wezenlijke van de heilige algemene christelijke kerk wordt aangewezen, dat mogen en moeten we aantreffen in de eigen kerkgemeenschap. We kunnen dat nader toelichten met wat Prof. K. Schilder ons heeft geleerd. Hij hield ons voor, dat de Avondmaalstafel niet mocht open staan voor degenen, die door Christus zèlf werden buitengesloten.

Anderzijds zou het nooit zo mogen zijn, dat een echte christgelovige door onze schuld niet aan de tafel zou verschijnen! Een kerk, die door Gods genade echt leeft naar deze stelregel, heeft niet de "getalsvolheid" maar wèl de "kwaliteit" van de heilige algemene christelijke kerk. Om die kwaliteit moet het ons te doen zijn.

U hebt gemerkt dat we de woordjes "is" en "moet zijn", "mogen" en "moeten", bij elkaar hebben gezet. Dat is ook goed. De kwaliteit die we bedoelen is nooit een gemakkelijk en goedkoop bezit.
We moeten er steeds naar jagen.
We drágen onze kerkelijke naam.
Maar tegelijk ligt die naam altijd weer vóór ons.

De grote opdracht

De kerkgeschiedenis geeft ons een tweeledig droevig beeld te zien.
Telkens weer werd een vijand (van Christus) broeder genoemd; telkens weer werd een broeder (in Christus) vijand genoemd. Wanneer werd de kwaliteit van de heilige algemene christelijke kerk bereikt? En als ze al bereikt werd, hoe lang werd ze dan vàstgehouden?
Is het niet hoogmoedig na te denken over de kerkelijke specialiteit, als de kerkelijke "normaliteit" tot de historische zeldzaamheden behoort?

De kwaliteit van de heilige algemene christelijke kerk! Betekent dat een betere en scherpere afbakening van de grens tussen hem die de HERE dient en die Hem niet dient (om nu maar even op het terrein van de tucht te blijven)? We moeten, geloof ik, leren dat theorie en redenering hun eigen bescheiden plaats hebben.
Anders zitten we heel gauw ongewild weer in een nieuwe specialisterij!
Ik denk aan Prediker 7 : 15-18. Prediker stelt daar buitengewoon moeilijke "grens-vragen" aan de orde: "Wees niet te zeer rechtvaardig ... ! .,. Wees niet te zeer goddeloos ... ! ... ".
Wanneer moet ik een zaak nu laten lopen en wanneer moet ik erop ingaan, omdat Gods recht ermee gemoeid is? Wanneer geniet ik van het goede léven en wanneer geniet ik van de zonde? Wie zal me een goede ".grens-theorie" leveren?
Vers 18 zegt dan tamelijk onverwacht: " ... want hij die God vreest ontkomt aan dit alles.".
"Hij die God vreest ... " - dat is veel meer dan het ontwerpen van een leidraad voor het vaststellen van de grens. Het is het eerbiedig luisteren naar de stem van de Herder - in àlles!

God vrezen - dat is de levenshouding van het luisteren in eerbied naar het volle woord van God. Luisteren – verkondigen- luisteren - doorgeven.
Het gaat om de Heilige Israëls, om onze Vader in Christus!

Van dat echte luisteren is weinig terechtgekomen in Israël's geschiedenis, in de kerkgeschiedenis.
Wat hebben we veel te doen! Om de kwaliteit van de heilige algemene christelijke kerk te hebben en te houden. Om normaal kerk te zijn naar uitwijzen van .het evangelie. Maar daar heeft de wereld geweldig behoefte aan! En op die weg hebben wij geen "overbodigheid" te vrezen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief