Wandelen in onschuld en oprechtheid
1974-05-03
In Psalm 26 bidt David tot de HERE: 'Doe mij recht, HERE, want ik heb in onschuld gewandeld'.- Jaargang 18
- nummer 18
Misschien is iemand bij het lezen van deze psalm geneigd te vragen: hoe kon David zo spreken? Is de betuiging van zijn onschuld en oprechtheid niet wat naïef? Wist hij niet, dat ook de allerheiligsten in dit leven nog maar een klein beginsel hebben van de gehoorzaamheid welke God van ons vraagt, en dat ook onze beste werken onvolkomen en met zonden bevlekt zijn? Had deze wetenschap hem dan niet moeten terughouden van zo te spreken als hij in Psalm 26 doet?
Er zijn veel mensen die zich bij het lezen van het Oude Testament aan zulk joods spreken ergeren. Zij vinden dat de vroomheid van dusdanige psalmwoorden ver ten achter staat bij die van het Nieuwe Testament.
Men waagt de opmerking dat de oudtestamentische kinderen Gods nog niet zo onderwezen en ver gekomen waren om te verstaan wat zonde en genade zeggen wil. Ze waren blijkbaar nog wat kinderlijker in de heilsleer. Daaraan zou het dan toe te schrijven zijn dat ze zo naïef voor de HERE konden staan met hun ietwat eigengerechtig aandoende verklaringen.
Laten we met zulke gedachten maar wat voorzichtig zijn.
Wie hier bij de gelovigen van het Oude Verbond een achterstand, een zekere onvolmaaktheid in schuldbesef en geloof in het allesreinigend verzoenbloed meent te moeten constateren, waarvoor we elkaar als nieuwtestamentische gelovigen hebben te waarschuwen, vergist zich deerlijk.
Hij moge bedenken dat de HERE Zelf zulke betuigingen als in Psalm 26 worden uitgesproken aan zijn gehoorzame kinderen op de lippen heelt gelegd. Zo dikwijls de Israëliet de tienden in het heiligdom bracht moest hij zeggen: 'Ik heb gedaan naar alles wat Gij HERE ons geboden hebt'. (Deut. 26: 12-14) Trouwens ook in het Nieuwe Testament lezen we van oprecht geloof, ongeveinsde broederlijke liefde, het bewaren van Gods geboden. van een Hem welbehagelijk leven, waaruit wij mogen kennen dat wij uit de waarheid zijn en waarbij wij onze harten mogen geruststellen voor God. (1 Joh. 3: 18-22)