Wat vergeten werd en wordt
1974-05-03
Het Friesch Dagblad publiceerde een paar artikelen die wijdere verspreiding verdienen dan de lezerskring daarvan.- Jaargang 18
- nummer 18
Het eerste heeft tot opschrift: "Het voornaamste vergeten" en luidt als volgt: De Dr A. Kuyperstichting heeft een studie gepubliceerd over de huidige politieke situatie, nationaal en internationaal, Het is een knap stuk werk en het bevat belangrijke positieve elementen.
Maar op bepaalde punten loopt het ook scheet, En het belangrijkste voorbeeld willen wij hier duidelijk uiteenzetten. Het gaat over onze verhouding tot het communistische machtsblok onder leiding van Rusland, en over de Navo als defensieve organisatie tegen de gevaren die hier dreigen.
Het rapport vertelt ons, dat wij ons niet voldoende hebben gerealiseerd dat er in de communistische wereld o zoveel is veranderd Wij praten nog over het communistische gevaar als in de tijd van de koude oorlog. "Een herwaardering van onze relatie tot de communistische wereld is gewenst", aldus het rapport.
Er wordt op gewezen, dat er misschien moeizaam een dialoog met het communisme op gang kan komen.
En dan volgt deze passage: "maar dan wordt des te dringender dat wij ons een oordeel vormen waarop deze dialoog moet zijn gericht. Is voor ons, vanuit christendemocratische visie, de westerse samenleving de inzet van de discussie?
Gaat het er om de economische en technologische voorsprong van het westen op het oosten te behouden?
Het ligt voor de hand, dat het antwoord op deze vraag ontkennend moet luiden. Maar dat betekent, dat de christen-democratie in deze dialaag het communisme tegemoet treedt zonder zich te vereenzelvigen met de structuur van de westerse maatschappij en zonder deze maatschappij tot inzet te maken. Misschien moeten wij in deze dialoog minder dan voorheen opkomen voor het behoud van de signatuur van onze eigen samenleving, en trachten de problemen die in toenemende mate de communistische en de westerse wereld gezamenlijk bedreigen (overbevolking, grondstoffenschaarste, nucleaire oorlog) in onze beschouwingen te betrekken.
Dit is een aannemelijk verhaal, maar alleen en uitsluitend voor hen die de geheel enige betekenis van de geestelijke vrijheid niet meer blijken te zien.
Want wat ons in diepste wezen van 'het communisme en zijn dictatuur onderscheidt, is niet een verschil in welvaart of in technische vorderingen, niet de "westerse maatschappij" en de structuur daarvan niet de “signatuur van de eigen samenleving".
Zulke formuleringen kan men alleen maar kiezen, als men begint met het geheel enige, het beslissende van de betekenis van de geestelijke vrijheid over het hoofd te zien. Als het communisme groter welvaart zou brengen, ons in technisch opzicht voorbij zou ijlen, dan zou het voor ons nog even verfoeilijk blijven, omdat het de ziel van het volk vermoordt. Het doodt de culturele, de politieke, de godsdienstige vrijheid. Het maakt de kinderen tot de kinderen van de partij.
En dáárom en daarom alléén, moeten wij waakzaam en ook militair sterk blijven, om te voorkomen dat onze kinderen en kleinkinderen straks te pakken worden genomen en worden weggevoerd in een nacht zonder dageraad. Als de christendemocraten dàt gevaar niet meer zouden zien, dan zouden zij in beginsel al voor het communisme hebben gecapituleerd.
De brochure, die verscheen onder de titel Oriëntatie 1974. schiet op dit punt op een beslissende wijze tekort.
Zij dreigt ons hier op een weg te brengen die uitermate gevaarlijk is.
Zij is hier gevallen in de kuil van het pragmatisme, dat zij elders in dezelfde brochure op voortreffelijke wijze tekent èn principieel verwerpt.
Wat het Friesch Dagblad schrijft is volkomen juist.
Wie zo iets als het geciteerde schrijft kent de ideeën van Lenin niet en is slachtoffer geworden van de Sovjet-propaganda over een "ontspanning".
Feit is dat Rusland en zijn satellieten sinds de wereldoorlog enorme overwinningen hebben behaald en blijven behalen zowel ten opzichte van hun ideologie als in de politiek. Ik schreef daar reeds meermalen over.
Las men niet van het daverende "succes" dat minister Van der Stoel in Moskou in verband met de ontspanning boekte?
Las men niet hoe het Edward Kennedy in Moskou verging?
Weet men niet dat het voorstel van de opheffing van het Warchau-pact in ruil voor de opheffinf van de Nato, dat met grote koppen in de kranten den volke werd verkondigd, een farce is omdat de landen van dat pact door bestaande bilaterale verdragen zó innig als maar mogelijk is verbonden blijven en er in feite niets verandert als dat pact verdwijnt?
Weet men niet dat de Oostbloklanden van geen "evenwichtige bewaneningsvermindering" willen weten?
Weet men niet dat van een "uitwisseling van ideeën, personen en informatie met hen nooit sprake kan zijn.
Weet men niet dat de kommunistische landen dag in dag uit "de universele rechten van de mens" schenden?
Kent men de rol die Rusland in het Midden-Oosten speelt niet?
Weet men niet dat de Russen in de onderhandelingen over West- Berlijn niets verloren en alles gewonnen hebben?
Heeft men nooit Lenin's taktiek van de revolutie en zijn aanwijzingen over het optreden van kommunisten in niet-kommunistische landen bestudeerd?
Het is een triest verschijnsel dat zelfs antirevolutionairen zich zo in de luren laten leggen.
Het volgende artikel van het F.D. luidt als volgt: Wie het stuk Oriëntatie 1974, uitgegeven door de Dr A. Kuyperstichting ter gelegenheid van het 95-jarig bestaan van de ARP, met aandacht leest, komt tot de conclusie, dat het voornaamste hoofdstuk is overgeslagen.
Zeker, er staan nuttige en waardevolle opmerkingen in over vele dingen, zoals over verdeling van de welvaart, nationaal en internationaal, over het milieubeheer en meer van die actuele onderwerpen.
Voor een belangrijk deel zijn dat evenwel beschouwingen, waarin te weinig wordt doorgestoten naar de principiële. de geestelijke achtergronden van deze vraagstukken. Maar nog ernstiger is, dat de samenstellers van dit stuk er blijkbaar weinig besef van hebben, dat onder "ons Christenvolk" nog heel andere vraagstukken aan de orde zijn, die de geesten beroeren. In de inleiding van de nota wordt gezegd, dat ook de ARP in een crisis verkeert, doordat de kring steeds groter wordt van hen, die twijfelen aan de bestaansreden van ohristelijke partijen in de huidige tijd. Welnu, die twijfel wordt door deze nota niet weggenomen.
En dat zou toch de eerste strekking van deze nota moeten zijn.
Hoe is die tekort te verklaren? Hieruit, dat er wèl gehandeld wordt over ,,het beheer over de schepping", en dus over het milieubeheer, over verspilling en vervuiling, over economische groei en over grondstoffenschaarste, maar niet over wat vele ernstige christenen dagelijks bezig houdt: de vervuiling van het geestelijk milieu.
Nu weten wij wel, als daaraan gezette aandacht in zulk een nota zou worden gewijd, dan zou zij direct worden geclassificeerd als reactionair en als niet passend in onze tijd.
Maar daarvoor mag geen enkele christelijke politieke partij uit de weg gaan. Zij moet goed beseffen en zonder aarzelen onder de ogen durven te zien, dat hier een scheiding der geesten openbaar wordt. Aan de ene kant zij, die belijden, dat de Here ons in Zijn Woord normen heeft gegeven, die het leven behouden.
Aan de andere kant zij, die menen, dat alle normen slechts tijdelijk zijn of betrekkelijk of individueel.
Die laatste opvatting leidt of tot nihilisme en anarchie, of tot de dictatuur van pressie- en partijgroepen.
Het is helemaal niet moeilijk, tal van gevallen en terreinen te noemen, waar deze diepe tegenstelling aan de orde komt: het karakter van de huwelijksverbintenis, het recht van het weerloze menselijk leven, hetzij ongeboren, hetzij "ontluisterd", de publieke eerbaarheid, schuld en straf, overheidsgezag en geestelijke vrijheid. Al deze vragen hebben haar praktische toespitsingen, ook in de politiek.
Daar komt bij, dat hetgeen aan geestelijke vrijheid in jarenlange strijd is verworven op het gebied van het onderwijs, het maatschappelijk werk, de reclassering daarbij inbegrepen, wordt bedreigd. Bedreigd door pogingen om de grondwettelijke basis van de rechtspositie van de bijzondere school te ondermijnen, pogingen om door schaalvergroting en door het eenzijdig bevorderen van het professionalisme de Christelijke maatschappelijke organisaties op te lossen in de grote pot van de algemeenheid, enz. enz.
Dit ligt allemaal op geestelijk terrein.
Hier komen telkens hoogst ernstige vragen aan de orde. En wanneer men het nu wel nodig acht, om over het materiële milieu en het beheer daarvan een hoofdstuk te schrijven, maar deze hele reeks van geestelijke vraagstukken over het hoofd ziet, of momenteel minder actueel echt, dan geeft men daarbij het bewijs, niet te beseffen welke zorgen er tegenwoordig leven bij ouderen en jongeren, die midden in het leven staan en dus dagelijks merken, hoe veel hier webewust in de crisis wordt gebracht. Het bestaansrecht van de Christelijke partij moet in deze tijd niet in de éérste plaats worden aangetoond met beschouwingen over de inkomensverdeling en over het milieubeheer, maar door deze geestelijke vraagstukken in hun politieke betekenis duidelijk en principieel' in het centrum te zetten.
Aan dit woord hoef ik niets toe te voegen.
Wat in dit indringende stuk wordt gezegd is tegelijk de duidelijke aanwijzing van de oorzaak waarom zoveel christenen diep verontrust zijn over de gang van zaken in allerlei organisaties, -verbanden, kerken.