Ingezonden
1974-05-24
Mag het?- Jaargang 18
- nummer 21
Naar aanleiding Win de beschouwingen van M. de Klijn in dit blad voel ik me genoodzaakt enkele opmerkingen te maken.
Het is ondoenlijk alle beweringen van de heer De Klijn kritisch te toetsen. De geest echter die er uit spreekt komt duidelijk uit in sommige zinsneden. Ik geloof dat het duidelijkste voorbeeld is zijn uitspraak over de brochure van Prof. dr G. A. Lindeboom over de "ezelgod" van Van het Reve.
De belijders van het geloof hebben altijd tegen de stroom moeten oproeien.
En daar is moed voor nodig.
Het wordt echter een hachelijke zaak als in een christelijk blad dit wordt voorzien van het etiket "fantasieloos en erbarmelijk moralistisch".
Moeten wij de stroom van smeerlapperij die onder het mom van kunst wordt opgedist en die met belastinggeld van onze democratenregering wordt gefinancierd, in het vervolg zonder kritiek accepteren?
En moeten degenen die nog de zedelijke moed hebben hiertegen te protesteren in een weekblad tot opbouw van het gereformeerde leven worden afgekraakt?
De verademende openheid ten aanzien van de kunst die De Klijn met bewondering vervult is niet anders dan een karakterloze aanpassing aan de tijdgeest van mensen die vroeger het geref. establishment vertegenwoordigden en die nu de bakens verzetten. Men kan ook zeggen; de huik naar de wind hangen.
G. Brouwer, Hattem
Geachte redactie,
In Opbouw van 19-4-'74 las ik in het artikel "Op weg naar een chr. literatuur en kunsttheorie op pag 122 een scherpe afkeuring van de brochure God en ezel van prof. Lindeboom.
Toevallig bezit ik deze brochure en ik heb altijd de daarin uitgebrachte kritiek op de schrijver Van het Reve en zijn bewonderaars zeer ter zake gevonden. Ik verbaas er me niet over dat deze mensen in "Opbouw" in bescherming genomen worden. Ik wil eens een parallel trekken tussen de rage, die thans onder studenten bestaat om naakt door drukke winkelstraten te lopen en het in deze brochure behandelde onderwerp. Zo'n naaktloper bewijst dat hij maling heeft aan alle goddelijke en menselijke wetten. Een toevallig passerende beeldende kunstenaar zou kunnen denken wat een gezond, jong, goed getraind, pracht lichaam heeft deze gast. Ik zou hem zo als model wensen. De reactie van de gewone voorbijganger is schrik, verontwaardiging, afschuw, maar ook bewondering en benijding, vuiIe gedachten, schuine grappen en lust tot nadoen. M.L behoort in uw blad alles wat tegen God en zijn wetten ingaat door ieder onvoorwaardelijk afgekeurd en bestreden worden, ook al kunnen vakgeleerden niet om dergelijke cultuuruitingen heenlopen.
Met dank voor de plaatsing.
J. Vonk, Maasluis
Ter verduidelijking Uit een aantal reacties op mijn artikelen over een christelijke benadering van literatuur en kunst (Opbouw 19 en 26 april jl.) blijkt, dat sommige passages tot misverstanden leiden. Met name wordt mijn kritiek op prof.' Lindeboom bedoeld. Hieronder dan een poging tot verduidelijking van mijn standpunt.
Het gaat mij niet om het uiteindelijk gelijk of ongelijk van prof. Lindeboom, maar om zijn eenzijdige veroordeling van G. K. van het Reve.
Ik heb de brochure "God en ezel" moralistisch genoemd, omdat hierin een literair werk uitsluitend beoordeeld wordt op zijn zedelijk gehalte - zedelijk opgevat als "goede smaak" en "fatsoen". Daarnaast is o.m. ook een "esthetische beoordeling vereist, op grond van artistiek talent (beeldend vermogen), zeggingskracht (hantering van de taal als uitdrukkingsmiddel) en originaliteit of liever: persoonlijkheid.
Prof. Lindeboom herleidt het schrijverschap van G. K. van het Reve uitsluitend tot zijn homosexuele neigingen.
Het is de vraag of daarmee de kern van het schrijverschap geraakt is. Des te erger is het dat deze homosexualiteit hem verleidt tot een scheldpartij tegen de persoon Van het Reve. Dat vind ik inderdaad erbarmelijk.
Verder is het fantasieloos om alleen geldzucht en behoefte aan publiciteit als motieven te noemen voor zijn provocerend schrijven.
Uitgangspunten voor mijn artikelen was de constatering dat vele christenen zich cultuurmijdend opstellen enerzijds en de wijze waarop het christelijk protest tegen de huidige literatuur- en kunstproductie plaats vindt anderzijds. Wanneer ik mij hiertegen afzet betekent dit niet dat ik de wereld als zodanig innerlijk als goed accepteer of kritiekloos aanvaard.
Het betekent evenmin dat ik de verontrusting als zodanig verwerp, want ikzelf ben evenzeer verontrust.
Het is juist verontrusting over de gang van zaken die mij aanzette -tot !het overdenken van deze problemen.
Maar ik bedoel wél de, verontrusting te verdiepen, te zuiveren van vooringenomenheid en vaneen wellicht onuitgesproken geloof in .de strikte scheiding van "kerk en. wereld" als doel in zichzelf., '...., Als ik een verademende openheid t.a.v. de kunst constateer, inopenheid dus naar de wereld toe, betreft dat een luisteren naar hetgeen de wereld ons aan wezenlijke dingen heeft te zeggen, dingen die ons innerlijk leven, ons geloot, onze bestaansgrond raken.
Dat betekent ook dat de grote scheidslijn dwars door de harten van alle mensen loopt, of zij nu bij de kerk horen of in de wereld staan.
Kerkmensen kunnen afvallig worden en er niet meer bij willen horen en wereldse mensen kunnen tot bekering komen. Het gaat hier om een scheiding die zich in de geschiedenis op lange termijn voltrekt en waar wij als christenen medeverantwoordelijkheid voor dragen. Daarom behoort de wereld ons innerlijk te raken; het is ons "werkterrein". Het feit dat G. K. van het Reve op sommige plaatsen (b.v. enkele gedichten in "Nader tot U") blijk geeft, van een oprecht verlangen naar God zou ons op zijn minst tot nadenken moeten stemmen.