Doemscenario of snoeiscenario?
2013-02-23
Hoe ziet de toekomst van de kerk in Nederland eruit? Heeft de kerk überhaupt nog toekomst? Het beeld van de wijngaard dat Jezus in Johannes 15 gebruikt, zet deze vragen in een hoopvol licht. Het kan dat God aan het snijden is, maar het is ook heel wel mogelijk dat onze Wijngaardenier al snoeiend werkt aan een vruchtbare toekomst voor zijn kerk.- Jaargang 57
- nummer 4
Vanaf de bovenste verdieping van de V&D in Haarlem heb je een prachtig uitzicht over de stad. De talloze kerktorens die je ziet, overtuigen je er in één oogopslag van dat de kerk eeuwenlang een dominante rol in de samenleving speelde. Aan de kerken heeft Haarlem ook haar bijnaam ‘hofjesstad’ te danken. Menig hofje is door de diaconie van één van de kerken gebouwd om weduwen van een woning te voorzien: de eerste sociale woningbouw.
Maar nu? Sommige kerken zijn afgebroken, andere gesloten of niet meer als kerk in gebruik. En in het Haarlemse Begijnhof is geen begijntje te zien, maar er poseert wel een prostituee voor het raam. Deze situatie is symptomatisch voor die van de kerk in grote delen van Nederland. En tenzij er een wonder gebeurt, zal deze situatie in de toekomst symptomatisch zijn voor heel de Nederlandse kerk. Valt deze situatie vanuit het Woord van God te duiden? Zijn er bijbelwoorden die richtinggevend zijn voor de weg die we als kerken van Christus in Nederland gaan en hebben te gaan?
Snijden of snoeien?
Een eerste bijbelwoord waaraan ik denk, is Johannes 15:2, waar Jezus zegt: ‘Iedere rank aan Mij die geen vrucht draagt, snijdt mijn Vader weg, en iedere rank die wel vrucht draagt, snoeit Hij bij, opdat hij meer vruchten draagt.’ In dit woord tekent Jezus twee scenario’s die voor iedere wijnstok in elke wijngaard opgaan. In beide gevallen is sprake van snijden, een pijnlijke realiteit waar de volgelingen, de kerk van Jezus Christus per definitie mee te maken hebben. In het eerste geval gaat het om het wegsnijden van de onvruchtbare ranken, in het tweede om het snoeien van de vruchtbare ranken.
Met de mogelijkheid dat zich dat eerste scenario in Nederland voltrekt, moeten we als kerken in alle ernst rekening houden. Het is het Tienstammenrijk overkomen nadat het eeuwenlang het Woord van God veracht had. Het is een groot deel van het Joodse volk, Gods oogappel, overkomen nadat het de Messias verworpen had. Waarom zou dit doemscenario aan ons voorbijgaan?
Maar volgens Jezus’ woord kan zich ook een ander, eveneens pijnlijk maar veel hoopvoller scenario voltrekken. Een wijngaardenier zet ook het mes in de ranken omdat hij daarin nog zo veel potentie ziet. Hoe historici en sociologen ook de situatie van de kerk duiden en wat het Centraal Planbureau ons ook voorrekent, het is dus heel wel mogelijk dat we ons als kerken in Nederland in een uiteindelijk zegenrijk snoeiproces bevinden. Doemscenario of snoeiscenario, ik ben geen profeet en waag me niet aan een uitspraak over de vraag in welk proces de Nederlandse kerken zich precies bevinden. Gelet op Johannes 15 zal het geen kwestie zijn van of of, maar van en en, en zullen beide scenario’s zich gelijktijdig voltrekken.
Hoe dan ook schrijven Jezus’ woorden onze agenda voor de toekomst: ‘Wie niet in Mij blijft , wordt weggegooid als een wijnrank en verdort; hij wordt met andere ranken verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. Als jullie in Mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren.’
Het komt erop aan dat we in Jezus blijven, ons volkomen aan Hem hechten. In Hem is er toekomst voor de kerk in Nederland, buiten Hem is er geen toekomst. En als we in Hem en zijn woorden blijven, mogen we zelfs grote verwachtingen hebben. We mogen immers vragen wat we willen en het zal gebeuren! Jezus zegt dat laatste in het kader van vrucht dragen en liefhebben. Met het oog daarop mogen we alles vragen wat we maar willen. Oftewel, als we biddend gehecht zijn aan Jezus Christus, hebben ook de Nederlandse kerken volop perspectief. Dan worden zij gesnoeid om met des te meer kracht vruchten van liefde voort te brengen.
Liefhebben
Kijk ik door de bril van Johannes 15 naar de situatie van kerkelijk Nederland, dan zie ik hoopvolle signalen. Het belangrijkste is dat veel kerken zich steeds meer op Jezus Christus zelf concentreren en zich steeds sterker aan Hem hechten. Daarin herkennen christenen elkaar en die herkenning gaat zo ver, dat het bindt over kerkmuren heen, ook al wordt anders gedacht over – ik noem maar een paar voorbeelden – de gaven van de heilige Geest, de vrouw in het ambt, de doop, het duizendjarige rijk, Israël. Het lijkt wel alsof het zand dat in de loop van de tijd op de Rots der eeuwen is aangespoeld door de ontkerkelijking en het wegvallen van allerlei vanzelfsprekendheden wordt afgespoeld, zodat steeds beter zichtbaar wordt dat we op hetzelfde fundament bouwen. Zeker, voorheen werd door al die kerken ook op datzelfde fundament gebouwd, maar door de dikke laag gekoesterde leerstellingen, vormen en voorschrift en die zich op het fundament gevormd had, was dat minder zichtbaar.
In het licht van Jezus’ woorden in Johannes 15 zie ik nog een hoopgevend signaal. De Heer zegt tegen zijn leerlingen (en ons): ‘Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben, zoals Ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden.’ Jezus gebiedt ons dat de liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad gestalte in ons krijgt.
In één adem hiermee zegt Hij: ‘Ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht.’ De vrucht waar het Jezus om te doen is, is dus de liefde. Wie leeft uit Hem die de Liefde in eigen persoon is, kan niet anders dan zelf ook liefhebben: liefhebben als Jezus. Juist die liefde van Christus is in de Nederlandse kerken vaak met een
lantaarntje te zoeken geweest. In plaats van dat christenen op weg gingen om blijvende vrucht te dragen, bleven ze zitten waar ze zaten en voerden ze over talloze thema’s, die soms slechts een generatie meegingen, strijd met een felheid alsof de eeuwigheid op het spel stond. Er werd geoordeeld en veroordeeld. Nog maar enige decennia geleden leek het of er een concurrentieslag gaande was tussen gereformeerden en evangelischen en in die kerkverbanden onderling. Natuurlijk is de situatie nu niet opeens totaal anders. En toch waait er een andere wind door de kerken. Christenen en kerken weten elkaar door de liefde van Jezus Christus op landelijk en lokaal niveau steeds beter te vinden. Kijk ik over Haarlem uit, dan weet ik ook dat veel kerken die elkaar vroeger etiketteerden of zelfs verketterden, tegenwoordig in liefde en respect samenwerken. Voorgangers uit heel verschillende denominaties komen maandelijks of zelfs wekelijks bij elkaar om samen te bidden. Hoe verschillend ze ook zijn – en dat zijn ze – ze weten zich geheel één in de Heer en de liefde voor Hem!
Zand
Bepaald niet alle kerken en christenen maken deze beweging mee, deze steeds sterkere concentratie op het fundament dat Jezus Christus is. Daar hebben ze uiteenlopende redenen voor. Er zijn kerken en christenen die nadrukkelijk en welbewust afstand nemen van de belijdenis dat Jezus Christus de weg, de waarheid en het leven is. Dat doen zij omdat zij het spreken over de waarheid als zodanig problematisch vinden, of omwille van de interreligieuze dialoog. Ik houd mijn hart vast voor deze kerken, omdat er volgens het woord van onze Heiland alleen toekomst voor de kerk is als er sprake is van de nauwste hechting aan de Heer van de kerk zelf.
Weer andere kerken en christenen houden het erop dat het zand dat in de loop van de tijd op de Rots der eeuwen is aangespoeld wel degelijk tot het fundament behoort. Zij vinden dat er tegenwoordig te veel wordt gerelativeerd en dat de waarheid van Gods Woord daardoor tekort wordt gedaan. Zo zijn bijvoorbeeld veel baptisten en gereformeerden er nog steeds heilig van overtuigd dat er binnen de gemeente van Jezus Christus in principe maar één opvatting over de doop mag bestaan. Met als gevolg dat zij de hele discussie en zelfs het kerkelijke leven op scherp zetten als de bestaande dooppraktijk – of het nu de geloofs- of verbondsdoop is – gerelativeerd lijkt te worden. Juist omdat zij zo’n liefde voor Gods Woord hebben, hoop en vertrouw ik erop dat zij vroeg of laat zullen inzien dat het type kerk dat zij voorstaan niet de kerk is zoals de Heer van de kerk die bedoeld heeft . De kerk van Christus is geen vereniging tot behoud van het gereformeerde, baptistische of charismatische gedachtegoed, maar de gemeenschap van allen die belijden ‘Jezus is Heer’. Allen die in geloof aan Christus gehecht zijn behoren tot de wijnstok en zijn geroepen de eenheid in Christus te beleven en te bewaren.
Proef op de som
De eenheid in Christus beleven en bewaren, hoe doe je dat als de verschillen zo groot lijken? Ik kom terug op het woord ‘liefde’. Juist als de Bijbel het over de eenheid van Christus’ kerk heeft, speelt dat woord steeds weer de hoofdrol. In Efeziërs 1-3 heeft Paulus het Evangelie van de verzoening tussen God en mens en mensen onderling in volle rijkdom gepredikt. Het eerste wat hij de gemeente vervolgens met de grootst denkbare klem voorhoudt is: ‘Wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is’ (Efeziërs 4:26).
De eenheid van Christus’ gemeente bewaar je niet door een tot in de puntjes uitgewerkte dogmatiek, ethiek of kerkorde, maar door bescheidenheid, zachtmoedigheid, geduld, verdraagzaamheid en de samenbindende kracht van de vrede. Leren liefdevol om te gaan met verschillen in opvatting is de proef op de som van het leven uit het Evangelie!
Ik wil het bovenstaande toespitsen op onze dooppraktijk. Steeds vaker komt het voor dat binnen één gemeente verschillend over de doop wordt gedacht. Daar lopen zowel gereformeerden als baptisten tegenaan. Hoe dienen we hiermee om te gaan? Voor mij is het een belangrijke eyeopener geweest om te zien hoe de apostel Paulus omgaat met de pijnlijke misverstanden rond de doop in de gemeente van Korinte. Veel Korintiërs zien de doop als een soort partijsymbool (‘ik ben van Paulus, ik van Apollos’). Binnen deze context dankt Paulus God (!) dat hij niemand van de Korintiërs gedoopt heeft. Het zal je trouwens maar gezegd worden, door niemand minder dan Paulus zelf: ‘Ik ben God dankbaar dat ik niemand van jullie gedoopt heb.’
Hoe kan Paulus dat zo stellen? Wel, zegt hij, Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen (1 Korintiërs 1:17)! Paulus onderscheidt hier tussen het Evangelie en de bediening van de doop: doop en Evangelie gaan wel samen, maar vallen niet samen. Het is Paulus’ apostolische bediening, niet om mensen onder te dompelen in het water, maar in het Evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd. Van een insteek als deze kunnen we leren heel de discussie over de doop in de juiste proporties te zien. Dat voor steeds meer christenen het verschil in dooppraktijk geen belemmering is om samen te leven in één gemeente, hoeft niet het gevolg te zijn van een ongebreideld relativeringsvermogen. Het kan evengoed een kwestie zijn van onderscheiden waarop het aankomt, een vrucht van de Geest.
Nieuwe reformatie
’Indien gij echter elkander bijt en vereet, ziet dan toe, dat gij niet door elkander verslonden wordt’, schrijft Paulus in Galaten 5:15. We hebben als kerken in Nederland niet alleen te maken met de satan die rondgaat als brullende leeuw, ‘zoekende wie hij zal verslinden’, we hebben als kerken in zekere zin ook elkaar verslonden. We zijn onszelf tegengekomen en moeten de consequenties van het leven bij dogmatische leerstukken en wettisch denken onder ogen zien. En dan doet het snoeimes van de landman ons pijn, maar tegelijk maakt het ons op een heilzame manier klein. We worden klein aan de voet van het kruis. En terwijl we daar knielen, ontdekken we rond ons vele anderen die hetzelfde doen. Iemand die voor de verbondsdoop is, knielt daar naast iemand die voor de geloofsdoop is. Iemand die in tongen spreekt, knielt daar naast iemand die er niets van moet hebben. Iemand die van a tot z de Dordtse Leerregels onderschrijft, knielt daar naast iemand die vraagtekens plaats bij aspecten daarvan. En samen weet je dat je het helemaal van Gods genade moet hebben.
Vergeleken met de manier waarop kerken en christenen in het verleden met elkaar omgingen, mag dit gerust een kerkhistorische ontwikkeling van het grootste belang genoemd worden, een nieuwe reformatie. Het snoeimes van de wijngaardenier brengt ons dichter bij Jezus Christus. En hoe dichter we bij Christus zijn, des te ootmoediger worden we. En hoe ootmoediger we worden, des te meer krijgt Christus’ liefde de ruimte. En dan… Dan is er hoop voor de Nederlandse kerken. Jezus zegt: ‘De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden, wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn’ (Johannes 15:8). De grootheid van de hemelse Vader wordt zichtbaar in liefde, in vrede, in een ootmoedige, geduldige, milde en barmhartige omgang met elkaar. Er is dus een direct verband tussen het dragen van vrucht en de uitstraling die Christus’ kerk in deze wereld heeft. Door de liefde van en voor Christus wordt iets van Gods grootheid zichtbaar in de wereld. En dan kan het niet anders of degenen in deze wereld die hunkeren naar liefde en vrede vinden bij Jezus’ volgelingen iets dat trekt, dat beantwoordt aan hun diepste verlangen.
In het licht van Johannes 15 hoeft terugloop geen achteruitgang te zijn. Heel graag wil ik de ontwikkelingen in de Nederlandse kerken in dit perspectief zien. We passen niet op de winkel tot de laatste de deur achter zich sluit of de boel failliet is, maar gaan met elkaar terug tot waar het allemaal om te doen is: leven uit en met en voor en door Jezus Christus in deze wereld. Dat is hoopvol leven, in elk denkbaar scenario.
Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem.